Ik durf wel eens luidop te denken.
Ik denk dan ook graag
en praat even graag veel.
Hoewel een voorkeur voor mensen,
ontsnapt ook mijn hond er niet aan.
Dat ik nu ook sokken aanspreek, is nieuw.
Als dieren in fabels een stem krijgen,
mag ik mijn sokken oren geven.
Ik vind ze dan ook fabelachtig.
Ik vraag of ze me hun verhaal willen vertellen.
Dat het stil blijft, verrast me niet.
Sokken verbuigen zich enkel passief.
Ze worden gedragen, versleten, gewassen.
Nooit doen ze iets zelf,
altijd aan andermans voet.
Mochten ze geen oren hebben,
ik had ze al sneller gedumpt.
Toch stel ik hen gerust.
Dat ze zich geen zorgen hoeven maken.
En nog even mogen blijven liggen.
Ze hebben nog teveel te vertellen.
Ik beloof meer mijn best te doen.
Beter te sorteren.
Matchen ook.
Zodat ze minder lonely zijn.
Hoewel ik hen enkel oren gaf,
kijken ze me als wezen aan.
Wachtend om te worden gekozen.
Een paar te kunnen zijn.
Voor ik het gesprek afrond, beloof ik
dat ieder van hen aan de beurt komt.
Dat ik hun verhalen wil horen.
De verkleurde sokken.
Waarom ze zich mengden met de foute kleuren.
De sokken die afzakken.
Wanneer de elastiek het liet afweten.
De versleten sokken.
Teveel voeten warm gehouden?
De sokken met gaten?
Die komen eerst aan de beurt.
Het gesprek bevalt me.
Misschien moet ik het vaker doen.
Tegen hen praten.
Fabelachtig als ze zijn.
