Mijn metrum klopt.
Mijn regels sluiten als een bus.
Toch vallen ze uit de toon.
Mijn verzen lopen,
het gedicht in z'n geheel niet.
Ik pas en meet, maar de literaire
functie is niet aan plaats gebonden.
Ik verwijs naar het geheel en zijn structuur,
niet naar onderdelen.
Plaatselijk overlappen stukken.
Ze wijzen de richting aan
die ik uitga, niet anders gaan kan.
Mijn functie is de uitdrukking
van de hinderpaal voor het geheel,
de draai die ík eraan geef.