Er sluimeren letters onder mijn bril,
ik zie ze en neem ze mee naar buiten.
Ze zijn nietig, moeilijk in te sluiten,
het is hun duidelijk wat ik graag wil.
De meeste vormen gemiste namen
van hen die enkel nummers waren,
soms weer herleefde in gebaren,
en als stof onder versleten ramen.
Dat ik ze niet altijd precies begreep
en ze, als het kon, van mij afschoof,
het liefste begroef op ander terrein,
maakte jou gierig, lompig maar ook leep,
en lijmde tussen ons een grotere kloof;
tussen duim en vinger rust nu de pijn.
