Op een dag precies als deze
zullen zij niet langer in vereende stilte wachten moeten,
achter lege ogen dagen slijten
onder 't zielloos kruipen van de tijd.
Zullen zij niet langer
in holle ruggen zitten
tot het dagen van oneindig morgen
eindelijk voor het voetlicht treedt .
Zo zullen zij niet langer met gezwollen tongen moeten bijten
op onuitgesproken willen - niet van moeten -
en niet langer moeten luisteren
naar het nooit aflatend fluisteren
van de tergend langgerekte echo die verveelde oren plaagt
met losse flarden al te vaak gestelde vragen
waarop het antwoord met het vallen van de dagen
- zienderogen -
als moed in schoenen zinkt.
Wanneer de lichte nazon in november, het vurig branden achter-
laat, om bij wijlen uit te deinzen
in het grijze grijnzen van de maan,
Dan pas zal het nu hen nieuwe armen geven
om te houden, nieuwe vingers om te strelen.
Handen met een nieuw gewrocht geheugen,
om met trots
de ziel te vinden die zich, half verslonden,
vanonder bergen oud verlangen
kunstig langzaam, in gedempte sporen
opnieuw een weg naar boven wrikt.
Ja, op een dag precies als deze
zullen zij weer luide stemmen broeien
en zullen zij hun lang gerijpte wereldbeelden
- met nijd en ingehouden zinnigheid geperverteerd -
schallend en brallend
uit hun stijf verplompte voegen laten barsten:
verrot
en stinkend als de geur van
overjaarse levens aan het einde van hun dag.
Zo zullen zij hun jarenlange onderhuids kermen
laten daveren
over de grondvesten van ons heden, ons verleden
ons nu, ons toen, ons dan.
Tot ook dit danig sterven zal verzanden in het
zacht en zalig krassen
op alweer een vers en zuiver
wit geruisloos
vel
papier.