Hanna Lucia

Gebruikersnaam Hanna Lucia

Teksten

Mensen zonder verhaal: deel 1

Oh god, zeg dat het niet waar is. Zeg alsjeblieft dat het niet waar is. Tegen beter weten in, staarde ik nog eens priemend naar de treffende figuur in de verte. Die okerkleurige trenchcoat, steevast halfopen rond haar middel zwierend, dat warrige zwarte haar onbeholpen in een minuscuul staartje gemoffeld, dat duo fleurige oorbellen, aan weerszijden van het hoofd olijk dansend op de cadans van haar tred. Geen twijfel mogelijk, zij was het. Een lichte paniek maakte zich meester. Hoe was het mogelijk. Dat ik haar net nu tegen het lijf moest lopen. Een ongeluk komt natuurlijk nooit alleen. Minuten, uren, wat zeg ik, dagen had ik erover gepiekerd, over deze ontmoeting. Over de conversatie die we, aangestuurd door onbeholpen toeval, zouden starten, en over waar die – Joost mocht het weten – eindigen zou. In die halsstarrig terugkerende overpeinzingen was zowat elk mogelijk scenario de revue gepasseerd. Gaande van een lichtvoetig niemendalletje, waarin weinig meer dan de strikt noodzakelijke vriendelijkheden werden uitgedeeld, tot iets fijner besnaarde gesprekken waarin geen zin verkeerd gelegd werd, tot een ronduit catastrofale clash waarin alle onbesproken gruwel eindelijk de vrije loop zou worden gelaten.In mijmeren was ik goed, in fantaseren trouwens ook. In onze urenlange gesprekken van weleer was rond alles wat er echt toe deed dan ook zo zorgvuldig heen gedraaid, dat ik de mogelijkheid om al deze nooit uitgesproken affaires ooit nog met woorden te bezweren zwaar in twijfel begon te trekken. In mijn ooghoeken, zag ik de contouren van haar ritmisch bewegende lichaam schichtig dichterbij komen. Onwillekeurig flitsten mijn gedachten terug naar de talloze keren dat ik op haar zat te wachten. Naar hoe ik, precies aan de toegewijde regelmaat waarmee zij de ene voet voor de andere plaatste, kon voorspellen dat zij het was die met haar virtuoze haar passen de verder verlaten gang vulde. Bij elke stap die ze zette, leek de druk in mijn borstkas - net als vroeger - een beetje toe te nemen. Even overwoog ik het om het – als een halvegare – tussen de winkelende zaterdagnamiddagmassa op een lopen te zetten. Of om in een halfslachtige duikvlucht achter de eerste de beste volgestouwde rayon te verdwijnen. Helaas weigerde mijn elastieken onderstel voorlopig dienst. Het enige waartoe het zich op dit moment eventueel kon lenen, was tot een puike imitatie van een schrikkerige epileptische aanval – hé, dat was misschien nog een idee – en dat terwijl L. nu met de snelheid van een opgejaagde bloedhond leek te naderen. Neen, kom op, niet flauw doen, gewoon zijn. Of zen, of iets dergelijks. Ik overleefde het wel, het was immers niet de eerste keer dat ik dit gesprek voeren zou. Als een getrainde rot in het vak doen-alsof-je-neus-bloedt keek ik gebiologeerd naar een stel pakken suiker in de rek links van mij. “Hee, Riska!” Oh hemel, daar gingen we. Hooghartig draaide ik het hoofd om. “Oh, hee Maira, ik zag je niet.” Lachend keek ze mij aan. Die blik. Ja lachen met haar ogen kon ze altijd al. Aan de manier waarop zich bij het ontbloten van de tanden in beider ooghoeken een lichte optrekkende rimpeling openbaarde, kon je de oprechtheid van haar glimlach aflezen. Dit exemplaar leek me overigens vrij rechtschapen te zijn. “Hoe gaat het met je?” Ze stelde de vraag niet zoals ieder ander hem stellen zou: achteloos, meer uit gewoonte dan uit oprechte interesse in de gemoedstoestand van de toevallig tegen het lijf gelopen gesprekspartner. Neen, niet zij. Zij leek het te menen. Vriendelijk gesticulerend, de glimlach secuur in de plooi houdend, pinden haar ogen zich steeds dwingender vast op mijn eigenste spraakorgaan, dat – jammer genoeg – voorlopig geen enkele aanstalten maakte om een enigszins gepaste reply in de strijd te werpen. Als dit geveinsde interesse was, dan was ze goed. Beroepsmisvorming wellicht, schoot me door het hoofd. Bijna was ik er met open ogen ingelopen. Nog net op tijd wist ik de valkuil der openhartigheid te ontwijken en er een korte "Best hoor." uit te gooien. De bijbehorende "Met jou?" slikte ik maar even in. Ik vond het een al te vrijmoedige inbreuk op haar privacy, iets waar ik absoluut geen zaken mee had. Ook beroepsmisvorming, dacht ik monkelend. In de stilte die daarop volgde, bleef ze me volhardend vrolijk aankijken. Walgelijk. Zoveel levensvreugde zou verboden moeten worden. En al dat kijken, je zou er zowaar gestoord van worden. Net als vroeger - wanneer ze mij al nippend vanachter haar koffie schaamteloos zat aan te staren - voelde ik haar ogen prikken. Ik voelde ze zoeken naar de mijne. Ik denk niet dat ik ooit iemand zo diep had zien kijken. Alsof ze met haar ogen letterlijk in je ziel wilde graven, zo schrijnend aandachtig staarde ze je aan. Alsof je diepst menselijke geheimen daar op de bodem zomaar lagen te wachten op haar vraag, klaar om opgehaald te worden. Abrupt wendde ik mijn ogen af. Dit trucje moest ze heus niet meer uithalen, dat voorrecht had ze verspeeld. Op de zwart-wit geruite supermarktvloer – waar ik mijn ogen bij gebrek aan beter dan maar op fixeerde – ontwaarde ik een schuifelend paar auberginekleurige botjes. Aha, dus toch. Een eerste teken van genaakbaarheid. Ik voelde mijn pols verslappen. Uit het niets borrelde plots ook de sterke aandrang op om haar mee op de koffie te vragen. Stedelijke koffiehuisjes leenden zich zo heerlijk uitstekend voor onzinnig langdradige gesprekken over niets en over alles tegelijk. Een plek waar we nostalgisch langs onze neus weg dingen konden oprakelen als 'weet je nog, toen ik van je hield' en daar dan – tussen twee koekjes door – eens hartelijk om konden lachen – of huilen – het bleef al gelijk. Gewoon, even praten, zoals alleen oude bekenden dat kunnen. Gewoon, alles, heel even alles, heel gewoon. "Nu goed, ik moet eens gaan." De zin rolde uit mijn mond, als een mokerslag uit de vuist van een zwaargewicht eersteklas. Zo kwam hij ook aan. Een kort pleidooi over drukte, veel werk en treinen die gehaald moesten worden – je kent dat wel – ratelde er achteraan. De blik in haar ogen veranderde van toon: minder etherisch, scherper, serieuzer ook. Ik wist dat ze me doorhad, maar dat kon me weinig schelen. "Zeker, ik zie je wel weer." bracht ze terug, opnieuw haar hartelijkste glimlach bovenhalend. Ik wist dat ze loog. Zes korte woorden, meer was er niet nodig geweest om van alles op slag terug niets te maken. Terwijl ik al een eerste stap in de richting van het netjes uitgestalde assortiment confituren zette, keek ik haar nog eens strak in de ogen, haakte deze vervolgens los en vulde de vrijgekomen ruimte in met een blik op oneindig. Weg, hier vandaan, was al wat ik bedenken kon. Enkele tellen hield ik het vol, maar kon het uiteindelijk toch niet laten. Nog één keer keek ik achterom. Al wat ik daar zag was het auberginegetinte laarsjesduo, dat onbestemd, maar met de vertrouwde regelmaat van pas, hopelijk voor de laatste keer mijn leven uitwandelde.

Hanna Lucia
0 0

Mensen zonder verhaal: deel 2

Zoals mensen wel eens durven beweren in tijden van hevige rampspoed “ Ik weet nog precies waar ik uithing op het moment dat het eerste vliegtuig één der WTC-tweelingen indook om er, samen met het gruis door de New Yorkse straten, ook een walm van chaos de Westerse samenleving in te katapulteren” – zo herinner ook ik mij het startpunt van dit verhaal. En hoewel het hier niet onmiddellijk een geval van groot verderf of droefenis betreft, sloegen de weerhaken ervan desalniettemin in als een bom. Vorige week vrijdag was het. In een jammerlijke poging tot het afronden van alweer een erbarmelijk hoofdstuk uit de thesis van mijn leven, zocht ik –geheel volgens procrastinatieve planning – zielsrust en mentale verpozing in de buitenwijken van het wereld wijde web. Ruimte genoeg om een tijdje van arbeidsintensief geesteswerk te worden afgeleid. Net wanneer ik de startpagina van facebook voor zo ongeveer de zevende maal in tien minuten mijn bureaublad vullen liet, sprong er een binnengelopen bericht het scherm op. Margot. Of ‘de meisjes’ vanavond zin hadden in een hapje en een drankje ten huize Liefmans - Vangerven? Een gesmoorde grinnik ontsnapt mijn lippen. Het getrouwde leven had zich al goed genesteld. In alle heimelijkheid was het twee weken geleden haar wezen binnengeslopen om zich vervolgens als een virale infectie te verspreiden door de aderen van haar bewustzijn. Klaarblijkelijk had het zich ondertussen ook al weten vast te klitten aan de uiteinden van haar dagelijks leven. Maar als beschaafde en welgeorganiseerde dinertjes achter ordentelijke gevels, waar met trots een dubbele voornaam op de deurbel aan de voordeur prijkt, de toekomst waren, dan kon ik daar maar beter meteen aan wennen. Dat aan onze voordeur nog steeds naam Joe Mehreb de deurbel sierde was bij wijle vast geen toeval. Hoewel mijn strakke Moleskine een al even welomlijnd en druk weekendschema voorschreef, berichtte ik – als een trouwe volgeling – toch enthousiast terug: ‘Klinkt super: Ik zal er zeker zijn.’ Ook de daaropvolgende reacties van de vriendinnen waren unaniem instemmend. Iedereen zou zijn uiterste best doen om er te geraken, all other activities put aside. Al deze goodwill van een bende drukbezette jongedames die normaal geen kans onbenut liet om de naaste omgeving te overtreffen in de omvang van hun sociale activiteiten; het had een teken aan de wand kunnen zijn. Diezelfde avond, 19u47 om precies te zijn en slechts zo’n kleine tweeëndertig minuten over tijd, kondigde een luid geclaxonneer aan dat mijn taxi gearriveerd was. Het weerzien met de high-school vriendinnen was zoals elk weekend weer dol: alsof ik bij het instappen prompt zes jaar terug in de tijd gekatapulteerd werd en op de trappen van de agora – een met vaal bruin tapijt beklede ruimte die voor overdekte speelplaats moest doorgaan – de tijd te slim af moest zijn met roddels en nutteloze weetjes allerhande. De twintig minuten durende autorit werd dan ook gevuld met uitbundig gekwebbel over alle futiliteiten van de afgelopen week. Van vermoeiende stages en ongemeen onbeschofte treinconducteurs - die zich op vrijdagavond steevast van hun schoonste kant laten zien - tot kwijlende patiënten, afmattende maar spijtig genoeg verplichte sportdagen met collega’s, rebellerende leerlingen en achterlijke schoolreisjes; het kwam allemaal aan bod. Over het hoe en waarom van onze avondlijke onderneming werd vooralsnog bedachtzaam gezwegen. Het niet uitgesproken onderwerp hing als een vervaarlijke zeepbel in het midden van de wagen, die vanaf het ogenblik dat er ook maar één vinger naar uitgestoken werd, genadeloos uit elkaar dreigde te spatten. De policy ‘kijken mag aankomen niet’ werd door alle spelers van het spel zonder woorden netjes gerespecteerd. De met blauwe kiezelsteentjes bedekte oprit van Heirbaan nummer 7 was bij aankomst reeds met wagens bezaaid. Nu vrijwel iedereen een rijbewijs in zijn achterzak had steken, leek fietsen prompt geen optie meer. Het zag er naar uit dat we weer eens laatst waren. Vanuit de deuropening kwam een licht spottend ‘Aha, daar zullen we de diva’s hebben’ ons bij wijze van hartelijke begroeting dan ook al tegemoet gestroomd. Na een weerwoord dat clichématig beweerde dat het schoonste volk altijd een beetje op zich laat wachten, schoven we het gezelschap bij. Als een soort van ideale gastvrouw – maar dan wel eentje die lijdt aan hyperkinesia – sloofde Margot zich uit voor haar onoplettend publiek. Bijna lege wijnglazen werden naarstig bijgevuld, koffies werden klaargestoomd, en vanaf het moment dat er een prikkertje zo goed als nog maar in de richting van het laatste blokje salami wees, werd het schoteltje pront van tafel gerukt om vervolgens vervangen te worden door een gloednieuw afgeladen exemplaar. Net toen ik mij bedacht dat ik best chance had, en dat ik het zo nog wel een tijdje hebben kon, werd de ontspannen sfeer plots verstoord door verhit gefluister. In mijn ooghoek zag ik hoe aan de overkant van de tafel een hand naar een mond glipte, enkele koppen in cirkelvormige beweging bij elkaar werden gestoken. Enkel een waas van gedempte geluiden wist de muur van opvangende oren en zorgvuldig geplaatste schouders te ontsnappen. Een nieuwsgierig ‘En weten ze het al? Is het nog geen tijd?, glipte tussen de vingers door, en kaapte de aandacht van het resterende gezelschap weg. Tijd waarvoor? , vroeg ik nog achteloos, met een mond vol kaas. Aangespoord door deplorabel geglunder, opgewonden gegiechel en enkele samenzweerderige knipoogjes links en rechts, blikte onze gastvrouw gelukzalig de kamer rond. Nog enkele seconden werden we in spanning gehouden, maar toen werd het grote woord op tafel gelegd. “Ik ben zwanger”, zei ze, terwijl de fierheid zowat van haar gezicht afdroop. Terwijl de vreugde die zo-even vaan haar lippen gerold was, zich als een lopend vuurtje onder onze groep verspreidde, bleef ik bekrompen zitten: roerloos,en nog steeds met een mond vol kaas. Na wat best enkele minuten kon zijn schoot me te binnen dat een slokje wijn bij wijze van doorspoelen hier misschien geen misplaatst idee zou zijn. Rondom mij had de ruimte zich ondertussen weten te vullen met gejoel, gejuich, geschreeuw: kortom ultieme vrolijkheid troef. Flarden van gelukwensen aan de toekomstige moeder vlogen in paartjes door de kamer. Ze kruisten er stemmen die gingen van ‘Zei ik het niet?’, ‘Ik wist het wel!’ en ‘Zie ik daar al niet een kleine baby-bump?’. Daar, te midden van al die broeiende algehele euforie, bezweek ik. In alle baldadigheid liet ik me volledig meeslepen door de nieuwgeboren babyvreugde. Voor ik het goed en wel doorhad werd er een stel wollige babysokken mijn handen in geduwd, gevolgd door een akelig paar knisperende pluchen beesten en een slabbetje van een zachtheid dat het geen naam heeft. Wat moest ik met die hele peutertuin? Meer dan ondingen uit een mij vaag bekend verleden waren het niet. De geëxalteerde opgetogenheid die ze bij het omringende publiek teweeg schijnen te brengen was mij dan ook volledig vreemd. Lachen en doorgeven die handel. Enkele seconden later werd mij een vale prent onder de neus gedrukt. Maar kijk dan toch, hier zie je het neusje, daar de beentjes, en ja tien vingers en tien tenen, alles er op en er aan. Dat ik uit de 6cm grote fotografische vlek onder mijn ogen maar weinig kon maken, bleek geheel aan mij te liggen. Te midden van al deze drukte keek ik naar haar. Hoe ze daar zat, vol rust en ingehouden blijdschap in haar stoel, met haar handen vol buik en de ogen met trots naar binnen gekeerd. Onwillekeurig sprongen gedachten terug naar het kleine, fijne meisje met rebelse piekjesharen. In een citroengeel jurkje en platte sandaaltjes, in het gras vooroverbuigend, reikend naar het laatste madeliefje in het voltooien van haar kroon. Hoe deze kleinste vlak onder onze neuzen zo snel groot was geworden, was mij een raadsel. Hoe ze zonder dat we het in de smiezen hadden ons allen, één voor één, traag maar gestaag voorbij was gestoken, ons in leven én in welzijn was ontgroeid. En net zoals ze enkele weken geleden de eerste vrouw onder de meisjes was geweest, toen ze onder menig goedkeurend oog aan hare Michiel het jawoord had gegeven, was ze nu de eerste moeder onder de dochters. Hoe groot en fel het contrast, en wat een overgang dat zijn moest. Wat er moest gebeuren in het hoofd van een meisje op het moment dat ze de eerste trap van dat zelfgemaakte voetje tegen de rand van zijn wereld voelt schoppen. En te begrijpen dat die wereld niets meer of minder is dan haar oneindige zelf. Te veel spanning voor een buik. Hoe zij daar zat, zonder angst, met de rust in haar schoot. Het deed me denken. Zou het dan toch waar zijn wat ze zeggen? Kleine meisjes worden snel groot. Een enkeling dan toch. Als ik rondkeek, zo’n één op twaalf, gemiddeld. Zo goed voor zichzelf gezorgd had zij, dat ze klaarblijkelijk zorgen over had voor een nieuwe ander. Instinctmatig voelde ik een soort van trots opwellen. Het borrelde, kwam van ergens onderaan de buik, woelde zich door maag en borstkas, waar het in lichte benauwdheid bleef steken. Ze had het toch verdorie niet slecht gedaan, die Margot. Het moet daar en toen geweest zijn, dat ik met mezelf een deal sloot, een besloten overeenkomst tussen twee ikken die zich voornemen om elkaar niet langer voor de voeten teblijven lopen. Misschien werd het voor mij ook wel eens tijd om het ‘niet slecht’ te gaan doen. Om een beetje minder dochter te zijn, en hoewel het voor moeder duidelijk een beetje vroeg was, dan toch op z’n minst een beetje meer vrouw. Klein beginnen zou geen schande zijn. Misschien kon ik dit weekend vast beginnen met de vaat, de was, de strijk, het verdrijven van het stof. En misschien, heel misschien, kon er dan op maandag wel een nieuw kaartje aan de deurbel af. Zo eentje met een dubbele naam, wie weet. Maar dat zijn puur veronderstellingen natuurlijk.

Hanna Lucia
0 0

Generatie Flux

Op een dag precies als deze zullen zij niet langer in vereende stilte wachten moeten, achter lege ogen dagen slijten onder 't zielloos kruipen van de tijd. Zullen zij niet langer in holle ruggen zitten  tot het dagen van oneindig morgen eindelijk voor het voetlicht treedt .   Zo zullen zij niet langer met gezwollen tongen moeten bijten op onuitgesproken willen - niet van moeten - en niet langer moeten luisteren naar het nooit aflatend fluisteren van de tergend langgerekte echo die verveelde oren plaagt met losse flarden al te vaak gestelde vragen waarop het antwoord met het vallen van de dagen - zienderogen - als moed in schoenen zinkt.   Wanneer de lichte nazon in november, het vurig branden achter- laat, om bij wijlen uit te deinzen in het grijze grijnzen van de maan, Dan pas zal het nu hen nieuwe armen geven om te houden, nieuwe vingers om te strelen. Handen met een nieuw gewrocht geheugen, om met trots de ziel te vinden die zich, half verslonden, vanonder bergen oud verlangen kunstig langzaam, in gedempte sporen opnieuw een weg naar boven wrikt.   Ja, op een dag precies als deze zullen zij weer luide stemmen broeien en zullen zij hun lang gerijpte wereldbeelden - met nijd en ingehouden zinnigheid geperverteerd - schallend en brallend uit hun stijf verplompte voegen laten barsten: verrot en stinkend als de geur van overjaarse levens aan het einde van hun dag.   Zo zullen zij hun jarenlange onderhuids kermen laten daveren over de grondvesten van ons heden, ons verleden ons nu, ons toen, ons dan. Tot ook dit danig sterven zal verzanden in het zacht en zalig krassen op alweer een vers en zuiver wit geruisloos vel papier.

Hanna Lucia
0 0

Opleiding

Basisjaar Literair Schrijven - Creatief schrijven (2013-2014)

Publicaties

Prijzen