Toen ik zes was, dook mijn vader met me
op zijn schouders het ondiepe meertje in.
Ik slikte milliliters en mijn voeten voelden modder.
Aan de oppervlakte hapte ik naar adem.
Later zwom ik met mijn neus en oren boven water.
Als ongekwalificeerde badmeester van mijn zwembad
lig ik plat in mijn badkuip en doorklief
met mijn neus het schuim. Ik bereid me voor.
Hoelang trekt deze penvoerder een lijn in zijn blokheelal,
blijft deze rimpel dobberen in de oceaan?
In mijn levensschijf zie ik lijnen verdwijnen.
Nieuwe turbulenties verschijnen op de radar.
Ik oefen vaak. Ik moet de sprong van kuip naar bad en
zee beslist eens wagen. Mijn pen zal ooit zijn inktwolk
in de massa loslaten. Dan verdunt mijn blauw
en zijn mijn druppels uit het water niet te winnen.