die ochtend in mijn bubbelbad dacht ik
aan Archimedes en aan wat ik vandaag
dan wel vinden zou, iets wat de moeite was
om er mijn bad voor te verlaten
tot ik geruis hoorde door het halfopen raampje
dat langzaam aanzwol tot het geluid
van overvolle straten. niet geheel overtuigd
hield ik voor alle zekerheid mijn badjas aan
toen ik haar zag vanaf mijn balkon: een naakte-
mensenstroom die zonder schroom voorbijtrok
had zich schijnbaar verzameld rond een woord
dat in een schrijn door de stad gedragen werd
nu en dan zonk de oogverblindende glazen kist
dieper in de deinende mensenzee die kreunde
onder het gewicht van het glinsterende woord
evengauw werden vermoeide dragers vervangen
en kwam de kist weer bovendrijven
tot ze halt hielden vlak onder mijn balkon
kan je nagaan, tientallen, neen honderden
naakte lichamen die aan je voordeur staan
en iets haast onhoorbaars stamelen wanneer
het schrijn traag geopend wordt: het woord
dat mij schaamteloos van mijn badjas bevrijdt
en onontkoombaar op mijn lippen brandt