Zij waken samen, broer en zus,
de trots van haar en ook van mij,
het levensdoel van deze magere hen,
die hen heeft neergelegd en uitgebroed,
de haan verstoten, haar vleugels uitgespreid.
Haar kuikens vlogen uit, niet weg.
Zij zitten nu naast bed, terecht.
De haan rouwt in de verte,
tot de dood ons scheidt.