Breng me terug naar waar ik kind mocht zijn,
waar jij nog rookte, kookte en de dagen
zich langzaam vulden met het samenzijn,
en niemand dacht aan afscheid, aan het dragen
van wat er later overblijven zou.
Ik sluit mijn ogen, maar het beeld vervaagt,
elk jaar verdwijnt er iets van wie je was.
Ik zoek je hier en daar, in de wirwar
van herinneringen, maar vind alleen
wat mijn eigen hoofd verzint.
En toch.
Ik kijk in de spiegel en daar ben jij,
in de zetel, met één broekspijp omhoog.
Dat vreemde, achteloze van je been,
dat ik als kind kende, maar niet begreep,
tot op een dag mijn eigen hand het deed,
alsof mijn lichaam jou iets schuldig bleef.
Op een zomerdag hield jij op met leven.
We brachten je ter aarde, met muziek.
Ik had je nog zo veel willen zeggen,
maar jij verdween. En verder was er niets.
Sindsdien verstrijken seizoenen na elkaar.
Ik tel ze nog. Zevenentwintig jaar.
Ik was zo kwaad dat jij besloot te gaan.
Je vroeg me niet of ik je missen kon.
Mijn vragen, allemaal onbeantwoord,
terwijl de rest een nieuwe dag begon.
Er groeit een boom op jouw graf, maar ik zoek
jou daar niet, niet onder steen of takken.
Ik vind je in mijn handen, in mijn kaken,
in hoe ik zit, in wat ik zonder woorden
van jou heb overgenomen, ongevraagd,
alsof mijn lichaam jou nog verder draagt.
En toch vraag ik, al antwoordt niemand mij:
word ik nu langzaam jou, van jaar tot jaar?
Draag ik jouw dood al ongemerkt in mij,
zoals jouw oude gebaren, hier en daar?
En als de zomer komt, de laatste keer,
zit ik dan in de zetel, net als jij,
met één broekspijp omhooggetrokken,
en adem ik niet meer?
