Het is zondag. Hij vult het bad met schuim dat geen schuim is in de fles. Goodbye stress. Ik leg de handdoeken klaar. De washandjes hebben in de tussentijd een geprek. Het roze zegt: op deze warme ochtend laat ik de gordijnen open. Het blauwe zegt: ze zullen ons zien liggen in het water, ben je gek? Het roze: kan niet, we liggen onder het schuim dat opgeklopt wordt door hard te slaan in het badwater. Blauw glimlacht, en hij slaat.
Het is een rustdag. Wij willen die (verschraalde) waarde bewaken. Hij wast mij, dan was ik hem. Op mijn rug groeit geld dat we telkens tellen in het bad, na het weken komt het los. We leggen de coupures op de badrand om te drogen. Het roze handje: hoeveel kreeg je los? Blauw zwijgt. Roze draait zich om, schrikt van het achterhoofd waar ze naar kijkt, het is het zijne! Stop daarmee, zegt ze streng. Dit is echt niet grappig.
Het badwater koelt af tot het ijskoud en beide washandjes bejaard.
