Ze trok het bos in om terug te vinden wat ze onderweg was verloren. Haar zinnen die ze inslikte, haar verlangen dat telkens opnieuw door redelijkheid aan banden werd gelegd, haar ritme dat ouder was dan taal. Ze luisterde en ademde de vochtige herfstlucht in. Hier vroeg niemand wie ze was. De strakgespannen spieren in haar schouders lieten eindelijk los. Haar handen gleden langs de boomstammen. Sommige waren glad, andere hadden diepe groeven waarin ze haar vingers liet verdwijnen.
Tussen de varens zag ze hem liggen: een statige, geknakte boomstam. Ze observeerde hem met een blik die ze reserveerde voor de enkele mannen die haar begeerte wisten aan te raken. In haar gedachten schetste ze hem: de schors die op enkele plekken opengebarsten was, de lichte kromming in zijn rug, de manier waarop hij daar lag alsof hij haar al verwachtte. Ze ging naast hem zitten en legde haar hand tegen de schors. Ze volgde een diepe groef en dacht aan de rug van een man, aan de plek tussen de schouderbladen wanneer hij zich vooroverboog, net voor hij binnendrong.
Ze trok haar schoenen uit en klom op de stam. Ze zakte voorzichtig voorover tot haar buik tegen het hout rustte en haar wang de ruwe schors raakte. Ze duwde zich harder tegen hem aan. Onder haar ontwaakte iets. Ze beeldde zich in dat hij daar lag, zijn adem in haar hals. Ze werd zich bewust van haar volle borsten tegen het hout, van haar dijen, de spanning in haar onderrug. Een korte zucht ontsnapte. Ze verlangde naar zijn stevigheid, naar het gevoel dat ze zich tegen hem kon afzetten zonder hem te breken. Ze drukte een kus op het hout en liet haar lippen even rusten. Ze dacht aan een hals waarin ze haar gezicht kon verbergen, een borstkas die onder haar hand op en neer ging.
Tussen de boomtoppen bewoog het licht. Ze hoorde het zachte kraken van de takken. Ze nestelde zich dieper in het geleende lichaam dat eerst vreemd, maar dan weer vertrouwd aanvoelde. Haar gedachten cirkelden steeds weer terug naar hem. De man die haar had laten ontwaken en een vuur in haar had aangewakkerd dat ze nooit alleen had kunnen vinden. Na een lange winterslaap werd haar huid weer warm. Ze richtte zich op en duwde haar bekken tegen hem aan. Ze wiegde mee met de boomtoppen. Haar adem verdiepte, haar spieren verloren hun waakzaamheid. Haar vingers spreidden zich over de bast en zo greep ze hem stevig vast. Ze sloot haar ogen en stelde zich voor hoe hij haar bezat.
De zon stond bijna tegen de horizon. Het gefilterde licht van een late herfstnamiddag gleed over haar rug. Loom tilde ze haar hoofd op en keek naar de smalle strook hemel. Ze was kwetsbaar, maar niet weerloos. Nog even bleef ze liggen, haar spinnende lichaam uitgestrekt over het hout. Ze tikte met haar vingertoppen tegen de bast, in een ritme dat ze niet kende. Een trage, oeroude cadans, die ergens diep onder haar huid niet meer kon stoppen.