Jolien Van de Velde

Gebruikersnaam Jolien Van de Velde

Teksten

Boomterreur

Ze staan zo stevig met hun voeten in de grond, de bomen die ik op mijn ochtendwandeling tegenkom. Sommige stammen hebben vijf mensen met hun tien armen nodig om hen volledig te omvatten. Verstilde reuzen zijn het waar ik steeds vol verwondering naar opkijk. Majestueus registreren ze onze herinneringen: ze noteren het meisje dat struikelt, ze kijken met blozende blik naar prille verliefden die onder hun koele bladerdek de eerste kus wisselen, ze luisteren naar miljoenen gesprekken. En zo zijn ze. Gewoon. In stilte. Er zijn mensen die bomen moedwillig verminken. Hun huid wordt opengereten, er wordt in hun aderen gesneden. Ze bloeden zonder bloed. Zo wonderlijk zijn de bomen. Ze dragen hun lijden met gratie, zonder enig stemgeluid. In welke vreemdsoortige roes moet een mens al niet komen om zo’n sadistische daad te beramen? Iemand die moedwillig een langzame, pijnlijk doodsstrijd toekent aan iets wat gewoon is. Wat ons zuurstof geeft. Het lijkt een vergezochte zelfmoord. Ik zou ook wel best een boom willen zijn. Zij kunnen gewoon zijn, weet je. Drukte is niks voor hen, net als status. Ze doorstaan stormen en hittegolven waaronder de meesten zelden bezwijken.  Elk jaar bloeit hun harde lijf opnieuw. Dan worden ze liefelijk en zacht, met bloesems en een fraai bladerdek. En dat terwijl wij slechts één keer lente, zomer, herfst en winter beleven. Het menselijk lijf bevat slechts één ring waarbinnen het speelveld van het leven zit. Niet iedereen haalt de winter, sommigen komen niet voorbij de lente.  In de voorbije weken begroette ik ze met veel plezier. Ik vloekte zelfs wanneer er op één van mijn fietstochten een lange strook zonder bomen aanbrak. Geen verkoeling, geen zachte schaduw waarin ik even kon bekomen van de zware warme zon. Misschien begrijp ik het ergens. Ik ben jaloers op bomen. Hoe ze in alle stilte en rust de dag door komen. Hoe ze in alles wat ze zijn het leven voeden met schaduw, met zuurstof. Bij sommige mensen kan de jaloezie zo erg worden dat het omslaat in blinde haat. Misschien gebeurde het hier op die manier?  Deze ochtend liep ik wat dichter bij de bomen. Ik legde mijn hand op de schors die aanvoelde als bezorgde rimpelhuid. Het bladerdek maakte zich al klaar voor de zon die alweer een hele dag zou beuken op het groen. De aarde waarin de wortels wroeten wordt stilaan stof. Een nieuwe crisis lonkt al om de hoek. Voor velen zijn het ‘maar’ bomen. Uiteindelijk zijn we toch ook ‘maar’ mensen?

Jolien Van de Velde
42 1

Littekens - Brief aan Prof. Dr. Van Gucht

Gepubliceerd in De Standaard, 'Brief van de dag', zaterdag 2 mei 2020  Geachte heer Prof. Dr. Van Gucht,Beste Steven, Twee aanspreektitels. Dat leest u goed. De eerste in uw hoedanigheid als wetenschapper. De tweede omdat je elke dag steevast langskomt. Je bent ondertussen een goede vriend die eerlijk durft zeggen hoe het er voor staat. Ik geef het toe, tijdens dat moment kan ik mijn ogen er niet van af houden. Tijdens het luisteren dwaal ik af naar die plek waar je huid barst en het litteken begint. Ik hoop dat je me het vergeeft. Ik ben trouwens niet de enige want zo zag ik dat jouw ‘naamgebaar’ in gebarentaal open en bloot verwijst naar je kenmerk.  Stiekem zou ik het willen vragen: ‘Vind je het erg dat men je hiermee aanduidt? Dat je persoon samenvalt met een kwetsuur?’ Iedereen draagt littekens mee. Sommige liggen zeer duidelijk aan de oppervlakte. Andere zitten minder zichtbaar net op of onder de huid. Voor mij zijn het vooral plekken waar de kwetsbaarheid een uitgang zoekt en hunkert om getoond en begrepen te worden. Laat het net bloeiende kwetsbaarheid zijn die ik nu om me heen zie. Er wordt een gemeenschappelijke wonde geslagen. Ooit komt een tijd dat we deze zullen likken. Als mens, als samenleving. Een nieuwe huid kondigt zich aan. Zal ze anders aanvoelen? Ik hoop eigenlijk van wel: Oneffen, maar zachter. Zelfs milder. In de zevende week van deze milde lockdown blijf ik nog steeds in het veilige nest dat mijn kleine appartement is. Ik voel me vaak ‘de prinses in de torenkamer’, wachtend op bevrijding. Prinses, want in deze tijden geniet ik van het privilege om nog steeds te kunnen werken, dansen en schrijven. Het is een adempauze. Consumeren wordt creëren. Boeken en muziek nemen me mee op reis. Ik heb de wereld nog steeds aan mijn vingertoppen. Maar toch… Langzaam sijpelt de eenzaamheid binnen. Het is een bot mes dat zacht over mijn huid snijdt, zo tergend traag maar vastberaden om z’n sporen na te laten. En zo vormt zich mijn gloednieuw litteken. Afgelopen vrijdag sneed het mes wat dieper. Nog langer alleen met als enige uitzicht consumptie als surrogaat voor een zwaar gemis. Op zeer subtiele wijze toont dit dat het ego-virus nog steeds gretig overleeft. In de afgelopen jaren zag ik hoe dit virus het weefsel om ons heen aantast. Hoe we langzaam uit elkaar aan het vallen zijn. Nu pas zien we duidelijk de zwakke plekken van een samenleving waarvan het immuniteitssysteem jarenlang onder vuur ligt. Alle ingrepen tevergeefs, het ego blijft aan de winnende hand. Toch is er hoop. Er ontwikkelt zich solidariteit. We doen boodschappen voor elkaar. We bellen met familie en vrienden. We doen moeite om elkaars situatie te begrijpen. We bieden troost aan. Het blijft echter een fragiele remedie tegen het ego, die zomaar weggevaagd kan worden als we terug naar normaal gaan. Misschien zitten we daar ook nog maar aan die drie à vier procent immuniteit. En vooral, is deze blijvend? Weinigen zullen ongeschonden uit deze periode komen. Elk van ons moet leren om zich te veréénzelvigen met de nieuwe huid die deze tijden overspant. Zou het kunnen dat enkel u de dagelijkse taak kunt dragen? Omdat u weet wat het is, omgaan met een litteken? Ik blijf wel nieuwsgierig. Was het bij jou een uit de hand gelopen ravotpartij als kind? Een stomme val met de fiets in één of andere studentenstad? Ik kom het waarschijnlijk nooit te weten. Om eerlijk te zijn heb ik nooit gehouden van een te gladde huid. Dat lijkt me ontzettend saai. Hou je goed. Nieuwsgierige groeten,   Jolien    

Jolien Van de Velde
1626 3
Tip

Wie beweerde dat eenzaamheid bestaat?

Ze staart naar zichzelf in het smalle raampje van de treindeur. De troosteloze buitenwijk van de stad glijdt aan haar voorbij. Haar blik zoekt een andere horizon. Ze is het moe om steeds zichzelf te zien. Nu merkt ze de vrouwen op, net als haar gevangen achter glas, in neonlicht en bijna naakt. Ze vraagt zich af of ook zij soms naar zichzelf staren, en hoe zij hun eigen blik kunnen verdragen. Mocht het kunnen, dan zou zij hen dekentjes bezorgen en het leed sussen met warmte. Het station doemt op en neemt het uitzicht weg. Van zodra de deuren van de trein openen, loopt ze het perron op, naar de trap. De traphal is smal, je kan er met moeite met twee naast elkaar lopen. Overal zijn mensen. Ze geeft zich over aan iedereen om zich heen. Straks zal ze zoals immer alleen over haar stad waken. Dus nu is het moment. Nu moet ze voelen. Onder het aankondigingsbord in de stationshal dat steeds meer rode cijfers toont, zoekt ze strategisch haar plaats. Er ontstaat een kleine groep van wachtenden: zij die verlangen naar huis, en zij die niet goed weten waar ze heen moeten. Bij mensen uit deze laatste groep gaat ze dichtbij staan. Ongemerkt kan je hen benaderen, dat heeft ze ondertussen al geleerd. Voor hen ligt elke weg open en maakt het niet veel uit wie dicht in de buurt blijft, of wie hen verlaat. De geur van gebrande suiker drijft nu om haar heen en doet haar honger krijgen. Ze kijkt voorbij de geur en ziet hoe een man net voor haar komt staan, met in zijn hand een warme Luikse wafel. Ze zou zich naar voren kunnen buigen en zacht in de warme wafel bijten. Maar dat doet ze niet. Ze observeert de man, en voelt medelijden. ‘Jij zou ook liever nog elke zondag op bezoek willen gaan bij grootmoeder. Ik weet dat je haar mist’, dat zou ze willen zeggen. Ze wil dieper voelen en zich overgeven aan de man. Ze snuift opnieuw de geur op die ver tot in haar longen trekt, en duwt daarmee de weemoed weg die zich in haar borst opstapelt. En dan vervolgt de man zijn weg. ‘Nee, doe het niet’, fluistert ze onhoorbaar. Er zijn maar weinig mensen die weten waar ze naartoe moeten. Er zijn weinig mensen die hun thuis al vonden. Die man gaat niet naar huis. Hij gelooft van wel, maar zij weet beter. Ze begon ermee toen ze een jaar alleen was. De warmte in haar lijf begon steeds sneller te verdwijnen. In deze groepjes mensen kon ze het opnieuw voelen. Het was de enige manier waarop ze kon gloeien. Dus sloot ze zich aan bij elke kleine bijeenkomst in stations of op straat om iemand anders te horen ademen, om stemvibraties te onderscheiden, om alle oogkleuren te leren lezen. Ze werd iedereen en ze kon niet begrijpen dat niemand anders dit voelde. Hoe mensen elkaar kunnen zijn. Hoe warmte glijdt en zoekt naar meer. En nog. En nog meer. De dagen na de man met de suikerwafel veranderen in snel tempo. Één voor één vallen mensen weg. Elke dag bereiken minder mensen het station. De groepjes worden kleiner en plots vallen ze uit elkaar. Er sluipt een onzichtbare vijand doorheen de straten. Zij heeft hem echter in het vizier. Elke dag ontneemt hij haar meer en meer warmte. Elke dag duwt hij haar schouders een tikje dieper. Elke dag zet hij de tijd stil. Eerst was het haar nog niet opgevallen, de stilstaande tijd. Het geluid van de seconden die verstreken was nog steeds hoorbaar. Ze merkte het pas op toen ze zag dat de klok op half acht stond terwijl het bijna middag was. Dat vertelde de honger haar. En sindsdien bleef de klok dit doen. Elke ochtend, om half acht staat de wereld stil en moet zij steeds weer de nobele taak op zich nemen om de tijd op gang te duwen. De fragiele zilveren wijzers hangen stil naar beneden. Met haar wijsvinger duwt ze hen op de juiste plaats. Ze houdt telkens opnieuw haar adem in en laat de lucht weer los wanneer de wijzers zich op gang trekken. Het lukt haar tot nu toe steeds weer en heel even voelt zij zich de behoeder van de hele mensheid. Het is haar een raadsel waarom net op dat uur de tijd even geen zin meer heeft. Ze vraagt zich af of het op dat uur gebeurt. Dat mensen sterven. Dat mensen verdwijnen. Gegrepen door de onzichtbare vijand. Hij houdt zijn greep op de wereld. Ze ziet hem grijnzen, terwijl iedereen hem met man en macht bestrijdt. Toch moet ze naar buiten, elke dag, naar het park dat haar zachtjes wenkt en met de vijand in haar kielzog. Tijdens haar wandeling merkt ze hoe mensen bochten maken, opzij schuifelen, grote passen nemen, lichtjes opzij springen. De groepjes zijn verdwenen, maar in de plaats ziet zij iedereen plots dansen. De spontane choreografieën betoveren haar. Iedereen om haar heen golft, voortgestuwd door een frisse lentebries. Er vormt zich een zachte gloed, gevolgd door de warmte waar ze zo vaak naar zoekt. Getroffen blijft ze staan. Eindelijk, na die dagen waarop de tijd haar in de steek liet. Daar. Hoe verder iedereen van haar weg danst, hoe warmer zij het krijgt. Ze ziet het in angstige, maar begrijpende blikken. Wij kunnen elkaar zijn! Mensen kunnen elkaar zijn! De kleine stem juicht. We zijn elkaar, we worden elkaar. Eindelijk. Eindelijk is er hoop dat iemand haar na al die jaren voelen kan. De warmte barst uit haar voegen. 

Jolien Van de Velde
238 5

Vrijheidsbeeld

De stad gloeit. Een broeierige hitte ademt door hoeken en kieren. De straten en parken smeken om natte verlossing, maar de wolken negeren deze klaagzang met groot succes. Doorheen die straten wandelt zij. Haar gele zomerjurk golft rond haar heupen, samen met een onbezorgd glimlachje om haar lippen. Ze is onderweg naar hem, waarover ze al zoveel weet. Bijvoorbeeld dat hij ervan houdt als ze geheel toevallig haar bh vergeet aan te trekken. Bij de eerste aanraking van haar losse borsten kan hij zichzelf onmogelijk bedwingen. Deze avond is een experiment. Ze stapt de bus op. Haar jurk valt tegen haar blote billen. Zouden ze het voelen, die mannen in haar buurt, dat wat ze tussen haar benen verbergt op dit eigenste moment zomaar open en bloot voor het grijpen ligt? Zouden ze zoiets kunnen ruiken? Haar blik moet iets verraden. Ze slaat haar ogen opzij. Geen rare blikken of natglanzende ogen in haar buurt. Haar hartslag piekt. Als er nu één zuchtje wind zo meteen ondeugend genoeg is, kan ze dan instaan voor de gevolgen? De bus stopt en net voor ze opnieuw de stad inwandelt, trekt ze nonchalant haar jurk goed. De deur van de inkomhal kraakt. Ze loopt naar de intercom. Ze belt aan.‘Hallo?’. Gekraak.‘Ik ben het’. Gezoem. Ze stapt de lift in. In de spiegel kijkt ze zichzelf nog eens in de ogen, met een overtuigende goedkeuring voor haar experiment. Vierde verdieping. Deur op een kier. Ze stapt binnen en duwt zacht de deur van de woonkamer open. Daar vindt ze hem, terwijl hij net twee kopjes dampende thee klaarzet op het salontafeltje.‘Ik had alvast thee gezet, hopelijk goed voor jou?’ vraag hij.Ze knikt. Zelfs op de heetste dag van het jaar wil ze het ritueel niet opgeven.Hij loopt ongegeneerd rond in zijn slip waarin zich al een volle vorm aftekent. Hij verwelkomt haar met een kus vol op de mond. Hij streelt haar hals en dwaalt af naar de schouders. Ze merkt zijn ontgoocheling als hij het bh-bandje ontdekt. ‘Maar wel een mooie kleur’, fluistert hij. Hun ritueel voltrekt zich zoals het hoort. Op de sofa praten ze over de afgelopen week, onderbroken door een langgerekte kus. Ze nestelt zich dichter en streelt zijn buik. Haar vingers spelen met de rand van zijn slip. Ook hij laat ondertussen zacht zijn hand onder haar jurk glijden, via haar dij omhoog. Zijn vingers reiken uit. Hij stopt en kijkt verrast in haar ogen.‘Ben jij zo naar hier gekomen?’ vraagt hij met een stem vol ongeloof. ‘Je durft jezelf alvast veel vrijheid toe-eigenen.’ ‘Exact, mijn vrijheid’. Ze duwt wat harder op het woord ‘mijn’. ‘En jij durft anders ook wel. Alsof je zomaar in die vrijheid mag graaien’. Op haar woorden trekt hij zijn hand terug.‘Ik ben je vriend.’ ‘Dat ben je inderdaad.’‘Dus’, zegt hij. Er valt een knetterende stilte. ‘Kies je vrijheid of…?’ Zijn hand verdwijnt opnieuw onder de jurk. Ze siddert even wanneer zijn vingers doorheen haar zachte dons glijden. Hij cirkelt langzaam en met net genoeg druk over het plekje schaamhaar dat ze steevast laat staan. Haar laatste fysieke grens. ‘Vrijheid om te verkennen?’ fluistert ze. Bij deze woorden glijdt zijn vinger naar binnen. Beiden worden ze gestaag plakkerig van de warmte en geilheid.  Ze verstrengelen. Haar handen omklemmen zijn zachte billen, af en toe plant ze haar nagels in zijn vlees. Ze slaakt een zachte zucht. Hij fluistert: ‘Dit is wel je eigen schuld’. ‘Dan neem ik graag de schuld op mij.’ Met haar antwoord verstrengelen ze dieper. Naakt liggen ze te soezen op de sofa, haar lijf om het zijne gekruld. Na een tijdje dringt het echte leven opnieuw binnen. De roes versplintert en ze gaat langzaam rechtop zitten. Ze neemt de kop koude thee in haar handen, en drinkt terwijl ze uit het raam kijkt. Ergens in de verte hoort ze donder.‘Tijd om naar huis te gaan’, beslist ze. Ze staat op uit de sofa en vist haar slipje uit de handtas.Hij barst in lachen uit. ‘Meen je dat, waarom nam je dat in godsnaam mee? Wat moet ik nog geloven van je vrijheidsstrijd?’Er valt een blos op haar wangen: ‘Na het vrijen voel ik me altijd gelouterd. Dan wil ik alles verbergen. Dit jou en mij.’Na een laatste kus stapt ze de lift in. De wind staat strak door de straten. Het onweer hangt nu bijna boven haar. De rok van haar jurk bolt op.

Jolien Van de Velde
77 0

Ode aan de jarretelle

Station Brussel-Centraal. Het is een weerkerend nulpunt in mijn persoonlijke geschiedenis. Hier verloor ik immers vaak de strijd tegen koppige nylonkousen. Meestal voelde ik het al bij het uitstappen van de trein. De panty krulde over mijn zachte onderbuik tot aan de waterlijn van ultieme schaamte. Dan voerde ik een raar manoeuvre uit: mijn hand schoot razendsnel naar een jaszak en graaide naar de rand van de panty die net niet de benen nam. Zo strompelde ik naar het kantoor, rand in de hand, en vluchtte ik als de bliksem naar het toilet waar ik het onding tot onder mijn oksels trok. Soms haalde ik het kantoor niet, en leverde dat weerbarstig stukje stof me ook een staalkaart op van de verborgen hoekjes die Brussel-Centraal kent. Ik besloot dat ik er genoeg van had op de dag dat de rand me ontsnapte, en ik met de panty’s tot op de knieën in zo’n vergeten hoekje vluchtte. Natuurlijk gebeurde zoiets midden in de volle ochtendspits. Vive le porte-jarretelle!   Ik wil hier graag Emmanuel Kant bedanken. Deze verlichte geest hield ervan te flaneren door de straten van Köningsberg maar vond het best sneu dat z’n kostbare zijden kousen naar de verdoemenis gingen. Dus daar was ‘ie dan: de jarretellengordel! Het was in die tijd een antwoord op de kousenband, een band in stof met een gesp. Niet meteen handig want het zijde kousje slipte er al eens onderdoor. Te straks aangespannen had deze de slechte gewoonte om de bloedsomloop af te snijden waardoor dames, en zeker ook nobele heren, spontaan door de knieën gingen.   Maar terug naar het eureka-moment in de ochtendspits. Daar begon de zoektocht naar het gepaste exemplaar. Want de éne gordel is de andere niet. Soms moest ik het stellen met vier armtierige haakjes waarbij het heus wat friemelen vroeg om de kous er vast in te krijgen. Om nog maar te zwijgen van de terugslag tegen mijn zachte huid wanneer de kous los glipte. Tsjak. Een mens kan blauwe plekken krijgen op de meest vreemde plekken. Ik koos dus voor de stevigere versie, met acht haakjes. Zeg maar gerust de bomma-versie der jarretellengordels. Maar god, wat heerlijk. Geen geschuifel meer door het station. Geen pantystress. En het voelde best wel sensueel aan. Ik voelde hoe mijn lijf zich een andere houding gaf. Rug recht, een lichtere tred, heldere ogen.   Ooit was de jarretellengordel het symbool der vrouwelijke bevrijding! Ik hoor het de flappergirls uit die andere jaren ’20 nog zingen: ‘Shimmy and shake until your garters break’. Ik vraag het me trouwens vaak af of het kan. Zo hard dansen dat de jarretelles gewoon in flarden scheuren. Ik besefte ook dat ik me met dat kleine miskende kledingstuk zomaar even kon meten aan Marlène Dietrich als ‘L’Ange bleu’, of Sophia Loren. Maar de prachtigste jarretelles zitten rond de benen van diva Liza Minnelli. Oh, wat benijd ik haar voor de rol in ‘Cabaret’. Alle vrouwelijke sensualiteit samengebald in één nummer: Mein Herr. Wie zou nu niet met plezier een afwijzing aanvaarden als deze zo heerlijk scherpzinnig verpakt zit?   Misschien wordt het tijd voor een nieuwe bevrijding. Weg met de status van heimelijke lustopwekker in de besloten slaapkamer! Want wat smacht ik naar wat meer frivoliteit in dit grijze bestaan. Glitter verpakt onder kantoorrokken. De bandjes die in de huid snijden, de zachte rondingen benadrukken. Heel persoonlijk. Iets waar niemand zaken mee heeft, behalve je eigen lijf. Weg met de zweem van feministisch wantrouwen tegenover dit stukje stof. Maak er een statement van. Een duidelijk teken dat er met deze vrouw niet te sollen valt. Niet van haar stuk te brengen door wat jij nu wel of niet denkt van haar lijf. Comfortabele zelfzekerheid, in een ragfijn harnasje. Enkel te ontbloten aan wie zij wil.   De tijden veranderen. Met de jaren slopen er meer broeken naar mijn kleerkast. Ik liet rokken en jurkjes links liggen. Maar ik ben dat kleinood nooit uit het oog verloren. Ik koop er nog steeds. Voor de simpele schoonheid van het stuk. Voor de nostalgie. Omdat je er nooit gewoon genoeg van krijgt.

Jolien Van de Velde
42 0

Het Spoorloze Perron

Angleur straalt in de lentezon. Het is een mooie rustige dag, maar toch voelt ze zich opgejaagd. Ergens zitten er stormen onder haar huid die op elk moment kunnen losbarsten. Ze loopt het kleine stationnetje in, haar trein kan op elk ogenblik aankomen op perron vier. Daar is perron één, twee, vier, vijf en zes. Wacht even, waar is perron 3? Ze stapt terug, draait zich om, wrijft nog even in haar ogen, maar nee, geen perron 3 te bespeuren.   Ze wankelt enkele seconden. Bizar. Hoe kan je nu in godsnaam een perron vergeten? Misschien had de man met de bordjes die dag net geen ‘3’ mee. Ofwel had hij zo’n hartsgrondige hekel aan dat nummer dat hij gewoon weigerde om het te gebruiken. Ze dacht aan de andere stations die waarschijnlijk ook perron 3 moeten missen, en de pendelaars die in de war waren door dit ongewone voorval.   Ze loopt dan maar de trappen op die leiden naar perron twee en vier. Ze heeft geen andere keuze. De zon straalt zo uitbundig dat ze erdoor verblind wordt eenmaal ze boven komt. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes. Door haar gemijmer over perron drie, ziet ze net voor haar neus de trein vertrekken die haar naar Luik had moeten brengen. Maar ze had eigenlijk niks anders verwacht. Zij had zelden geluk, het soort geluk dat schuilde in een klein, triest hoekje. Zo’n hoekje van de kamer waar het behang in repen los hangt, een hoekje waar de kat graag geniepig een plasje doet. Niet bepaald het hoekje waar het geluk verscholen zit en uitbundig roept: ‘hier ben ik!’.   De volgende trein is pas binnen een half uur. Ze tuurt op het schermpje van haar smartphone. Er zit niks anders op dan wachten. Ze loopt het perron op en af, tot wanneer ze een trapje opmerkt, twee treden die naar een pad leiden dat zich tussen de wirwar van sporen uitstrekt. Het prikkelt haar nieuwsgierigheid. Ze stapt de treden af en wandelt de sporen op. Ze heeft geen schrik om zich een weg te banen tussen de sporen. Ze houdt van stations, treinen zijn haar rode draad. Het verbindt alles: plaatsen waar ze haar hart verloor, waar ze haar minnaar volgde, waar ze geborgenheid vond in de omhelzing na een goed gesprek en een stuntelig afscheid.   Het pad kronkelt verder, steeds meer raakt ze verwijderd van het station. Stilaan vergeet ze dat ze nog een rit van twee uur voor zich uit liggen heeft. Ze verliest de tijd en zichzelf uit het oog. Het pad houdt op aan enkele struiken. Alweer een dood spoor, denkt ze. De struiken hebben alvast geen doornen, dan kan ze er maar evengoed doorheen sluipen.   Ze schudt de blaadjes van haar kleren, en plukt er enkele uit haar haren. En daar, helemaal los van de wereld, ligt een eiland van beton te midden van onkruid, struiken en sporadisch zwerfvuil. Op dat eiland staan vier ijzeren stoeltjes, zoals je wel meer ziet in stations. En daar, op het tweede stoeltje van links, zit een oude man.   Ze slikt, schraapt haar keel en stapt op de man af. Zijn blauwgrijze ogen liggen al diep in zijn verweerde gezicht. Hij steekt zijn hand uit en maakt een uitnodigend gebaar. Ze loopt om hem af, glimlacht en neemt plaats naast de man. Ze staren beiden een tijdje voor zich uit, elk in zijn of haar gedachten verzonken. En dan schraapt de man z’n keel.   ‘Meisje toch, je hebt er geen gedacht van hoe lang ik al wacht’, zucht hij. ‘Wachten? Op wie of wat wacht je dan?’, vraagt ze. De man staart opnieuw enkele minuten voor zich uit. Ze ziet hoe hij aanzet om te praten, hoe hij de woorden al vormt in zijn mond, en dan valt hij opnieuw stil. ‘Wat staat er jou te wachten straks?’, vraagt hij uiteindelijk. Ze is even uit haar lood geslagen door de vraag. ‘Wel, ik wacht op 23u23. Elke dag wil ik die cijfers zien verschijnen. Er zit een soort perfectie in dat getal. Misschien dat ik daarom op zoek ging naar perron 3.’ Symmetrie in getallen heeft haar altijd al gefascineerd.   Er valt opnieuw een stilte. En dan uit het niets begint de man opnieuw te praten. ‘Ik wacht zonder hoop, ik tel de uren hier op mijn eiland van beton’. De man staat langzaam recht en kijkt haar aan. ‘Ik hoop dat je niet wordt zoals ik. Ik zie de bitterheid al opkomen in je ogen. Je strakke kaaklijnen verraden je onrust. Ik heb mijn leven vergooid en nu zit ik op een eiland van beton mijn dagen te tellen. Laat die fijne lijntjes in je gezicht niet tot groeven groeien, zoals de mijne.’   Haar ogen beginnen heftig te glanzen. Ze denkt terug aan de keukentafel van vorige avond. De fruitschaal herbergt nog maar twee schriele appeltjes. Hij zit aan overkant, niet goed wetende wat hij exact doet. Hij haalt steeds weer zijn vinger over het scherm van de iPad, steeds weer opnieuw laat hij dezelfde foto’s paraderen. Nee, hij zal niet naar haar opkijken. Hij blijft naar zijn iPadscherm staren, terwijl hij de laatste resten van de lasagne opeet. Hij neemt het lichtblauwe glas en spoelt de laatste hap saus door. En dan opnieuw, dan opnieuw laat hij zijn vingers over het scherm glijden en is hij weer opgeslokt in een wereld die enkel bestaat uit blauw licht. Zij laat het glas wijn tussen haar vingers liggen, en neemt een slok. Ze denkt aan alles wat ze wou vertellen, maar als hij opkijkt van het scherm dan zegt ze: ‘met mij is er niks schat, wat zou ik dan moeten zeggen?’.   ‘Ik moet maar eens gaan’, en ze staat snel recht. Ze kijkt nog snel even naar de man, die ondertussen al opnieuw voor zich uit aan het staren is, weg in zijn eigen wereld. Ze stapt door, en blijft met haar jas in de takken van de struiken hangen. ‘Godverdomme’, vloekt ze, en ze breekt de tak met al haar macht.   Terug op perron vier aangekomen, gooit ze haar rugzak voor de stoeltjes. Ze probeert de tranen van haar gezicht te vegen. De frisse lentegeur brengt haar tot rust. Ze laat de zon op haar gezicht rusten. Nog een kwartiertje wachten.   En dan voelt ze in haar jaszak haar smartphone trillen. Ze kijkt op het schermpje. ‘Schat, kan jij naar de winkel? Ik heb zin in wortelstoemp en worst. Kan jij daarvoor zorgen? X’ Daar staat ze dan, met haar smartphone. Ze huivert en zet het toestel uit. Ze loopt het perron af, en gaat opnieuw op zoek naar het eiland van beton. De oude man zit er nog steeds.   ‘Is het goed voor jou als ik hier nog even blijf’, vraagt ze me trillende stem. ‘Blijf zolang je nodig hebt. We zullen samen wachten. En als we durven, dan zullen we samen hopen dat het leven op één of andere manier haar grijsheid verliest’. Ze zet haar rugzak op de grond, gaat naast de man zitten en staart. Samen zijn ze spoorloos verdwenen.

Jolien Van de Velde
0 0

Opleiding

Bachelor Journalistiek - 'geschreven pers' (2002-2005)

Opleiding 'Schrijver' - Docent: Sylvie Marie - Academie De Kunstbrug - Gent (2019 - ...)

Publicaties

'Littekens - Brief aan Prof. Dr. Van Gucht' - De Standaard - 'Brief van de dag' - 2 mei 2020

'Wie beweerde dat eenzaamheid bestaat?' - Azertyfactor 'Tip van de week' - 22 april 2020

'Ode aan de jarretelle' - Brusselblogt.be - 14 februari 2020

Kortverhaal in "En toen werd ik wakker : dromen van Gent" - Peter Verhelst (publicatie n.a.v. het project Dromenvanger van Peter Verhelst als stadsdichter van de Stad Gent 2010-2011)