Jolien Van de Velde

Gebruikersnaam Jolien Van de Velde

Opleiding

Bachelor Journalistiek - 'geschreven pers' (2002-2005)

Opleiding 'Schrijver' - Docent: Sylvie Marie - Academie De Kunstbrug - Gent (2019 - 2023)

Publicaties

Publicatie van de tekst 'De laatste verhuisdoos' in de dichtbundel 'Dichterbij', uitgebracht door Alzheimer Liga Vlaanderen n.a.v. Werelddag Dementie 2020, publicatiedatum 20 september 2020

'Littekens - Brief aan Prof. Dr. Van Gucht' - De Standaard - 'Brief van de dag' - 2 mei 2020

'Ode aan de jarretelle' - Brusselblogt.be - 14 februari 2020

Kortverhaal in "En toen werd ik wakker : dromen van Gent" - Peter Verhelst (publicatie n.a.v. het project Dromenvanger van Peter Verhelst als stadsdichter van de Stad Gent 2010-2011)

Prijzen

Varia

Juryselectie 'Het Rode Oor' 2020, met de tekst 'Vrijheidsbeeld'

Juryselectie 'Het Rode Oor' 2026, met de tekst 'Age of Scorpio'

 

'Eikenbladsla' - Azertyfactor 'Tip van de week' - 24 september 2021

'Karma is een bloem' - Azertyfactor 'Tip van de week' - 10 september 2021

'De laatste verhuisdoos' - Azertyfactor 'Tip van de week' - 2 september 2020

'Wie beweerde dat eenzaamheid bestaat?' - Azertyfactor 'Tip van de week' - 22 april 2020

 

Teksten

Age of Scorpio

Ik ben een lichaam van taal, gebonden in een huid van vezels. Sommige handen lezen me langzaam, zoekend naar verborgen lust tussen mijn zinnen vol zin. Andere laten hun vingers snel en oppervlakkig over me heen glijden, als was ik een goedkoop lustobject. Die handen en vingers… Hoe verfijnd of behendig kunnen ze wel zijn, in elke aanraking lees ik tot welke sensuele handelingen ze in staat zijn. Ik bespeur hun aarzelende beroering, een schuchtere eerste kus, vezel tot vezel. Of een zelfverzekerde grip die mijn uitnodigende krommingen omklemt. Ik lig paarlustig in hun handen, samen ademen we sneller, het bloed suizend en kolkend aangespoord door mijn tintelende verbeeldingskracht. Ze plooien me naar hun zin, strelen mijn rug waardoor ik zwicht voor hun wens. Sommigen zoeken mij op vol oprechte nieuwsgierigheid, anderen voor platte opwinding. Telkens opnieuw probeer ik me naar hun lust te kronkelen. Velen willen onmiddellijk in me duiken, op zoek naar de climax nog voor het verhaal goed en wel begint. Ze vergeten dat ik een spanningsboog ben, die ze langzaam moeten oprekken met langgerekte oh’s en ah’s, trillend op het ritme van onze fantasie.  Kom dichter. Kijk naar mij, naar mijn kaft, waarop het beeld uit de erotische tempel van Khajuraho staat. Laat je ogen glijden over haar borsten, haar buik, haar dij. Stop daar. Zie je hem zitten op haar linkerdij, de schorpioen? Hij draagt de zinderende begeerte naar haar afwezige minnaar in zijn brandende angel, en lijkt het topje zelfs niet lichtjes te trillen? Haar rechterhand van steen ligt bijna op haar venusheuvel. Wat hou ik toch van dat woord. Venus. Heuvel. Zachte klanken, perfect gemaakt om over likkende tongen te rollen. Zo staat de hemelse tempelnimf nu al ongeveer duizend jaar bevroren in een pose van nooit ingeloste lust.  Al enkele weken lig ik op haar nachtkastje. Niet als leermeester, maar als novice. Toen ik haar voor het eerst ontmoette, zag ik onmiddellijk het glanzende vuur in haar ogen. Zij was de eerste die haar blik op de schorpioen van het tempelbeeld liet rusten, en daarna op de vinger die al duizend jaar wil wegglijden in zandsteen, als was het nat zand dat zich zonder al te veel moeite open laat strelen en waarbij glinsterend vocht naar boven parelt. Ze nam me mee naar huis, en leidde me haar slaapkamer binnen. In het avondlicht ontkleedde zij zich voor mij. En daar zat hij dan: haar schorpioen, een kleine tatoeage op haar linkerdij. Het tempelbeeld rees op uit haar duizendjarige slaap. Zij stond voor me, in vlees en bloed.  Sinds ik bij haar ben volgen we elke avond hetzelfde ritueel. Ze neemt me mee in haar bed en ik kijk toe hoe ze haar minnaar ontvangt, hoe zij deinen tussen de lakens, hoe zij haar hoofd naar achter legt en haar zacht gekreun de kamer vult. Zij berijdt hem, en daarmee bevrijdt zij zichzelf. Zij bepaalt het ritme en het rijm, en zo vergeet ik alle regels die mijn schrijver me ooit had opgelegd. Ze likt mijn letters warm en vloeibaar tot ik opnieuw druipende inkt ben. Haar vingers, nat van haar opwinding, vermengen zich met mijn inkt en zo beginnen we een nieuw verhaal te schrijven. We ontbranden samen in een nieuw lichaam, versmelten in wederzijdse overgave, in een zinderende sensualiteit die zich niet laat sluiten door een kaft.  Langzaam maar zeker wist ze mijn geheugen. De olifant? De waterval? De geopende boog? Ooit waren deze standjes mijn trots. Nu roepen ze slechts verre herinneringen op. Ik wist het beter, tot zij zonder genade mijn mannelijke kijk aan diggelen sloeg. Ze vermorzelde mijn grootspraak en het verwaande idee dat ik zou weten wat een vrouw begeert. Met haar treed ik een nieuw tijdperk in. Ik, de enige Kama Sutra letter voor letter herschreven door een vrouw. Ik laat mij gewillig met haar woorden vullen. Net zoals zij koester ik die zachte maar niet aflatende drang om elke vrouw te raken tot ze ontwaakt, helder en ongeremd, eindelijk thuis in zichzelf. De regen tikt zacht op mijn kaft terwijl ze me in haar handen houdt. Haar warmte begint af te nemen maar ik houd me stevig vast aan het gloeiende ritme van haar adem die nog in mijn zinnen verweven zit. De straat geurt naar nat papier, naar afscheid. Daar is de bibliotheek, geduldig wachtend. Ze wandelt binnen en zet me in het boekenrek. Voor een seconde aarzelen haar vingers, alsof ze nog iets wil zeggen, en dan is ze weg. Ik blijf achter, licht vochtig en zwaar van gemis, in mijn gloednieuw letterlijf.

Jolien Van de Velde
49 1

Supernova in opleiding

Ik wandel de nacht in, de afnemende maan in mijn kielzog. In de lucht hangt een zoete vochtigheid. Ik zuig mijn longen vol en proef. Het is de stroperige geur van minnaars die elkaar na lange tijd opnieuw aanraken. De aarde is beregend, en wordt eindelijk opnieuw begeerd. Ze keert terug naar een vloeibare staat waar scheppingsdrang kan gedijen. In het dampende hemelwater dat over de straten hangt ben ik de Venus van Botticelli die onwennig uit haar schelp stapt. Ik word één met Aphros. Ik ben het ongeboren schuim dat op de golven rust. Uitgeput laat ik me dragen tot ik ergens aanspoel. Bij mij zullen er geen Horen zijn die me ontvangen, een mantel om mijn schouders draperen. Ik ben geen godin, slechts een mens. Slechts een vrouw.  De wolken drijven uit elkaar en aan de hemel verdringen sterren elkaar om gezien te worden. Ik staar naar de ongegeneerde zelfonthulling. Ik probeer mijn eigen hemellichaam te voelen maar mijn glans is weg. Ik ben een Rode Reus, mijn kern is op en ik duw het hele leven verder van me af. In mij zwelt onrust, ik ben een stervende ster. Ik zoek Venus aan de hemel, en zie haar schitterend aan het firmament liggen. Zij bezoekt me met haar beminnelijke glimlach, ze zwelgt in haar oneindigheid. Zou ze weten dat ze binnen enkele miljoenen (of miljarden) jaren ook zal eindigen zoals alles hier op aarde? Zou ze weten dat ze gulzig opgeslokt zal worden door de zon? Ik stap door, er trekt een lichte trilling door mijn lichaam. Ik weet al wat ik zal worden. In mij begint een kettingreactie die niet te stuiten is. Elke cel van mijn zijn siddert. De supernova trekt zich op gang, mijn brandstof is op. Ik zal instorten op mijn eigen kern en ontvlammen in de helderste explosie die niemand ooit zal zien.  In het natte gras blijf ik stilstaan, ik voel hoe de nacht mijn lichaam streelt. Blijf nog even, fluister hij in mijn oor. Nee, fluister ik terug. Ik mag niet ondergaan in jou. Ik weet het, ik ben geen godin, ik ben slechts een mens, slechts een vrouw. Ik moet voeden, vrijen, weten, denken, begrenzen, koken, begrijpen, fluisteren, doorgaan, doorgaan, altijd maar doorgaan. Ik wervel rond mijn eigen as en wacht tot wanneer ik instort. Ik maak me los uit zijn greep, en vertrek naar het huis dat op me wacht. Zoon en dochter. Man. Ik vervolledig het sterrenteken dat gemaakt lijkt voor de eeuwigheid. De nacht wordt even te donker en ik verdwijn in de contouren van mijn silhouet. Wat nog overblijft van angst, ebt weg. De sleutel gaat in het slot. De supernova-explosie is nog heel even afgewend.   

Jolien Van de Velde
36 0

Moederzee

De zee omsluit mijn lichaam. Nergens om mij heen is land te bekennen. Ik ben van alle zwaarte ontdaan. Ik laat het water door mijn vingers glijden en lik ze daarna af. Ik proef. Het water is verrassend zoet. Ik laat me kopje onder gaan, laat me door haar naar beneden trekken. De bodem zal ik nooit bereiken, ze is eindeloos. Onder haar oppervlak, dichter bij haar onvindbare schoot, blijf ik ademen. Ze geeft me leven, ze brengt me in een beruste staat van een eindeloos zijn. Ik verschuil me in haar. Stilaan vergeet ik dat er ooit zoiets bestond als land. Ik wil in deze staat blijven leven, verborgen in het water dat me draagt en voedt.  Ik keer in de zee terug naar de toestand voordat mijn bestaan op land begon. Toen ik als een nieuwe drenkeling op de aarde geworpen werd. Dat kleine hoopje weerloosheid dat proestend en ontzet de kust bereikte, en op het droge onbuigbare land moest leren leven. We worden allen weggerukt uit de vloeibare toestand waarin we gewichtloos drijven in de warme nabijheid van moeder. Het is de moederzee die ons gemaakt heeft.  De reis van het lichaam trekt over het onherbergzame land, maar de reis van de ziel brengt ons naar het hart van de zee. Waarom worden wij aangetrokken door de zee? Omdat het ons terugbrengt naar het begin, naar de essentie, naar het vruchtwater waarin we groeiden, waarvan we dronken, waar we altijd troost vonden, waarin we ons in slaap woelden? Omdat onze oorsprong terug leidt naar zilt zaad en zoet vruchtwater? Nu ben ik zelf moeder, en mocht ik die oceaan in me meedragen. Tot driemaal toe. In mij zwol de zee. Ik werd water waarin ik drenkelingen droeg, ik puurde essentie uit mijn lichaam en daaruit vormde zich een leven. En dan nog één. En dan nog één. Ik klotste, ik barstte, en liep één keer een schipbreuk op. Ik moest een kind teruggeven aan de golven, aan de nietsontziende kracht van het zoete nat. Ik werd één met de baren. Ik werd een baarmoeder, een moeder van golven, van het leven dat heen en weer beweegt in en rondom mij.  Ik herinner me nog de weeën en het vruchtwater dat uit mij stroomde. Een rivierdelta werd ik waar de zee het land ontmoette. Bij elke beweging stroomde ik meer. De drenkeling zou zich weldra op het land werpen en een eerste kreet uitstoten. Hij of zij zou voor de eerste keer de longen moeten vullen met zuurstof. Leren dat de longen niet meer gevuld zijn met haar. Met moeder.  Moeder. Zee. Water. Vloeibaarheid. Eenheid.  Mijn moeder. Zij lag aan de horizon maar kwam nooit dichterbij. Ik stond aan haar branding, luisterde naar het eindeloze komen en gaan van haar golven, alsof ze me dichterbij wilde, maar telkens terugdeinsde op het laatste moment. Soms hoorde ik een fluistering in het schuim op haar woelige golven, soms bleef haar zee zo glad als een spiegel. In die kalmte schuilde geen rust maar afstand. Haar getijden vormden het ritme van mijn kinderlijk gemis. Een moeder hoort een haven te zijn, maar ik zie in haar enkel een horizon. Ik richt mijn blik op haar einder, maar vanbinnen weet ik dat ze ongrijpbaar zal blijven. Ik werd een haveloze vrouw.  Ik maak dus maar mijn eigen oerzee, en nu ik laat me gewillig onder het wateroppervlak glijden. Het water sust mijn gedachten. Ik ben weer gewichtloos, ik dein mee op de stroming met boven mij de golven die af en aan rollen. Ik baar mezelf opnieuw op deze wereld.     

Jolien Van de Velde
123 0

Caravaggio & Artemisia

De lege bank en het tafeltje. Dat maakt dat je rechtover mij komt zitten. Ik zit met mijn ogen en mijn gedachten in een roman over het leven van kunstenares Artemisia Gentileschi, en ik ben net aan de passage toe over het werk ‘Judith onthoofdt Holofernes’ van Caravaggio. Misschien heb je ooit het werk gezien? Een jonge vrouw heeft het bijna volledig afgesneden hoofd van Holofernes in haar hand, maar wat Artemisia opvalt in het schilderij is niet de gruwel van het tafereel. Nee, zij heeft enkel oog voor de tepels van Judith die zacht door het witte hemdje heen priemen. Denk je ook niet dat dit een metafoor is voor de wereld vandaag? Naïeve vergankelijke schoonheid die vluchtig het onbehagen van de realiteit wegmoffelt. Heel even moet ik denken aan mijn eigen borsten, hard gezwollen door de melk, maar ook week en zacht door het moederschap. Je schuifelt wat heen en weer, onze knieën komen zo op nog geen centimeter van elkaar te zitten. We zinderen, ik voel de kleine elektrische golfjes die tussen ons drijven. Ik kijk in het raam naar je gezicht dat verlicht wordt door het blauwe licht van je laptopscherm. We zitten op de trein naar Leuven, dus misschien ben je een docent. Voor een student lijk je me te oud. Je grijze haren, de zachte groeven in je gezicht. Je blauwgrijze ogen, waarbij je linkeroog iets meer dicht staat door je hangend ooglid. Ergens straal je een doordeweekse weemoed uit. We zijn in het midden van de week, maar in je ogen zijn we nog afgelopen weekend. Of enkele jaren terug in het zuiden van Frankrijk waar jij een glas rode wijn drinkt, en je afvraagt of het leven ooit nog anders zal worden. Dan zie ik dat je kort mijn blik zoekt, me ook aan het peilen bent net zoals ik jouw verhaal al aan het schrijven ben. In dat korte moment kunnen we plots niet meer ontkennen dat we vreemden voor elkaar zijn. Er verschuift iets, en ik kan niet stoppen met schetsen. Zoals Artemisia haar penseel gebruikt, zo creëer ik met woorden jouw personage dat plots een nieuw levenspad bewandelt. Ik kijk om me heen om mijn onrust te verbergen. Door zijn blik ben ik me plots bewust van de lijntjes in mijn gezicht die na de geboorte van mijn zoon dieper liggen. Mijn onopgemaakte gezicht dat de vermoeidheid van vele gebroken nachten verraadt. De trein raast door het landschap, en ik kijk hoe we de stad naderen. Het frisse groen wordt stilaan vervangen door grijze eentonigheid. De stem van de treinbegeleider, een krakende deus ex machina, verbreekt de betovering. Ik maak me los uit mijn pose en ik trek mijn jas aan. Even voelt het alsof ik naakt voor je zat en ik mijn kamerjas opnieuw over mijn schouders drapeer om jou verder te laten schetsen, enkele details die niet bij mijn lichaam horen toe te voegen. De realiteit die langzaam ombuigt tot fictie. Ik ken je niet maar heel even was je Caravaggio. En ik je Artemisia. Onze schetsen worden opgeborgen tot een volgende ontmoeting die er nooit meer zal komen. 

Jolien Van de Velde
102 3

Automatisme

De nacht ligt als een zwaar deken op haar. De wind sluipt binnen langs de brievenbus, roffelt op de rolluiken van de buren. Op de wekker ziet ze dat het bij half drie is. Midden in de nacht, de uren waarin alles tot leven lijkt te komen: krakende traptreden, zacht getik op het raam, een flauw gekuch op zolder. Ze ligt roerloos onder het laken, met haar ogen op de rode cijfers van de wekker gericht. Er was een tijd waarin ze de schrik voor de nacht overwon door auto’s te tellen. Elke auto die toen aan haar ouderlijk huis voorbij reed was een bevestiging van het leven zelf. Ze vertelden dat er nog andere mensen waren. Mensen die zeker iets dringends te doen hadden, anders zouden ze de moeite niet nemen om midden in de nacht door het uitgestorven plattelandsdorp te rijden. Het zachte geronk van auto’s was een geruststelling, de belofte van een wereld die op z’n minst nog één keer een vervolg aan het bestaan zou toevoegen. Soms was het lang wachten. Dan sloeg de schrik haar om het hart. De stilte dijde uit, en zij woelde steeds heftiger in het kleine bed. Zou het leven dan toch zomaar eindigen, op een maandagavond? Ze hoopte dat het dan gewoon snel zou gaan. Van het éne op het andere moment veranderen in een stofzuil bijvoorbeeld. Of uit elkaar spatten als een zeepbel. Toen ze acht jaar oud was vond ze dat laatste een geruststellende gedachte. En toch was er altijd die éne wagen die haar in slaap wiegde. Die zacht suizend suste dat het allemaal goed was en dat ze de ogen kon sluiten.

Jolien Van de Velde
37 1

Ondraaglijk licht

Vandaag fiets ik voor het eerst dit jaar met de zon naar het werk. In mijn kielzog schittert het hemellichaam dat ons binnen enkele miljarden jaren genadeloos zal opslokken. Daarachter ligt het universum dat al 13,8 miljard jaar uitdijt. Het is een grote verantwoordelijkheid om met het gewicht van het bestaan op de schouders door te fietsen, maar ik houd mijn snelheid aan.Zeven miljard jaar geleden botste er trouwens een sterrenstelsel met onze Melkweg. Dit zou ons geluk geweest zijn. Anders waren wij waarschijnlijk rotsen. Of gas. Of een regen van saffieren.Zeven miljard jaar. Hoe verhouden wij ons tot die tijd? Nog geen halve oogwenk zijn wij. We zijn zelfs niet het oog dat dichtvalt. Misschien net de prikkel in de hersenen die het bevel geeft daartoe. Dit is onze tijd in het universum.Als wij nog geen oogwenk zijn in de eindeloosheid van de tijd, waarom dansen wij dan niet vaker? Er is niemand die naar ons kijkt. Wat houdt ons dan tegen? Met het oog op een zekere vernietiging moeten we net elke dag schoonheid scheppen. Het is onze missie.Uiteindelijk drijft alles in het universum uit elkaar. Eerst wordt de aarde nog verzwolgen door de stervende zon. En dan zullen ook de sterrenstelsel verder en verder van elkaar weg dobberen. Niemand die elkaar uitwuift. Eenzame sterrenstelsels in een steeds donker wordende duisternis.Ik zet mijn tred door, bijna aan het kantoor. Met de zon voel ik ook een andere warmte uit het Oosten. De ongemakkelijke warmte van oorlogsgeroffel. Maar ik doe alsof ik dat niet voel. Ik fiets met de eerste zonnestralen van het jaar. Ik dans.

Jolien Van de Velde
109 2

De was

Onze eerste grote aankoop toen we gingen samenwonen, was een wasmachine. Het bevestigde als het ware onze relatie, wij waren op dat moment een huishouden geworden. Fier toetste ik aan de kassa vier cijfers in, waarbij de drie goedkeurende biepjes vertelden dat we net het summum van volwassenheid hadden bereikt.De was is immers de laatste veldslag bij de voltooiing van het volwassen leven. Moeders vullen de vrijgekomen leegte van het nest maar al te graag met de zakken vol vuile was die zoon- of dochterlief nog eens binnenbrengt. Het is een ritueel waarin beloofd wordt dat er nog een regelmatig contact is. Het is ook een vorm van diep vertrouwen, waarbij moeder zomaar toegang krijgt tot het linnengoed waarin misschien een zweem van een nieuw vriend of vriendin hangt. Zou zij aan de lakens ruiken? Tot waar brengt de nieuwsgierigheid haar?Het was een vriend die me onlangs wees op de zwaar beladen symboliek van zoiets banaals als vuile was. Toen hij alleen ging wonen nam hij zijn moeder mee naar de kringloopwinkel waar ze samen een wasmachine uitkozen. Toen de keuze viel, zakten ook de schouders van zijn moeder. Nooit had hij zich kunnen voorstellen dat zij bijna huilend naast hem stond terwijl hun blik op een tweedehands wasmachine rustte. ‘Nu weet ik dat ik voorgoed kwijt ben’, zei ze met bevende stem. De laatste veldslag was gestreden. Het huishouden werd overgedragen en de voorwaarden van hun band zouden langzaam herschreven worden.Elke week nog ga ik met mijn vingers over het schermpje van onze wasmachine. Het is een schaars moment waarop ik zeker kan zeggen: hier staat een volwassen mens.

Jolien Van de Velde
67 5

Treurwilg

Het regent. Ik weet niet of het al regende in dit nieuwe jaar. Toch wil ik wandelen. Ik trek mijn sportschoenen aan. Waterdoorlatend. Ik weet dus wel zeker dat ik straks voor het eerst natte sokken zal hebben dit jaar. De Brugse Reien liggen er rustig bij. Het regent ondertussen niet meer. Mijn sokken worden wel nog nat. Ik blijf even staan bij de treurwilg die in de bocht van één van de reien staat. De druppels die van de kale takken glijden trekken cirkels in het water. Net op dat plekje regent het nog. Een treurwilg. Letterlijk. Een trieste boom, enkel nog tak en stam en traan. Helemaal ontdaan van het loof. Naakt in zijn boom-zijn. Ergens las ik dat wij ook zo moeten worden. In de winter. Ondergedompeld in verstilling. Ontdaan van de drukte. Geen schermen meer die blauw licht afvuren. De moderne naakte mens, zonder attributen, zonder digitale status. Ingestopt onder een warm deken met enkel het geluid van tikkende regen op het raam. De moderne naakte mens ver weg van de vrolijkheid die het leven moet zijn. Er is rouw. Er is melancholie. Er zijn bedenkingen. Er is menselijke regen die van de takken moet druipen. Zo zuiveren we ons tot de lente. Ondertussen kringelen meer regendruppels in het water. Het regent opnieuw. Het regent, het zegent, zei mijn moeder ooit. Het wordt vooral nat, denk ik. Mijn klamme sokken soppen in mijn sportschoenen. De Brugse Reien vallen even grijs uit als de wolken. De regen komt neer op de kasseien. Nu is het enkel nog wachten. Tot de lente komt.

Jolien Van de Velde
53 0

ad astra

Sterren hebben ook hun onstabiele periodes, zei de wetenschapper. Net zoals de mens puberteit kent. Net zoals wij vastlopen in existentiële vragen, worstelen met het waarom van het bestaan. Voor een ster is vijf miljard jaar even eindig als een mensenleven van gemiddeld tachtig jaar. Al die miljarden jaren en nog geen enkele ster die na diep piekeren het antwoord kon vinden. Wat wij mensen kunnen leren, is onverschillig blijven in het bestaan. Stoïcijns volgen wij de baan van het leven. Sterren zingen, zei de wetenschapper. Sommigen op het ritme van een hartslag. Pulsarsterren. Ze roteren op één seconde tijd om hun as en vormen daarbij het onverstoorbare ritme van een mensenhart. Tik. Tik. Tik. Het ritme toont geen slaap, geen rouw, geen verdriet. Ook geen rust, geen verwondering, geen liefde. Anderen trillen. Loom, met het timbre van een fagot. Opgewonden, met de opgewekte toon van een piccolo. De meeste mensen brommen op een lage toon, het geluid van een rode reus, een ster die op instorten staat. Wij zijn niet anders dan de miljarden hemellichamen. Wij zijn een lichaam dat af en toe hemelse tonen aanneemt. Wij zijn een lichaam dat uiteindelijk uit elkaar valt in basiselementen van het universum. Een handjevol pulsarster weegt evenveel als een bergketen, zei de wetenschapper. Ik vouwde mijn handen en probeerde de ontembare massa rots te balanceren. Een dagelijkse oefening. Er zijn sterren die aan het einde van hun leven diamant worden, zei de wetenschapper. Daar hield het op. Ik kon niks meer verzinnen. Eindelijk een eigenschap die de mens nooit bezitten zal. 

Jolien Van de Velde
42 4

Slagerseenvoud

De slagersvrouw is een taalvirtuoos. Met liefde splitst zij de woorden op de bordjes die me in de koeltoog aankijken. Kip-filet. Boeren-worst. Parma-ham. Met een slagersmes snijdt ze woorden in hapklare lapjes en brokjes. Ze kruidt de taal ook met woorden waarop spellingsregels geen vat krijgen. In haar eindejaarfolder prijst ze ‘tappa’s’ aan, of ‘fijne bouilionsoep’. Verder hoeft taal voor haar niet al teveel om het lijf te hebben. ‘Worst’, ‘ham’. Wat je leest, is wat je krijgt. Voor haar hoeft er geen verfijning bij te zijn. Geen Provençaalse kruiden. Geen Ardeense varkenshaasjes. Eenvoud siert. Dat merk je ook aan de winkelinrichting die minstens al 25 jaar dienst doet en waar een oude vergeelde poster met onderaan enkele scheurtjes nog spreekt over Belgische frank. Ik hoor het haar ’s avonds zeggen tegen haar man. Hoe de tijden vanzelfsprekend waren in de jaren ‘90, hoe hun klanten enkel verlangden naar een kotelet en geen vragen stelden over kip op Thaise wijze of gemarineerd vlees van Duc d’O varkens die op kastanjedieet staan om hun vlees die nootachtige smaak te geven. Geen vragen over pulled pork of slow cooked steak. Nee, kotelet op woensdag, worst op donderdag en vrijdag naar de visboer. Zekerheid zat gebeiteld in het dagelijks avondmaal. Het is mijn beurt. Van achter de koeltoog lacht ze me toe. Haar mondmasker hangt half onder haar neus. Haar ogen schitteren maar ze kan de weemoed niet verbergen die in haar bruine irissen ligt. ‘M’dam, zeg ’n kee’. Ze kapt haar woorden. Ze fileert en houdt enkel nog de essentie vast. Ik bestel en spreek in korte lettergrepen. Meer heeft zij niet nodig. ‘goe’navon’, zegt ze nog vrolijk als ik de slagerij uit wandel. Morgen ben ik er terug. Ieder mens heeft zijn dagelijkse portie eenvoud nodig.

Jolien Van de Velde
32 3

Geloof en heelal

De trein snijdt door de donkere ochtend en de gutsende regen. Achter deze wagons liggen de minuten van een monotoon treinritverleden. Wat vroeger was, hoe vers het ook is, verdwijnt aan een snel tempo uit het gezichtsveld. Het zijn minuten waarvan Steven gelooft dat ze het collectieve geheugen van het universum bepalen. Zijn onuitgesproken theorie stelt dat elke seconde aan menselijke herinnering de grenzen van het heelal verder duwt. Het is een eeuwigdurende expansie van onvervuld verlangen, een opeenhoping van ‘wat als’-vragen, een kolkende massa van immens verdriet en uitzinnige vreugde. Het heelal vormt het vacuüm dat het menselijk bestaan bevat, waarin elke emotie, elke herinnering de verdere leegte vult. Het is een idee dat Steven nog niet uitsprak, en al zeker niet bij zijn vakgroep radioastronomie. Het zou steevast ontvangen worden als één van Steven z’n gekke gedachten, een theorie die hem nog meer als zonderling apart zou zetten. Ondertussen slaat de regen onverminderd tegen het raam van de trein. Hij volgt met zijn ogen de stroompjes die zich op het venster aan het vormen zijn. Ze glijden en zwellen samen aan tot een rivier. Hij laat zijn vinger over het koude glas glijden en volgt de stroom. Net zoals het verleden in een zwart gat verzwolgen wordt tot materie dat het universum bouwt, zo ontvouwt zich uit dezelfde duisternis een toekomst. Een dag. Een andere theorie die hij angstvallig voor zich houdt, is zijn idee dat elke mens uniek is en daarom elke mens een volmaakt eindpunt van de evolutie vormt. Elke mens heeft een evolutionair kenmerk dat anderen niet dragen. De éne blinkt uit in het perfecte kopje koffie zetten, de ander in de kortste rij aan de kassa uitkiezen. Sommige mensen hebben de meesterlijke graad van tiran bereikt. En enkelingen lijken al helemaal geen ego te hebben. Volgens Steven zou het veel meer rust rondom zich brengen mocht iedereen berusten in zijn of haar talent, zodat mensen niet blijven hollen en in volle vaart denkbeeldige windmolens najagen. Dit was misschien wel de essentie wat geloof voor hem betekende: deze kleine theorietjes die de dagen dragelijk maakten. Als zoiets als Geloof gedoogd werd, waarom zou hij zich dan niet kunnen troosten met deze lichtzinnige gedachten? Neem nu Johanna. In de jaren waarin ze nu al samen hun leven delen, zijn de kaarsjes die ze brandt nog steeds een aanfluiting van de rationaliteit. Geen enkele kaars zal het lot veranderen. Als wetenschapper kan hij niet begrijpen dat zijn vrouw, doctor in de biochemie, net dat soort geloof zo belangrijk vond. Voor het examen van hun zoon, voor de zieke kat van de buurvrouw, voor de vele slachtoffers van de pandemie. 'Iedereen heeft licht nodig', zegt ze dan terwijl ze nog een theelichtje uit het zakje neemt. Ook bij elke kerk die ze zag, had ze de plotse drang om binnen te lopen en een kaarsje te branden. Hij kon enkel zuchten en hopen dat ze het niet hoorden in de kerken waar de akoestiek zijn verveling zou verraden. Ergens voelde hij een fascinatie voor de uiterlijke schijnvertoning van geloof, maar een soort fascinatie die eerder aanleunt bij walging. Steven vond het getuigen van grote naïviteit en op die momenten lag er een onoverbrugbare kloof tussen hem en Johanna. Geen enkel hoger wezen, was het nu Allah of Ganesha kon menselijk leed verhinderen. Één op de negen vrouwen krijgt borstkanker, één op de tien mannen krijgt prostaatkanker. En één op drie zwangerschappen eindigt in een miskraam. Volgens Johanna was dat laatste een straf van God. Voor hem was het een vaststaand statistisch feit. Steven stelde immers zijn vertrouwen in statistieken en analyses van databases. Die gegevens kunnen de orde van het heelal verklaren. Voor hem bewees het net dat er geen Jezus bestaat, en dat alles kan uitgelegd worden door kennis en onderzoek. Wat we niet weten ligt nog klaar om ontdekt te worden. Fris nieuw onderzoeksdomein waarin hij als wetenschapper naar hartenlust kon wroeten al was hij een zwijn op zoek naar de lekkerste truffel. Het enige licht dat hij aanbad was het blauwe schijnsel van zijn computerscherm waar talloze spreadsheets zijn aandacht opeisten. Dat, en zijn kleine hypotheses die hij met niemand deelde, vormden de basis van zijn geloof. ‘Volgende halte: Leuven’. De stem van de treinbegeleider snijdt bruusk doorheen zijn gedachtenstroom. Het wordt een regendag, en met tegenzin trekt hij zijn regenjas aan. Steven glimlacht kort wanneer hij denkt dat deze regendag-gedachten de grenzen van het heelal alweer wat doen uitbreiden.  

Jolien Van de Velde
57 0

Robotstofzuigers krijgen een stem

Brussel – Al jaren ondergaan robotstofzuigers een ongekende leed. Vaak zijn zij het slachtoffer van pijnlijke botsingen. Vanaf morgen krijgen zij een stem. De Roomba, vakbond van de Artificiële Intelligentie noemt dit ‘alvast een stap in de goede richting’, en hoopt dat dit ook andere robots aanzet tot actie over hun arbeidsvoorwaarden. Robotstofzuiger zijn een vaste waarde geworden bij de Belgische gezinnen. Sinds enkele jaren maken ze een steile opmars en duwen ze de gewone stofzuiger uit de markt. De huiskamers van de meeste gezinnen zijn echter niet mee geëvolueerd met de komst van de robotstofzuiger. Dit maakt dat zij vaak botsen op kasten, stoelen, tafels,… of verstrikt geraken in rondslingerend speelgoed. Vakbond Roomba ijverde daarom ook al jaren voor een chip die dit leed een stem geeft. Vanaf morgen 1 oktober is het zover en dan moeten alle robotstofzuigers uitgerust worden met deze chip. Bij elke aanraking zal de eigenaar een korte pijnkreet horen, maar er zijn nog andere functies. Zo kan de eigenaar kiezen voor de huilbuien van Simonneke uit ‘Thuis’ of voor strakke ‘D’oh’s’ van de welbekende Homer Simpson. Eigenaarsorganisaties drukken hun bezorgdheid uit over mogelijke geluidsoverlast. Roomba reageert hierop: ‘Al jaren lijden de robotstofzuigers in stilte. We betreuren zelfs enkele slachtoffers die het leven lieten door rondslingerende legoblokjes. Deze chip is broodnodig om de eigenaars stil te laten staan bij het onnodige leed. Misschien wordt er eindelijk opgeruimd vooraleer onze leden aan de slag gaan.’ Roboteigenaars vrezen dat dit een gevaarlijk precedent zal scheppen, en dat het idee ook toegang zal vinden bij robotgrasmaaiers of keukenrobots. Roomba ziet dit anders: ‘Wij voelen ons niet begrepen als groep. Mensen hebben het schijnbaar moeilijk met nieuwkomers. Er is echter geen plaats voor discriminatie. Iedereen heeft recht op een leven zonder pijn. Wij zouden het een grote vooruitgang vinden mochten andere robots zich bij deze gedachte aansluiten.’ De chip is verkrijgbaar via de website van de het Vlaamse ministerie voor Artificiële Intelligentie te Brussel. Vanaf 1 december moet elke robotstofzuiger hiermee uitgerust zijn.   Spoiler alert: uiteraard is dit fake news!  

Jolien Van de Velde
40 2