Jolien Van de Velde

Gebruikersnaam Jolien Van de Velde

Opleiding

Bachelor Journalistiek - 'geschreven pers' (2002-2005)

Opleiding 'Schrijver' - Docent: Sylvie Marie - Academie De Kunstbrug - Gent (2019 - 2023)

Publicaties

Publicatie van de tekst 'De laatste verhuisdoos' in de dichtbundel 'Dichterbij', uitgebracht door Alzheimer Liga Vlaanderen n.a.v. Werelddag Dementie 2020, publicatiedatum 20 september 2020

'Littekens - Brief aan Prof. Dr. Van Gucht' - De Standaard - 'Brief van de dag' - 2 mei 2020

'Ode aan de jarretelle' - Brusselblogt.be - 14 februari 2020

Kortverhaal in "En toen werd ik wakker : dromen van Gent" - Peter Verhelst (publicatie n.a.v. het project Dromenvanger van Peter Verhelst als stadsdichter van de Stad Gent 2010-2011)

Prijzen

Varia

Juryselectie 'Het Rode Oor' 2020, met de tekst 'Vrijheidsbeeld'

Juryselectie 'Het Rode Oor' 2026, met de tekst 'Age of Scorpio'

 

'Grafietverlangen' - Azertyfactor 'Tip van de week' - 26 augustus 2026

'Eikenbladsla' - Azertyfactor 'Tip van de week' - 24 september 2021

'Karma is een bloem' - Azertyfactor 'Tip van de week' - 10 september 2021

'De laatste verhuisdoos' - Azertyfactor 'Tip van de week' - 2 september 2020

'Wie beweerde dat eenzaamheid bestaat?' - Azertyfactor 'Tip van de week' - 22 april 2020

 

Teksten

Hemellichaam

Daar waar de wetten van de tijd vervagen, daar ligt hij. De singulariteit van haar verlangen, het zwarte, fluwelen punt waar alles samenkomt. De ster wist niet wie of wat hij was, maar ze voelde dat haar banen om hem heen steeds dichter lagen. Altijd was ze gewend geweest om de duisternis te bezweren, maar nu wilde ze die donkerte net proeven. Zijn onwrikbare zwaarte hypnotiseerde haar. Ze liet zich afglijden in zijn invloedssfeer. Met zachte aanrakingen wreef hij haar buitenste lagen los. Eenmaal de kosmische dans begon, was er geen weg meer terug. Bedwelmd door de belofte van zijn pulserende hart, vormde ze haar ritme naar het zijne. Onder zijn indrukwekkende kracht opende zij zich als een bron. Zij was de ster die in gouden rivieren zijn hart van zwart velours voedde. In zijn standvastige zwaarte legde zij haar puurste licht.  Aarzelend zochten haar fijne, gouden vingers zijn middelpunt. Hij lichtte haar nevelsluiers op, en werd kortstondig verblind door de schittering van alle kosmische godinnen die in haar huisden. Met elke haal van zijn energie legde hij meer van haar bovennatuurlijke krachten bloot. Hij ontmantelde haar teder op de maat van zijn trillende kern. De lagen die ze losliet, smeedde hij in zijn kosmische handen om tot vloeibaar goud. Hij wilde haar niet breken, hij wilde haar absorberen. Haar goud voor eeuwig bewaren in zijn ondoordringbare kern. Samen gleden ze naar zijn horizon, de flinterdunne grens tussen het bekende universum en het absolute niet-weten. Op die drempel stolde de tijd. Er was geen zij of hij meer, de tijd enkel nog een eeuwig nu: een versmelting van vloeibaar goud en hermetisch zwart. Misschien wilde zij geen ster meer zijn, maar transformeren tot een geheel nieuw hemellichaam zodra ze achter zijn waarnemingshorizon verdween. In een verzengende hitte barstte haar laatste verzet open. Hij trok haar over de drempel, naar de einder waar alles onomkeerbaar werd. De kosmische adem stokte. Hij leidde haar dieper zijn kern binnen. Met een laatste zucht van licht sloot de horizon zich.

Jolien Van de Velde
76 1

Dauwverdriet

Elke nacht schuif ik langzaam mijn koele, zijden laken over jou heen, mijn ongenaakbare wijnrank. Midden op de heuvelflank vond jij je plaats, knoestig en diepgeworteld. Je bladeren zijn net iets zwaarder geworden door je vele zomers, je takken met rijpe vruchten vormen een complex doolhof. Zo teder als ik kan betast ik je ruwe bast, zoek ik je diepste groeven en bedek ik je met mijn glanzende vloeibare wezen. Ik ben er weer, fluister ik, in jouw eeuwige komen en gaan. Ik balsem je stroefheid, en tegelijkertijd omhul ik jouw fluwelen trossen met mijn adem.  In de eeuw dat jij vastberaden op de heuvel wortelde, mijn geliefde rank, heb ik nog nooit mijn belofte verbroken. Elke nacht glijd ik weer dichter bij jou. Jij kent mijn seizoenen: mijn speelse parelende druppels op je bladeren in de lente, mijn zware neveltranen die zich als een wintermantel over je takken spreiden zodra de weemoed van de herfst door de late zomerwarmte bloedt. Voor jou laat ik mijn druppels zacht volgroeien, mijn welvingen gevuld met een zoete melancholie. Ik vlei me tegen je harde huid, hopend op een moment dat je me eronder trekt, diep in je trage warme aderen en in je solide kern.  Je gouden bladeren kleden zich al voor de komende koude. Met mijn aanraking wil ik ze dragen, verwarmen, maar ik ben slechts vluchtig water op zoek naar vrijheid. Soms haat ik mijn vergankelijkheid. Op die momenten wil ik in je doordringen, me in je sappen laten sijpelen. Ach, vang me in de schil van je vruchten, en laten we ons bedwelmen door de roes die straks wijn zal zijn.   De dag breekt in zacht rood over de heuvelflank. Straks verdwijn ik weer in het ijle, in het onzichtbare, kloppende hart van een kraakvers etmaal. Mijn vloeibare lichaam spant zich nog een laatste keer rond je lijf en dan laat ik je los. Het ondraaglijke begint. Aan het verdampen kan ik wennen, maar niet aan de gedachte dat mijn overgave alweer niets veranderde. Mijn geweven welvingen lossen op in het ongrijpbare diffuse licht. Ik stijg op met de gedachte dat ik het morgen opnieuw zal doen. En overmorgen. Telkens opnieuw. Het is bijna te zwaar om te dragen, die scherpe honger die nooit stilt.  Terwijl ik oplos, blijf je staan. Je zal blijven wat je bent: geworteld en onverstoorbaar, alsof mijn eeuwige komen en gaan je nooit heeft beroerd. Er rest me enkel nog het etherische. Ik zal weer verdwijnen met niets meer dan het verlangen naar jou, die ik zo goed ken maar nooit werkelijk heb kunnen bereiken. Geïnspireerd door het nummer ‘Dew on the vine’ van Bear’s Den  

Jolien Van de Velde
321 1
Tip

Grafietverlangen

Waar zij eindigde en hij begon, dat was moeilijk te zeggen. Zijn warmte had zich al door het hout gedrongen en begon haar grafietkern langzaam te verhitten. Met een zoekende precisie vormde hij zijn grip op haar, en samen vonden ze de juiste balans waarbij zij zich in volle overgave nestelde in de glooiing tussen duim en wijsvinger, het warmste en gevoeligste plekje van zijn hand. Haar lichaam leek speciaal gemaakt voor zijn handpalm; ze was zowel krachtig als breekbaar. Met zijn zachte polsbewegingen voelde ze een lichte trilling om haar heen. Ze ontwarde ongeduldige woorden in de manier waarop hij zijn pols bewoog. Maar waren het zijn of haar woorden?  Zijn gloed maakte haar wendbaar op het papier, en zo loste zij haar kostbare grafiet, haar verborgen kronieken. Zij werd hem en hij werd haar. Hij wakkerde de verhalen aan die diep in haar psyche opgeborgen lagen, relieken van een ver verleden. Zijn zachte hand was licht dwingend, en net dat maakte haar gewild en gewillig. Enkel met hem kon zij op het papier haar verhalende verlangen laten vloeien. Haar lichaam had vele handen gekend, maar nu wilde ze enkel nog maar die éne hand die haar hele zijn omvatte. In zijn grip vond ze haar overgave. In zijn bewegingen gaf zij zich bloot, in zacht aangezette klinkers en de onopvallende maar heel aanwezige medeklinkers. Hij wist hoe hij haar moest laten spreken, hoe hij haar duistere kern moest ontleden en haar glanzende verhalen kon ontsluiten waarin zij gloeide vol herwonnen lust. Zij werd één met zijn huid, duwde zich harder tegen hem aan, en vroeg hem zo om zijn grip te verstevigen. Aan haar grafiet ontlokte hij woorden die zij lange tijd niet had durven uitspreken. Ze zuchtte, haar punt kraakte, maar ze leefde, ze was een ademend verhaal in zijn sterke hand.  Hij liet zijn vingers op het blad over haar gelekte kern glijden, en zo hechtte zij zich aan hem. Hij droeg haar mee in het fijne grijze stof dat aan zijn vingertoppen bleef kleven. Elke haal werd hun herinnering. Zij had geen angst om te verdwijnen. Ze werd kleiner, maar daar maalde ze niet om. Ze wilde dat hij haar tot het einde van haar zinnen hanteerde, dat haar kern zou kunnen versmelten met zijn begeerte. Dat hij elke dag haar schrijvend lijf in zijn handpalm zou leggen, tot er niets meer van haar overbleef.   

Jolien Van de Velde
581 3

Drenkeling

De eerste golf rolt aarzelend over haar heen, eb en vloed in haar onderbuik. De tweede beukt in als springtij, een vloedgolf die bezit van haar neemt en zich over haar uitstort. Het verjaagt de slaap. Ze klemt haar dijen tegen elkaar. Rillingen jagen door haar lijf, spier voor spier trekt samen. Haar zware hoofd probeert zich los te maken van het kussen. Een zucht. Ogen die openen en weer bezwijken. In haar ooghoeken talmt de nacht. Ze ontwaakt met een natte gloed in haar dijendal. Een schrijnend gemis moet het zijn, wanneer de slaap zichzelf op deze hulpeloze wijze troosten moet met de zoete kleine dood. Ze denkt terug aan de vorige keer dat het haar overkwam in de verstikkende zomergloed. Zo’n hitte waarin de lucht aan de huid kleeft en stolt tot een onwrikbare deken van lood. De droom die haar hier bracht, zindert na. Een droom waarin ze zijn zachte hand dichter naar zich toe trok. Zijn nagels die krasten in het vlees van haar heup. Een dwalende tong over een gewillige hals. Gespreide dijen als een kust waar hij mocht aanspoelen. Zilte golven op haar tong. Een vrouw en een man, deinend in een zoekend ritme, als helmgras dat zich buigt en overgeeft aan de late zomerbries. De bedrand is plots een onneembare klif. Ze wil enkel nog sluimeren. De droom blijven spinnen tot de volgende nacht zich aandient. Haar spieren ontspannen, maar diep tussen haar dijen zinderen de kalme golfjes na – de getemde zee. Ze brengt haar hand opnieuw naar haar dijendal. De herwonnen cadans wiegt haar in trance. Haar ogen sluiten zich. Nog. Opnieuw. Strakgespannen wacht ze op de tweede vloed. Ze hunkert ernaar om meegezogen te worden, kopje-onder te gaan. Nog. Ze smeekt in stilte om weer van de wereld te worden weggevaagd. Haar spieren spannen zich in een boog. Haar lippen bewegen, maar de kreet blijft steken. En dan, met een ademtocht, breekt het. Ze grist het laken van de bedrand. Haar vingers kneden het haastig tot een prop en duwen het tegen haar venusheuvel aan. Een surrogaat voor het lijf dat ze nu zo vurig tegen het hare wenst. Met de laatste kracht die ze in zich vindt, perst ze haar dijen samen. De druk stuwt een allerlaatste golf door haar lijf. Ze is aangespoeld in de branding van een nieuwe dag.

Jolien Van de Velde
153 0

Hedera helix

Licht is nodig om te groeien. Licht voedt. Dat is toch wat ze beweren. Hij heeft lak aan die regels, en kiest resoluut voor het donkerste punt dat zijn pad kruist. Hij is op zoek naar een hermetisch zwart hart dat hij kan bezitten, een solide duistere stam waar hij zichzelf rond kan slingeren. Waar de anderen blind zoeken naar het helderste licht, daar zoekt hij doelgericht naar de diepste schaduw.  De wilg voelt het meteen. Haar zachte schaduw ligt niet meer gezapig om haar heen, er beweegt iets in de lommer. Er sluipt honger rond haar wortels. Haar gebarsten schors, ruw en licht vochtig, maak zich op om iets helemaal nieuws te doen: ontvangen. In die vele jaren waarin ze onwrikbaar elke dag op zich liet inbeuken, ontwikkelde zich een zwaarte die zich tot in haar takken liet voelen. Met die donkerte roept ze hem, onbewust maar dwingend. Hij kust haar voeten. En nu kruipt hij verder naar haar schors. De stengel tast, vindt en ontluikt in een obscure aanraking. De cellen die haar schors niet raken gaan plots sneller groeien en strekken zich uit. Zo krult zijn stengel naar haar toe, klaar voor de eerste omhelzing. In de zachte bries van de late zomerwarmte vinden ze elkaar. Ze buigt haar schaduw nog meer naar hem toe, en hij drukt zich strak tegen haar aan. Honderden minuscule hechtworteltjes dringen haar bast binnen. Hij heeft geen brute kracht nodig, hij infiltreert geruisloos in haar kleinste kieren, en begint zo zijn klim. De zachte pijn van zijn fijne hechtwortels vuren haar sapstromen aan. Ze maakt zich vochtig voor hem. Hij laaft zijn groeiende dorst aan haar essentie en graaft zich nog dieper in haar. Hij woekert om en in haar. Ze voelt zijn greep versterken. Op de tast leest hij de littekens van haar bast, stuurt nieuwe vertakkingen aan die als gretige vingers elk wonde willen bezitten. Hij werpt strakke lussen, snoert haar lichaam in shibaritouwen. Hij legt dwingende knopen en trekt ze aan. Ze maakt zichzelf wijs dat ze eindelijk geborgen is in zijn sterke lianen. Samen wentelen ze zich tot een nieuw symbiotisch leven, verknocht aan elkaar. Hij maakt zichzelf wijs dat hij geen parasiet is, hiij raakte gewoon gehecht aan haar schaduw. En elke nieuwe knoop prent haar vezels in dat ze geen wilg meer is, maar het fundament van hem, Hedera helix. Haar bekoorlijke klimop.  Ze laat hem reiken naar haar kruin. In zijn eeuwige gulzige groen vallen haar beginnende herfsttinten niet op. Hij is haar constante bloei. Ze buigt dieper onder zijn knopenwerk, ze geeft zich over aan wat op zijn redding lijkt. De herfstwind speelt met hun bladeren. Haar goudtinten en zijn fris groen vormen een nieuw wezen. Mocht ze ooit ten onder gaan, dan valt ze niet als wilg, maar als het intieme monument van zijn bezit.     

Jolien Van de Velde
562 1

Klopjacht

De biefstuk ligt zwetend op het bord van Bart. Het lijkt op een stuk dat rechtstreeks uit het dier gesneden werd. Er beginnen zich rondom stroompjes rood vocht te verspreiden. De bloederige delta stuwt met trage kracht naar de salade. Bart prikt het hapklaar brokje dat hij afsneed op zijn vork en brengt het naar zijn mond. Hij blijft kauwen en trekt een korte grimas. 'Is het niet lekker?', vraagt Flora. 'Een beetje taai', antwoordt hij met nog steeds het stukje vlees in zijn mond. Hij slikt het weg.  'De smaak is goed, maar ergens zit er een wrang kantje aan. Het smaakt naar hertenvlees dat mijn moeder vaak klaarmaakte’, voegt hij er aan toe. ‘Oh. dit is nochtans koe hoor’, antwoordt ze met een snelle glimlach. ‘Het lijkt alsof de koe ook een klopjacht doormaakte’, zegt Bart langs de neus weg. ‘Klopjacht?’, vraagt Flora niet begrijpend. ‘Wel, mijn moeder kreeg altijd een stuk hertenvlees van de jager na de klopjacht. En de jager wist maar al te goed dat er met sommige stukken niet veel goeds aan te vangen valt’, legt Bart uit terwijl hij opnieuw stevig met zijn mes in het vlees snijdt.‘Oh. Waren de stukken soms vaak aan flarden geschoten ofzo’, antwoordt Flora lacherig. ‘Weet jij eigenlijk wel wat een klopjacht betekent’, en in de stilte duwt hij een nieuw stukje vlees in zijn mond. ‘Niet meteen nee’, fluistert Flora terwijl ze met hangende schouders een friet in de mayonaise dopt.‘Bij de klopjacht staat er langs de éne kant van het bos een hele rij mannen, zij aan zij. Aan de overkant staat een rij jagers opgesteld. Bij het startteken loopt de rij mannen het bos in, met kreten en luid gejoel. De dieren die eerst nog rustig in het bos vertoefden worden opgejaagd: reeën, everzwijnen, hazen,… Noem maar op. Ze rennen op de jagers af en lopen ze voorbij. En zo worden ze in de rug geschoten’. Hij neemt een slok van zijn glas rode wijn. ‘Lekker wijntje, die Cahors.’ Flora's blik verstart. Een flits: Het hert. Een onschuldig dier. In de rug geschoten, zonder één mogelijke vorm van verweer. ‘En je proeft dat dus’, gaat hij rustig verder. ‘Het vlees is dan ook niet lekker. De spieren van de vluchtende beesten geraken verzuurd, verkrampen en dat geeft een hele specifieke smaak. ’n Beetje bitter, alsof het vlees op het punt staat om te bederven.’Flora laat haar mes op het bord zakken. De goudbruine korst van de biefstuk die zonet heel aanlokkelijk leek, doet haar nu kokhalzen. ‘Om het op een andere manier te zeggen: je proeft de angst. Je eet de angst van het dier’, zeg ze traag, alsof ze net een delicaat vraagstuk voorgelegd kreeg en het woord per woord op een zachte toon herhaalt.‘Ja, daar komt het wel op neer’, zegt Bart terwijl hij nonchalant een friet in de rode stroom op z’n bord duwt. ‘Denk je dat de koe dan geen angst voelde?’, en hij wijst met de druipende friet naar het stuk vlees op het bord van Flora. ‘Dat is toch vanzelfsprekend? Elk dier voelt dat toch, hoe zou je zelf zijn als je de geur van bloed en stress zou ruiken, dan sla je toch ook in paniek?’ Flora rent naar de badkamer. Er klinken luide kokhalsgeluiden door het huis. Bart schenkt nog wat wijn in en neemt een flinke slok. Met zijn vork prikt hij de biefstuk van Flora’s bord. Het stukje vlees gaat recht naar zijn bord. Triomfantelijk laat hij er zijn mes in ploffen. Zacht als boter, net zoals hij het graag heeft. 

Jolien Van de Velde
17 1

Age of Scorpio

Ik ben een lichaam van taal, gebonden in een huid van vezels. Sommige handen lezen me langzaam, zoekend naar verborgen lust tussen mijn zinnen vol zin. Andere laten hun vingers snel en oppervlakkig over me heen glijden, als was ik een goedkoop lustobject. Die handen en vingers… Hoe verfijnd of behendig kunnen ze wel zijn, in elke aanraking lees ik tot welke sensuele handelingen ze in staat zijn. Ik bespeur hun aarzelende beroering, een schuchtere eerste kus, vezel tot vezel. Of een zelfverzekerde grip die mijn uitnodigende krommingen omklemt. Ik lig paarlustig in hun handen, samen ademen we sneller, het bloed suizend en kolkend aangespoord door mijn tintelende verbeeldingskracht. Ze plooien me naar hun zin, strelen mijn rug waardoor ik zwicht voor hun wens. Sommigen zoeken mij op vol oprechte nieuwsgierigheid, anderen voor platte opwinding. Telkens opnieuw probeer ik me naar hun lust te kronkelen. Velen willen onmiddellijk in me duiken, op zoek naar de climax nog voor het verhaal goed en wel begint. Ze vergeten dat ik een spanningsboog ben, die ze langzaam moeten oprekken met langgerekte oh’s en ah’s, trillend op het ritme van onze fantasie.  Kom dichter. Kijk naar mij, naar mijn kaft, waarop het beeld uit de erotische tempel van Khajuraho staat. Laat je ogen glijden over haar borsten, haar buik, haar dij. Stop daar. Zie je hem zitten op haar linkerdij, de schorpioen? Hij draagt de zinderende begeerte naar haar afwezige minnaar in zijn brandende angel, en lijkt het topje zelfs niet lichtjes te trillen? Haar rechterhand van steen ligt bijna op haar venusheuvel. Wat hou ik toch van dat woord. Venus. Heuvel. Zachte klanken, perfect gemaakt om over likkende tongen te rollen. Zo staat de hemelse tempelnimf nu al ongeveer duizend jaar bevroren in een pose van nooit ingeloste lust.  Al enkele weken lig ik op haar nachtkastje. Niet als leermeester, maar als novice. Toen ik haar voor het eerst ontmoette, zag ik onmiddellijk het glanzende vuur in haar ogen. Zij was de eerste die haar blik op de schorpioen van het tempelbeeld liet rusten, en daarna op de vinger die al duizend jaar wil wegglijden in zandsteen, als was het nat zand dat zich zonder al te veel moeite open laat strelen en waarbij glinsterend vocht naar boven parelt. Ze nam me mee naar huis, en leidde me haar slaapkamer binnen. In het avondlicht ontkleedde zij zich voor mij. En daar zat hij dan: haar schorpioen, een kleine tatoeage op haar linkerdij. Het tempelbeeld rees op uit haar duizendjarige slaap. Zij stond voor me, in vlees en bloed.  Sinds ik bij haar ben volgen we elke avond hetzelfde ritueel. Ze neemt me mee in haar bed en ik kijk toe hoe ze haar minnaar ontvangt, hoe zij deinen tussen de lakens, hoe zij haar hoofd naar achter legt en haar zacht gekreun de kamer vult. Zij berijdt hem, en daarmee bevrijdt zij zichzelf. Zij bepaalt het ritme en het rijm, en zo vergeet ik alle regels die mijn schrijver me ooit had opgelegd. Ze likt mijn letters warm en vloeibaar tot ik opnieuw druipende inkt ben. Haar vingers, nat van haar opwinding, vermengen zich met mijn inkt en zo beginnen we een nieuw verhaal te schrijven. We ontbranden samen in een nieuw lichaam, versmelten in wederzijdse overgave, in een zinderende sensualiteit die zich niet laat sluiten door een kaft.  Langzaam maar zeker wist ze mijn geheugen. De olifant? De waterval? De geopende boog? Ooit waren deze standjes mijn trots. Nu roepen ze slechts verre herinneringen op. Ik wist het beter, tot zij zonder genade mijn mannelijke kijk aan diggelen sloeg. Ze vermorzelde mijn grootspraak en het verwaande idee dat ik zou weten wat een vrouw begeert. Met haar treed ik een nieuw tijdperk in. Ik, de enige Kama Sutra letter voor letter herschreven door een vrouw. Ik laat mij gewillig met haar woorden vullen. Net zoals zij koester ik die zachte maar niet aflatende drang om elke vrouw te raken tot ze ontwaakt, helder en ongeremd, eindelijk thuis in zichzelf. De regen tikt zacht op mijn kaft terwijl ze me in haar handen houdt. Haar warmte begint af te nemen maar ik houd me stevig vast aan het gloeiende ritme van haar adem die nog in mijn zinnen verweven zit. De straat geurt naar nat papier, naar afscheid. Daar is de bibliotheek, geduldig wachtend. Ze wandelt binnen en zet me in het boekenrek. Voor een seconde aarzelen haar vingers, alsof ze nog iets wil zeggen, en dan is ze weg. Ik blijf achter, licht vochtig en zwaar van gemis, in mijn gloednieuw letterlijf.

Jolien Van de Velde
350 1

Supernova in opleiding

Ik wandel de nacht in, de afnemende maan in mijn kielzog. In de lucht hangt een zoete vochtigheid. Ik zuig mijn longen vol en proef. Het is de stroperige geur van minnaars die elkaar na lange tijd opnieuw aanraken. De aarde is beregend, en wordt eindelijk opnieuw begeerd. Ze keert terug naar een vloeibare staat waar scheppingsdrang kan gedijen. In het dampende hemelwater dat over de straten hangt ben ik de Venus van Botticelli die onwennig uit haar schelp stapt. Ik word één met Aphros. Ik ben het ongeboren schuim dat op de golven rust. Uitgeput laat ik me dragen tot ik ergens aanspoel. Bij mij zullen er geen Horen zijn die me ontvangen, een mantel om mijn schouders draperen. Ik ben geen godin, slechts een mens. Slechts een vrouw.  De wolken drijven uit elkaar en aan de hemel verdringen sterren elkaar om gezien te worden. Ik staar naar de ongegeneerde zelfonthulling. Ik probeer mijn eigen hemellichaam te voelen maar mijn glans is weg. Ik ben een Rode Reus, mijn kern is op en ik duw het hele leven verder van me af. In mij zwelt onrust, ik ben een stervende ster. Ik zoek Venus aan de hemel, en zie haar schitterend aan het firmament liggen. Zij bezoekt me met haar beminnelijke glimlach, ze zwelgt in haar oneindigheid. Zou ze weten dat ze binnen enkele miljoenen (of miljarden) jaren ook zal eindigen zoals alles hier op aarde? Zou ze weten dat ze gulzig opgeslokt zal worden door de zon? Ik stap door, er trekt een lichte trilling door mijn lichaam. Ik weet al wat ik zal worden. In mij begint een kettingreactie die niet te stuiten is. Elke cel van mijn zijn siddert. De supernova trekt zich op gang, mijn brandstof is op. Ik zal instorten op mijn eigen kern en ontvlammen in de helderste explosie die niemand ooit zal zien.  In het natte gras blijf ik stilstaan, ik voel hoe de nacht mijn lichaam streelt. Blijf nog even, fluister hij in mijn oor. Nee, fluister ik terug. Ik mag niet ondergaan in jou. Ik weet het, ik ben geen godin, ik ben slechts een mens, slechts een vrouw. Ik moet voeden, vrijen, weten, denken, begrenzen, koken, begrijpen, fluisteren, doorgaan, doorgaan, altijd maar doorgaan. Ik wervel rond mijn eigen as en wacht tot wanneer ik instort. Ik maak me los uit zijn greep, en vertrek naar het huis dat op me wacht. Zoon en dochter. Man. Ik vervolledig het sterrenteken dat gemaakt lijkt voor de eeuwigheid. De nacht wordt even te donker en ik verdwijn in de contouren van mijn silhouet. Wat nog overblijft van angst, ebt weg. De sleutel gaat in het slot. De supernova-explosie is nog heel even afgewend.   

Jolien Van de Velde
36 0

Moederzee

De zee omsluit mijn lichaam. Nergens om mij heen is land te bekennen. Ik ben van alle zwaarte ontdaan. Ik laat het water door mijn vingers glijden en lik ze daarna af. Ik proef. Het water is verrassend zoet. Ik laat me kopje onder gaan, laat me door haar naar beneden trekken. De bodem zal ik nooit bereiken, ze is eindeloos. Onder haar oppervlak, dichter bij haar onvindbare schoot, blijf ik ademen. Ze geeft me leven, ze brengt me in een beruste staat van een eindeloos zijn. Ik verschuil me in haar. Stilaan vergeet ik dat er ooit zoiets bestond als land. Ik wil in deze staat blijven leven, verborgen in het water dat me draagt en voedt.  Ik keer in de zee terug naar de toestand voordat mijn bestaan op land begon. Toen ik als een nieuwe drenkeling op de aarde geworpen werd. Dat kleine hoopje weerloosheid dat proestend en ontzet de kust bereikte, en op het droge onbuigbare land moest leren leven. We worden allen weggerukt uit de vloeibare toestand waarin we gewichtloos drijven in de warme nabijheid van moeder. Het is de moederzee die ons gemaakt heeft.  De reis van het lichaam trekt over het onherbergzame land, maar de reis van de ziel brengt ons naar het hart van de zee. Waarom worden wij aangetrokken door de zee? Omdat het ons terugbrengt naar het begin, naar de essentie, naar het vruchtwater waarin we groeiden, waarvan we dronken, waar we altijd troost vonden, waarin we ons in slaap woelden? Omdat onze oorsprong terug leidt naar zilt zaad en zoet vruchtwater? Nu ben ik zelf moeder, en mocht ik die oceaan in me meedragen. Tot driemaal toe. In mij zwol de zee. Ik werd water waarin ik drenkelingen droeg, ik puurde essentie uit mijn lichaam en daaruit vormde zich een leven. En dan nog één. En dan nog één. Ik klotste, ik barstte, en liep één keer een schipbreuk op. Ik moest een kind teruggeven aan de golven, aan de nietsontziende kracht van het zoete nat. Ik werd één met de baren. Ik werd een baarmoeder, een moeder van golven, van het leven dat heen en weer beweegt in en rondom mij.  Ik herinner me nog de weeën en het vruchtwater dat uit mij stroomde. Een rivierdelta werd ik waar de zee het land ontmoette. Bij elke beweging stroomde ik meer. De drenkeling zou zich weldra op het land werpen en een eerste kreet uitstoten. Hij of zij zou voor de eerste keer de longen moeten vullen met zuurstof. Leren dat de longen niet meer gevuld zijn met haar. Met moeder.  Moeder. Zee. Water. Vloeibaarheid. Eenheid.  Mijn moeder. Zij lag aan de horizon maar kwam nooit dichterbij. Ik stond aan haar branding, luisterde naar het eindeloze komen en gaan van haar golven, alsof ze me dichterbij wilde, maar telkens terugdeinsde op het laatste moment. Soms hoorde ik een fluistering in het schuim op haar woelige golven, soms bleef haar zee zo glad als een spiegel. In die kalmte schuilde geen rust maar afstand. Haar getijden vormden het ritme van mijn kinderlijk gemis. Een moeder hoort een haven te zijn, maar ik zie in haar enkel een horizon. Ik richt mijn blik op haar einder, maar vanbinnen weet ik dat ze ongrijpbaar zal blijven. Ik werd een haveloze vrouw.  Ik maak dus maar mijn eigen oerzee, en nu ik laat me gewillig onder het wateroppervlak glijden. Het water sust mijn gedachten. Ik ben weer gewichtloos, ik dein mee op de stroming met boven mij de golven die af en aan rollen. Ik baar mezelf opnieuw op deze wereld.     

Jolien Van de Velde
123 0

Caravaggio & Artemisia

De lege bank en het tafeltje. Dat maakt dat je rechtover mij komt zitten. Ik zit met mijn ogen en mijn gedachten in een roman over het leven van kunstenares Artemisia Gentileschi, en ik ben net aan de passage toe over het werk ‘Judith onthoofdt Holofernes’ van Caravaggio. Misschien heb je ooit het werk gezien? Een jonge vrouw heeft het bijna volledig afgesneden hoofd van Holofernes in haar hand, maar wat Artemisia opvalt in het schilderij is niet de gruwel van het tafereel. Nee, zij heeft enkel oog voor de tepels van Judith die zacht door het witte hemdje heen priemen. Denk je ook niet dat dit een metafoor is voor de wereld vandaag? Naïeve vergankelijke schoonheid die vluchtig het onbehagen van de realiteit wegmoffelt. Heel even moet ik denken aan mijn eigen borsten, hard gezwollen door de melk, maar ook week en zacht door het moederschap. Je schuifelt wat heen en weer, onze knieën komen zo op nog geen centimeter van elkaar te zitten. We zinderen, ik voel de kleine elektrische golfjes die tussen ons drijven. Ik kijk in het raam naar je gezicht dat verlicht wordt door het blauwe licht van je laptopscherm. We zitten op de trein naar Leuven, dus misschien ben je een docent. Voor een student lijk je me te oud. Je grijze haren, de zachte groeven in je gezicht. Je blauwgrijze ogen, waarbij je linkeroog iets meer dicht staat door je hangend ooglid. Ergens straal je een doordeweekse weemoed uit. We zijn in het midden van de week, maar in je ogen zijn we nog afgelopen weekend. Of enkele jaren terug in het zuiden van Frankrijk waar jij een glas rode wijn drinkt, en je afvraagt of het leven ooit nog anders zal worden. Dan zie ik dat je kort mijn blik zoekt, me ook aan het peilen bent net zoals ik jouw verhaal al aan het schrijven ben. In dat korte moment kunnen we plots niet meer ontkennen dat we vreemden voor elkaar zijn. Er verschuift iets, en ik kan niet stoppen met schetsen. Zoals Artemisia haar penseel gebruikt, zo creëer ik met woorden jouw personage dat plots een nieuw levenspad bewandelt. Ik kijk om me heen om mijn onrust te verbergen. Door zijn blik ben ik me plots bewust van de lijntjes in mijn gezicht die na de geboorte van mijn zoon dieper liggen. Mijn onopgemaakte gezicht dat de vermoeidheid van vele gebroken nachten verraadt. De trein raast door het landschap, en ik kijk hoe we de stad naderen. Het frisse groen wordt stilaan vervangen door grijze eentonigheid. De stem van de treinbegeleider, een krakende deus ex machina, verbreekt de betovering. Ik maak me los uit mijn pose en ik trek mijn jas aan. Even voelt het alsof ik naakt voor je zat en ik mijn kamerjas opnieuw over mijn schouders drapeer om jou verder te laten schetsen, enkele details die niet bij mijn lichaam horen toe te voegen. De realiteit die langzaam ombuigt tot fictie. Ik ken je niet maar heel even was je Caravaggio. En ik je Artemisia. Onze schetsen worden opgeborgen tot een volgende ontmoeting die er nooit meer zal komen. 

Jolien Van de Velde
190 3

Automatisme

De nacht ligt als een zwaar deken op haar. De wind sluipt binnen langs de brievenbus, roffelt op de rolluiken van de buren. Op de wekker ziet ze dat het bij half drie is. Midden in de nacht, de uren waarin alles tot leven lijkt te komen: krakende traptreden, zacht getik op het raam, een flauw gekuch op zolder. Ze ligt roerloos onder het laken, met haar ogen op de rode cijfers van de wekker gericht. Er was een tijd waarin ze de schrik voor de nacht overwon door auto’s te tellen. Elke auto die toen aan haar ouderlijk huis voorbij reed was een bevestiging van het leven zelf. Ze vertelden dat er nog andere mensen waren. Mensen die zeker iets dringends te doen hadden, anders zouden ze de moeite niet nemen om midden in de nacht door het uitgestorven plattelandsdorp te rijden. Het zachte geronk van auto’s was een geruststelling, de belofte van een wereld die op z’n minst nog één keer een vervolg aan het bestaan zou toevoegen. Soms was het lang wachten. Dan sloeg de schrik haar om het hart. De stilte dijde uit, en zij woelde steeds heftiger in het kleine bed. Zou het leven dan toch zomaar eindigen, op een maandagavond? Ze hoopte dat het dan gewoon snel zou gaan. Van het éne op het andere moment veranderen in een stofzuil bijvoorbeeld. Of uit elkaar spatten als een zeepbel. Toen ze acht jaar oud was vond ze dat laatste een geruststellende gedachte. En toch was er altijd die éne wagen die haar in slaap wiegde. Die zacht suizend suste dat het allemaal goed was en dat ze de ogen kon sluiten.

Jolien Van de Velde
37 1

Ondraaglijk licht

Vandaag fiets ik voor het eerst dit jaar met de zon naar het werk. In mijn kielzog schittert het hemellichaam dat ons binnen enkele miljarden jaren genadeloos zal opslokken. Daarachter ligt het universum dat al 13,8 miljard jaar uitdijt. Het is een grote verantwoordelijkheid om met het gewicht van het bestaan op de schouders door te fietsen, maar ik houd mijn snelheid aan.Zeven miljard jaar geleden botste er trouwens een sterrenstelsel met onze Melkweg. Dit zou ons geluk geweest zijn. Anders waren wij waarschijnlijk rotsen. Of gas. Of een regen van saffieren.Zeven miljard jaar. Hoe verhouden wij ons tot die tijd? Nog geen halve oogwenk zijn wij. We zijn zelfs niet het oog dat dichtvalt. Misschien net de prikkel in de hersenen die het bevel geeft daartoe. Dit is onze tijd in het universum.Als wij nog geen oogwenk zijn in de eindeloosheid van de tijd, waarom dansen wij dan niet vaker? Er is niemand die naar ons kijkt. Wat houdt ons dan tegen? Met het oog op een zekere vernietiging moeten we net elke dag schoonheid scheppen. Het is onze missie.Uiteindelijk drijft alles in het universum uit elkaar. Eerst wordt de aarde nog verzwolgen door de stervende zon. En dan zullen ook de sterrenstelsel verder en verder van elkaar weg dobberen. Niemand die elkaar uitwuift. Eenzame sterrenstelsels in een steeds donker wordende duisternis.Ik zet mijn tred door, bijna aan het kantoor. Met de zon voel ik ook een andere warmte uit het Oosten. De ongemakkelijke warmte van oorlogsgeroffel. Maar ik doe alsof ik dat niet voel. Ik fiets met de eerste zonnestralen van het jaar. Ik dans.

Jolien Van de Velde
109 2

De was

Onze eerste grote aankoop toen we gingen samenwonen, was een wasmachine. Het bevestigde als het ware onze relatie, wij waren op dat moment een huishouden geworden. Fier toetste ik aan de kassa vier cijfers in, waarbij de drie goedkeurende biepjes vertelden dat we net het summum van volwassenheid hadden bereikt.De was is immers de laatste veldslag bij de voltooiing van het volwassen leven. Moeders vullen de vrijgekomen leegte van het nest maar al te graag met de zakken vol vuile was die zoon- of dochterlief nog eens binnenbrengt. Het is een ritueel waarin beloofd wordt dat er nog een regelmatig contact is. Het is ook een vorm van diep vertrouwen, waarbij moeder zomaar toegang krijgt tot het linnengoed waarin misschien een zweem van een nieuw vriend of vriendin hangt. Zou zij aan de lakens ruiken? Tot waar brengt de nieuwsgierigheid haar?Het was een vriend die me onlangs wees op de zwaar beladen symboliek van zoiets banaals als vuile was. Toen hij alleen ging wonen nam hij zijn moeder mee naar de kringloopwinkel waar ze samen een wasmachine uitkozen. Toen de keuze viel, zakten ook de schouders van zijn moeder. Nooit had hij zich kunnen voorstellen dat zij bijna huilend naast hem stond terwijl hun blik op een tweedehands wasmachine rustte. ‘Nu weet ik dat ik voorgoed kwijt ben’, zei ze met bevende stem. De laatste veldslag was gestreden. Het huishouden werd overgedragen en de voorwaarden van hun band zouden langzaam herschreven worden.Elke week nog ga ik met mijn vingers over het schermpje van onze wasmachine. Het is een schaars moment waarop ik zeker kan zeggen: hier staat een volwassen mens.

Jolien Van de Velde
67 5

Treurwilg

Het regent. Ik weet niet of het al regende in dit nieuwe jaar. Toch wil ik wandelen. Ik trek mijn sportschoenen aan. Waterdoorlatend. Ik weet dus wel zeker dat ik straks voor het eerst natte sokken zal hebben dit jaar. De Brugse Reien liggen er rustig bij. Het regent ondertussen niet meer. Mijn sokken worden wel nog nat. Ik blijf even staan bij de treurwilg die in de bocht van één van de reien staat. De druppels die van de kale takken glijden trekken cirkels in het water. Net op dat plekje regent het nog. Een treurwilg. Letterlijk. Een trieste boom, enkel nog tak en stam en traan. Helemaal ontdaan van het loof. Naakt in zijn boom-zijn. Ergens las ik dat wij ook zo moeten worden. In de winter. Ondergedompeld in verstilling. Ontdaan van de drukte. Geen schermen meer die blauw licht afvuren. De moderne naakte mens, zonder attributen, zonder digitale status. Ingestopt onder een warm deken met enkel het geluid van tikkende regen op het raam. De moderne naakte mens ver weg van de vrolijkheid die het leven moet zijn. Er is rouw. Er is melancholie. Er zijn bedenkingen. Er is menselijke regen die van de takken moet druipen. Zo zuiveren we ons tot de lente. Ondertussen kringelen meer regendruppels in het water. Het regent opnieuw. Het regent, het zegent, zei mijn moeder ooit. Het wordt vooral nat, denk ik. Mijn klamme sokken soppen in mijn sportschoenen. De Brugse Reien vallen even grijs uit als de wolken. De regen komt neer op de kasseien. Nu is het enkel nog wachten. Tot de lente komt.

Jolien Van de Velde
53 0