Mijn woorden zijn als een opgedroogde kreek in de Limburgse velden; merendeels sta ik droog, maar eens - op de dertiende maand, op het dertiende dag, wanneer de klok het dertiende uur luidt - volgt een stortvloed uit het niets en verdrinkt het het landschap. Een stuiptrekking van de natuur, geen malaise of kwaadwilligheid.
Ik had meer moeten praten wanneer het er echt toe deed.
Mijn woorden zijn als de eerste vonken die oversloegen van de half uitgedoofde sigaret, argeloos op de grond gesmeten door een zelfverklaarde “natuurliefhebber” in het bos, op een droog en verdord blad tijdens de derde hittegolf van deze zomer. Ik wilde mijn warmte delen met mijn omgeving, en voor ik het wist stond alles rondom mij in lichterlaaie.
Ik had minder moeten spreken wanneer het ertoe deed.
Mijn woorden razen soms door mijn schedel als een orkaan, waar het alles op zijn pad opzuigt, en het een spoor van vernieling achter zich laat. De storm is te sterk, het breekt uit mijn schedel, mijn ogen, mijn mond, naar de buitenwereld, en vervolgt daar zijn pad van destructie. Ergens tussen de brokstukken van de ravage ligt wat ik ooit nog waardevol vond.
Ik had mijn gedachten anders moeten verwoorden.
Mijn woorden waren de reflectie van mezelf die ik zag in het marmer dat leven gaf aan duizenden beelden doorheen de geschiedenis van de mensheid, en voelde hoe hun schoonheid ijzig koud was wanneer ik mijn hand in hun hand plaatste. Ik vroeg aan de edele steen om zichzelf te openbaren voor mij, om te tonen hoe diep hun pracht reikt. Met een verwoestende zucht brak het open in duizend stukken, en toonde het niets meer dan dezelfde steen. Ik durf niet te vragen of ik van marmer ben.
Ik had geen vragen mogen stellen.
Mijn woorden waren spoken van achteloos getroffen opmerkingen en vlijmscherp geworpen pesterijen, die als een koekoeksei hun plek hadden gevonden in mijn klein nestje. Zorgend van nature, ontfermde ik me over dat vreemde jong, want het lag in mijn nest, dus het was van mij, of op z’n minst toch deel van mij.
De koekoek vrat en vrat en ontnam alles van mij tot het moment dat er niets meer over was voor mij. Het verliet het geruïneerd nest en ik bleef achter met een ziekelijke versie van het lege-nest syndroom. Geconfronteerd hiermee stelde ik mezelf de vraag, ‘als ik niet het koekoeksjong ben waar ik zoveel jaren voor zorgde, wie ben ik dan wel?’ en vond tot mijn verschrikking geen antwoord.
Ik had mijn oude dromen en nieuwe kansen moeten beschermen.
De stilte waarin ik stond suste me wanneer ik keek naar het wegebbende water,
de dwarrelde assen,
de ademende wind.
Na de ravage sta ik op vruchtbare grond.
Het marmer wenst een vorm.
Ik ben koekoeksvrij.
