Eden Oscar

Over Eden Oscar

Een klein hart tekent een beeldende en integere reflectie. Het biedt u een open uitnodiging om u te vervoegen in een kwetsbare zoektocht naar vervolgen en relazen.

Teksten

Stoten uit een blinde hoek

Ik zet me op de stoel aan de tafel in de bar waar een jaar geleden een oudere dame zat die gretig probeerde te achterhalen waar ik nu ‘echt vandaan kwam’. Het is zeker niet de eerste keer dat ik een ‘aanvaring’ heb met mensen die geïnteresseerd zijn in mijn raadselachtige etniciteit. Dat betekent niet dat ik daarom goed voorbereid ben op het type ijsbreker dat start met een “Excuseer, maar –” en niet met een “Hallo, ik heet [XXXX], wie ben jij?”. Een ongepaste vraag, die ik probeer zachtjes weg te lachen bij gebrek aan een beter antwoord. Nu ik hier, een jaar later, haar plaats bezet, heb ik nog altijd geen correct antwoord op haar vraag. Blijkbaar zou dit wel bestaan – assertief, geestig, een tikkeltje brutaal zelfs – als ik mijn witte vrienden en familie moet geloven. “Je had haar een lesje kunnen leren! Je had haar neer kunnen zetten en kunnen uitleggen waarom dergelijke vragen kwetsend en frustrerend zijn!” Een ietwat begrijpelijke reactie van mensen die nooit verder dan de schaduw van de kerktoren hoefden te reizen om al hun familie te zien. Om andere mensen met hun eigen tinten en vormen te zien. Daar zijn ze onder gelijken. Zo gelijk zelfs, dat ze misschien wel verlangen naar iets dat hen net een tikkeltje unieker zou maken. Maar dat nog altijd sociaal aanvaard is, uiteraard. “Waarom zeg je niet gewoon wat je origines zijn? Dat is toch niets om beschaamd over te zijn?” Alsof schaamte het gevoel is dat ik ervaar als ik me gevangen voel in hun wit koplicht. Het zijn goedbedoelde vragen, goedbedoelde opmerkingen, stoten uit een blinde hoek. Ik deelde dit voorval, samen met vergelijkbare voorvallen uit het verleden, met mensen die ook deze vragen krijgen, al dan niet vaker dan ik. Ook hier pik ik een patroon op. De ene persoon reageert met een lach en een grap op mijn eerste anekdotes, de andere met wat argwaan in de ogen. Maar na een openhartig gesprek vinden we herkenning en erkenning in elkaars levenservaring. Er volgt geen simpel advies, geen geestige ‘comebacks’, geen gemakkelijke oplossingen.

Eden Oscar
0 0

Mijn mama is een taart

Iedere ochtend ontwaakt mijn mama, en start ze plichtsbewust aan haar dag. Ze kneedt zichzelf in de vorm waarin ze dient te passen, en kiest met welke vulling en toppings ze zichzelf versiert die dag. Appelen, peren, krieken, pruimen, wat meringue of amandel, en vergeet zeker niet een rijkelijke toets room! Ze geeft aandacht aan hoe het oog de maag verleidt, zodat de mensen een stap in haar richting zetten. Een eierwasje vormt een uitnodiging om de blik over haar gouden korst te laten glijden, haar essences en aroma’s dienen om de neus te bekoren, en het totaalplaatje verleidt om je tanden diep in haar kern te doen zinken. Haar liefde vloeit in de fluwelen siroop die haar doordrenkt. Fleurig, fruitig, zacht, en zoet, zo ken ik ze wel. Ze wil ons voeden, dat weet ik wel. Vreemd genoeg voel ik me nooit echt gevuld. Iedere ochtend biedt ze me een beet aan. Iedere ochtend zit ik op mijn honger. Hoe ouder ik word, hoe meer ik zie van de wereld, hoe meer ik ervan wil proeven, hoe meer de mogelijkheden me smaken, hoe slechter haar taart valt op mijn maag. Haar geglazuurde glans lijkt altijd meer te beloven dan dat ze ooit echt kan geven. Deze ochtend is een ochtend zoals een andere. Ik tref mijn mama op de vensterbank, afkoelend van haar harde werk. Ze begroet mij:   “Ach me jonk, zijt ge al do! Vergist u niet, al is wel kloar. Wa geduld, ‘kzènnekik nog te héjet. Mah bekans, joa bekans, krijg ge wel euw beet!”   Ik kijk naar mijn mama, en zie wie ze is vandaag. Karmijnrood vanbinnen, knalroze siroop rijkelijk besprenkeld bovenop, en romig wit helemaal rondom – ze is gelaagd maar gekend; Een klassieke aardbeientaart, zoals je ze alleen maar treft in de meest appetijtelijk ogende kookboeken. Als een hond bij de bel kwijl ik binnensmonds, maar mijn maag keert zich om. Ze wilt ons voeden, maar ik heb geen trek.   “Zo, me jonk, zedde gereed? Ge moet nog zo gruien, dus hier – neemt u e beet.”   “Wat hebben we nog?”   “Wasda nou? Zijde zeek? Neemt enkel e kletske, dan worde nie bleek.”   “Ik – ik voel me prima, mama. Ik heb gewoon niet zo’n goesting in een stuk taart.”   “Mah jonk toch! Wa zegde gij? Ge eet déés ieleke morgent, en ‘t maakt u altied zo blij!”   “Ik eet het iedere ochtend, omdat je nooit iets anders geeft! En ik wil het niet!”   “Zo’n attitude kan krei vertieren! Eet nu, en laat os hier nimmei over schmieren.”   De rommelende donder in mijn maag blijkt sterker dan de regenwolken en bliksemschichten in mijn ogen. Mijn mama, de prachtige aardbeientaart, werpt me een bezorgde blik.   “Ek em enkel ‘t beste met u voor. Iejen êtteleke hap, en ek geef u men oor.”   En hoewel mijn maag uit mijn lijf lijkt te willen kruipen, en iedere zenuw in mij smeekt om al dat spul buiten mij te houden, is die belofte van mijn mama te groot. Dus ik bijt op mijn tong, grijp de vork in mijn hand,breek de onberoerde oppervlakte van mijn mama,open mijn trillende lippen,neem de taart in mijn mond,en slik het door.   Iets is anders aan haar vandaag.Iets kleeft. Iets plakt.   Ik probeer te smakken, maar mijn kaken verstijven. Mijn kiezen kleven aan een. Mijn tong, dat dreunend en zwellend plak vlees, scheurt zich met moeite van mijn gehemelte, en klit zich aan de onderkant van mijn mond. Ik slik, het ongemak zo hopelijk weg, om alleen maar alles in mijn mond stroperiger te doen voelen. Dat siroop slibt dieper neerwaarts, ik voel het mijn keel dresseren, als friszoet pek dat alles overneemt.  Ik kijk naar mijn mama, de klassieke aardbeientaart, en voor ik zelfs maar kan proberen een klank van onrust en paniek te maken, spreekt ze:   “Ach me jonk, ge voelt nou gin glans. Mah voor u ligt er e hennige kans!Euw vieraars ginge ook over déés pad. Ook zij hemme dien hennige sjans gehad.Geloof me jonk, ‘t es plezeering om os te zeen. Ge gaat u dankbaar voelen, en ‘t houdt al aaneen.Wellie voeden, wellie vûlle, wellie maken den buiken vol. Vruger of loater wordt déés ook euw rol.Loat me u helpen, e vloai zeen is en eer. Déés lèèste beet doet et gerinste zeer.”   Mijn huid kraakt en krakelt. Mijn gewrichten lijken te verstijven. Ik stik en verslik in dit aarbeienslik. Ik zoek naar mijn eigen reflectie, en zie hoe dat mijn lichaam muteert in iets dat ik niet ben. Mijn huid meer en meer gouden gezwollen, mijn ogen bloesemend als verse bessen, mijn blik steeds rozer getint, mijn brein steeds meer dichtgeslibd, mijn stem steeds meer klevend versmacht, mijn hart steeds harder bonzend in mijn borstkas – ik staar naar dat groteske spel voor mij.   Wah is da da ek zien? Of is déés wah een wien?Wach, wah is déés afzichtelijk patroon?Ek klènk nimmei as me eigen persoon.Nei, déés kan neet, déés is neet wien ek zen!Loat ‘t stoppen vooraleer ek mezelf neet mier herken!Ek smeek naar al die me kunnen horen:Loat déés vlees mien geest neet versmoren!Is déés dan al? Met eeuwige zeer?Déés is den vrucht, ondanks mien afkeer.Wah ek ken, is neet mier. Wellie lopen déés pad.Alzelééven vur me leven, gelijk men monne ook betrad.       Men monne is e vloai, en ‘kzènnekik dat ook.E tradiese op generatie, zo zuut dat ek kook.Den zaolëgste vruchten en e kos vá goud.Ek smaak no woar gij ‘t mieste vá houd.‘t Is wêrreke al dagen, doch zènnekik zo froj.Want gij, den wereld, eist pertang die vloai.Me jonk, ge moet wete, den wereld is vrieët.Want bekans, joa bekans, krijgt ge ook wel euw beet.

Eden Oscar
6 1

“Je bent nog jong!”

Ieder jaar mag ik tussen Kerst en Nieuw een kaarsje extra uitblazen. Vaak is het een vrij bescheiden dag, met een handjevol geliefden rondom me. We delen een drankje, een hapje, en lachen met de jaren die gepasseerd zijn en de jaren die nog gaan komen. Rond deze tijd neem ik ook graag een moment om te reflecteren. Eén van de zaken die ik al langer bezin, is de stijgende frequentie waarin ik te horen krijg dat ik ‘nog zo jong ben’, en ‘dat ik nog zoveel tijd heb om de zaken uit te dokteren in mijn leven’. Het lijkt haast dat hoe ouder ik word, hoe meer mensen mij op het hart drukken dat ik jong ben. Nochtans behoor ik als een eenendertigjarige man – volgens meerdere gehanteerde definities – niet meer tot de jeugd van tegenwoordig. Op mijn zesentwintigste verloor ik al meerdere jongerenvoordelen (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass), en dertig worden was de laatste nagel in de kist van mijn jeugd. Dus waarom hoor ik de afgelopen jaren steeds meer en meer dat ik ‘nog zo jong ben’?  Begrijp me niet verkeerd, de opmerking komt nooit vanuit het niets. Het is vaak een sussend antwoord op de voortdurende vraag van tijd. Ik durf mezelf omschrijven als een ‘laatbloeier’, en maak me dan ook zorgen over de gespendeerde en resterende tijd. Ga ik nu nog kinderdromen najagen wanneer ik me eigenlijk moet focussen te settelen? Verrassend genoeg krijg ik meer en meer een milde ‘ja, ga ervoor’. ‘Waarom ook niet?’. ‘Je bent nog jong’. Minder kritiek, minder sneren, minder twijfels. Voornamelijk aanmoediging, en de tedere herinnering om mijn tijd te nemen. En hoewel ik dankbaar ben om omringd te worden met geduld en zachtheid, vraag ik me ook af waarom ik dit meer en meer krijg nadat ik zesentwintig jaar werd. Ik kijk terug naar mijn tienertijd, waar ik me ouder – niet per sé volwassener! – voelde dan dat ik nu ben. Hoewel ik daar ook regelmatig aangemoedigd werd om dromen te volgen, voelde de tijd en ruimte véél spannender en benauwder aan om te beslissen wat je nu echt wilt doen. Waar je thuishoort. Wie je wereld is. Sommige jongeren worden op hun twaalfde al opgeleid voor een stiel waar ze dan de rest van hun leven inzitten. Op hun zestiende krijgen ze te horen dat het dan te laat is om te wisselen. Ze zijn gezet voor het leven. Het lijkt alsof we elkaar iets sneller ademruimte willen gunnen, iets meer genade willen tonen, wanneer we ouder zijn. We zien de sluimerende onzekerheden in elkaar, en wensen dit te zalven: ‘Je bent nog zo jong’. En hoewel ik heel dankbaar ben voor de mildheid die ik nu meer en meer krijg, de ademruimte om te exploreren en experimenteren, zou ik ook graag de mildheid van jong-zijn willen geven aan onze huidige jeugd. Degenen die wel jonger dan dertig zijn, en die nog wel gebruik konden maken van de jongerentreinpas – mocht deze überhaupt nog bestaan (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass, tout cours).  De manier waarop nu over jongeren gesproken wordt door sommige ‘volwassen’ mensen druipt van pure minachting. Er lijkt steeds minder ademruimte te zijn voor jongeren die zich zorgen maken over hun toekomstkansen en welzijn. En dan spreken we niet eens over de kinderen en jongeren die niet de kans krijgen om volwassen te worden, om te horen dat ‘ze nog zo jong zijn’. De wereld dreigt boven hun hoofden, hun families en gemeenschappen worden uiteen gereten, en de hemel kan ieder moment boven hen instorten. Het zijn niet kinderen en jongeren die verantwoordelijk zijn voor de acties en beslissingen waar zij het ultieme slachtoffer van zijn. En toch krijgen zij continu te horen dat ze moeten zwijgen, geen verweer of verzet mogen geven, en dankbaar moeten zijn dat ze nog niet alles verloren zijn – als dit zelfs maar de realiteit is voor hen. Apathie en hopeloosheid aanwakkeren lijkt het doel van onze ‘volwassenen’ voor de jeugd van tegenwoordig. Al een geluk dat de jeugd dat niet zomaar slikt! ‘Je bent nog zo jong’, zeggen we tegen elkaar. Het is een zalvend mantra voor het innerlijk kind. Ik ben dankbaar voor de mildheid die me steeds meer en meer gegund wordt. Ik gun het ademend kind en jongere even hartelijk het jong-zijn dat wij elkaar zo graag toewensen.

Eden Oscar
7 0

87 Ben je bang om complimenten te krijgen?

Ik ben niet bang om ze te krijgen. Ik ben wel voorzichtig om ze te accepteren, of ze te aanvaarden als een objectieve realiteit. Een compliment is een zoveelste interpretatie van wie ik ben als persoon – en een incompleet beeld ook nog eens. Mensen zijn al vaker fout geweest over wie ik ben als persoon. Ik wil liever niet mezelf vastklampen aan een vertekend, afgelijnd beeld van wie ik ben. Negatief of positief.   Is dat niet wat hard, of kort door de bocht?   Vast wel. Maar het komt uit een plaats van goeie wil. Bovenal, boven alles, ben ik nieuwsgierig. Leergierig. Wil ik groeien en bloeien. Uit ervaring weet ik dat afbrekende opmerkingen, of slecht gegeven feedback, weinig tot niet motiveren. Toch wil ik geen waanbeelden van mezelf ontwikkelen. Ik geloofde te lang dat ik de zaken niet waard was, wat het ene ongezonde extreme is. Ik vrees dat ik opnieuw uit balans zou vallen, maar in de andere richting.   Dragen complimenten dan niet bij aan een gezonde balans?    Toch wel. Ik merk dat het werkt bij mijn vrienden, mijn familie, mijn vrijwilligers en collega’s. Ik benoem hun sterktes, spreek hen moed toe, troost hen en denk concreet en praktisch met hen na over hoe bepaalde zaken anders aan te pakken in de toekomst. Stralen dat ze dan doen! Het zijn die momenten dat ik ervaar hoeveel vitaliteit en kracht een woord kan bevatten. Ik wens hen die kracht en vitaliteit van harte toe.   Wens je het jezelf dan niet toe?   Natuurlijk wel!   Waarom aanvaardt je dan dergelijke opmerkingen niet voor jezelf?   Een dubbele standaard? Misschien geloof ik nog niet dat ik het heb verdient. Een inherente, aangekoekte overtuiging dat complimenten leiden tot stagnatie. Er is dit idee dat complimenten naar mijn kop zouden stijgen en ik geen groeiopportuniteiten kan zien voor mezelf. Of comfortabel blijf met mijn huidig level van vaardigheid. Ik wil graag blijven groeien, en ik heb schrik dat te veel licht me verblindt.   En wat als het licht het pad voor je verlicht?   Dat zou mooi zijn. Een bloem heeft zon en water nodig. En ik wil verdrinken noch verdrogen.

Eden Oscar
3 0

Zevenduizend vierhonderd en vijfentwintig kilometer weg van mij

De verstoorde azure waterrimpels, vervormd door de bonte boot, lijken weer hun natuurlijk ritme te vinden. Een groene lijn oerwoud snijdt de rivier af van de bewolkte lucht. Het zonlicht doet de huid en haren van de somber gestemde mensen stralen. Zelfs in het paradijs kent men afscheid. Drie mensen buigen zich over de rand van de boot. De oranje man verlost de inhoud van een doorzichtig, plastic tasje in het water onder hun. Op eenzelfde manier dat de lucht bevlekt is met witte wolken, krijgt de azure rivier asgrauwe vlekken. Rode bloemen vervoegen de aswolken, zachtjes bedeeld door een wit-blauwe jongedame. Het water ontfermt zich vanaf nu over de stoffelijke resten van mijn nani. Mijn ogen staren naar het tafereel voor mij, bevroren in de momentopname dat aan mij bezorgd was via het technologisch communicatiewonder van de 21e eeuw dat wij WhatsApp gedoopt hebben. Deze beelden, van as dat zich vermengt met water, zijn de laatste beelden die ik van mijn nani zal hebben. Ze zijn gekaderd door een ander, met een nauwkeurig oog voor wat op dat moment het belangrijkste was, en de nagelatenen in hun recht, verdriet en liefde laat. Ik vertrouw het oordeel van het oog. Ik veracht het beperkend, rechthoekig kader van mijn smartphone. Ik staar wat te lang naar de platte prent voor mij – mijn gedachten dwalend naar de azure rivier zevenduizend vierhonderd en vijfentwintig kilometer weg van mij – en het scherm verandert van een gedimde foto naar een reflectie van mezelf. De rode, droge, jeukende ogen die me aanstaren vanuit de weerspiegeling irriteren me mateloos. Mijn vinger swipet een paar keer over het ontgrendelingsscherm, en dan nog eens over de foto in het fotoalbum. Ik staar naar dezelfde oranje man, omringd door twee wit-blauwe vrouwen. Alledrie werpen ze een glimlach richting de fotograaf. Mijn ogen jeuken nog intenser, en een diep knagend besef kruipt dichter en dichter bij mijn hart. Geen enkele vorm van langeafstandscommunicatie – foto, tekst of video – kan de emotionele catharsis van afscheid schenken. Niet op eenzelfde wijze dat de nabijheid van een persoon die in hetzelfde schuitje als jij zit je kan schenken.

Eden Oscar
0 0