Dubbelglas ben ik: het gezicht van de stad,
waar het jaar hangt aan mijn versleten mouw;
de toekomst lees ik in een oud gebouw—
steeds denk ik aan de flat die mij eens betrad.
Het zwarte lood schraapt niet aan mijn stenen huid;
heel soms hangt er een laken voor mijn oog,
toch zie ik wel de drukte van het betoog—
dat ik ze binnen liet, was een goed besluit.
Er werden harde woorden in mij geplant,
een inkeping van het zwijgend verraad,
dat op een hoogspanningsveld was belust.
Ik slaap nu als een pagina in de krant;
mijn zicht is niet meer dan wat ik al had:
zeven strandstoelen aan een verlaten kust.
