Het vertoon van de wereld loopt voorbij
mijn venster: een manke fanfare breekt
in tweekwartsmaat de klinkers uit de straat.
Na de majoretten laat de Juglans regia van hiernaast
disharmonisch zijn noten vallen. Een moeder
schermt haar kind af dat met veel theater schreit.
Het tafereel graveert een spoor van schrammen
op het gemoed en de trommel van mijn oor.
Schoonheid heeft geen buitenkant, zit niet binnenin.
Het is een onwaarneembaar ding dat onverhoeds
in je schaduw glijdt.
