Het is de tijd waarin de beuken
hun bruin-gele botten openplooien.
Tussen roze pluizen sieren donutringen
en uitgestulpte grijze cirkels
hun stammen met fijne rimpels,
de make-up van hun winters.
Het is de tijd waarin je stuifmeel snoof,
niesde en tranen in je ogen had,
maar tot het bed waarop je nu nog rust,
dringen pollen niet meer door.
Je deur gaat dicht,
je luiken sluiten zich.