Onverstoord
zwerft het zwerfvuil
in het lelijk lamplicht der stationslantaarns
Omhuld door duisternis
lijkt het lege perron
zinloos lang
zinloos licht
verlaten
En toch
op bank zeventien
hij en zij
zwijgend
moe
alleen
wachtend
op de allerlaatste avondtrein
koud
Hij
– per definitie niet gelukkig –
zuigt verbitterd
het laatste gif uit zijn sigaret
voor hij ze neerwerpt
bij haar lotgenoten
Zij
– gelaten –
vraagt zich af of de plavuizen
zich niet eenzaam voelen
tussen zoveel sigarettenpeuken
kijkt naar hem
hij naar de sporen
die glimmen in het vuile licht
Een klok
tikt
weet niet of zij middag
danwel middernacht aangeeft
Stil
Koud
Donker
Vijftien banken verder
wacht een man
– eenzaam –
niet op de trein maar
op het doven van het licht
zodat hij eindelijk kan slapen
hij staart
kijkt al lang niet meer
Niets te zien
Koud
Twee gele lichten
zoeken hun weg door de ijzervlakte
Een eenzame luidspreker
ratelt redundant geruis
Daar is de trein
naar huis