Jan August

Gebruikersnaam Jan August

Teksten

Alles voor Lena

(Vervolg op "Lena")   Steven had zonet zijn vriendin bedrogen, maar hij kon niet anders. Ze had hem gedwongen – dit geschifte meisje dat plots in zijn appartement verschenen was. Ze had hem proberen te verleiden, maar dat was niet ge­lukt, natuurlijk. Je kan toch niet zomaar in iemands leven ver­schij­nen, hem op­slui­ten in zijn eigen stu­dio, en dan verwachten dat hij met je naar bed gaat? Maar het moest, zei ze. “Anders kleed ik me aan en ga ik weg, maar wie weet wat er dan gebeurt met die Lena van je...” Hij had Lena bedrogen, maar het was om haar te beschermen. Hij had het amper gekund, hij kon zich niet aangetrokken voelen tot deze onbekende indringster die God weet wat met zijn Lena gedaan had, laat staan dat hij opgewonden zou geraken. Maar ze bleef aandringen, bleef Lena bedreigen. Uiteindelijk had hij het gedaan, aarzelend, ge­for­ceerd, haast emotieloos. Op handen en knieën op de matras, zoals hon­den – hij had gezegd dat dat zijn favoriete standje was, maar de waarheid was dat hij haar gezicht niet wou zien. Hij kon het niet zolang hij haar krank­zin­ni­ge ogen voor zich zag. Het was maar matig goed geweest, vond ze, maar voor een eerste keer viel het nog wel mee. Hij lag hijgend op zijn rug en staarde naar het plafond. Karen lag naast hem, op haar zij, en streelde zijn borstkas. Hij liet haar begaan – hij had belangrijker dingen aan zijn hoofd. Zijn kater was helemaal verdwenen en had plaats gemaakt voor een al­les­om­vat­ten­de angst, het gevoel dat hij dringend iets moest doen, hier en nu. Om Lena in veiligheid te brengen, en zichzelf. Maar hij wist niet wat. Plots werd er op de deur geklopt. “Sst,” fluisterde Karen. “Doe alsof er niemand is.” Hij gehoorzaamde. “Steven? Ik ben het! Ben je thuis?” Lena! Het was Lena’s stem! Was ze kunnen ontsnappen, van waar ze dan ook werd vastgehouden? Of werd ze helemaal niet vastgehouden – had Karen het allemaal maar verzonnen om hem in haar macht te hebben? Had hij zijn vriendin bedrogen met een of andere psychopate omwille van een verzinsel? Hij verdrong die gedachte naar de achtergrond – het deed er niet toe, niet op dit moment. Karen was ongewapend, haar enige wapen waren haar dreigementen over Lena geweest. Hij was veel groter, ongetwijfeld veel sterker dan zij. Hij kwam bliksemsnel recht, ging bovenop haar zitten en greep haar bij de keel. Ze gilde en spartelde met armen en benen, ze krabde zijn vel open met haar nagels, maar uiteindelijk kreeg hij haar in een positie waarin ze niet meer kon bewegen. “Lena!” schreeuwde hij zo luid als hij kon. “Ik kan niet opendoen, Lena, ik word hier gegijzeld! Je moet de politie bellen!” “Wat!?” Lena klonk verbijsterd. Karen had waarschijnlijk niets met haar gedaan. Godzijdank. “Bel de politie, Lena, nu!” Hij keek om zich heen, zocht iets waarmee hij Karen kon vast­bin­den. Hij mocht haar niet laten ontsnappen, wie weet waar ze nog al­le­maal toe in staat was. Maar hij was uitgeput – hij zou haar niet lang meer in bedwang kunnen houden. Zijn schoenveters. Het was het enige wat hij zag. Zijn schoenen ston­den een meter of twee van het bed. Even keek hij haar aan, dacht na. Toen kwam hij in actie. Hij knelde zijn arm stevig om haar nek, drukte haar tegen zich aan en dwong haar om op te staan. Ze sloeg en schopte om zich heen als een bezetene, maar hij slaagde erin haar tot bij zijn schoenen te sleuren. Pas toen hij haar met handen en voeten stevig aan het bed had vastgebonden, liet hij haar los en ging hijgend op het bed zitten. Een zwakke, pulserende pijn verspreidde zich rond de bloedende wondjes die haar na­gels op zijn armen en borstkas hadden achtergelaten. Karen keek hem aan met betraande ogen en schudde haar hoofd. “Het had zo mooi kunnen worden.” zei ze, diep teleurgesteld. Hoofdinspecteur Jacques De Groot vloog met een luide knal de kamer in – splinters hout en verf vlogen in het rond. Vóór hem lag de houten voordeur verslagen op de grond. Inspecteur Saskia Verlinden schoot hem pijlsnel voorbij, haar armen gestrekt voor zich uit, haar pistool naar binnen gericht. “Politie! Handen omhoog!” Een man van een jaar of vijfentwintig keek hen verdwaasd aan. Hij stond op van het bed en stak zijn handen in de lucht. Hij droeg een groene geruite pyjama met korte broek. Hij zag er ongewassen en on­ge­scho­ren uit en keek alsof hij van een andere planeet kwam. Terwijl Verlinden hem onder schot hield, scande De Groot de rest van de kamer. Op het bed lag een meisje van ongeveer dezelfde leef­tijd. Ze had lang bruin haar en een bleke huid. Ze was naakt en aan handen en voeten gekneveld en lag ontroostbaar te snikken. Verder was er niemand. Zoals het hem destijds was aangeleerd, liep De Groot met zijn rug naar de muur gekeerd op de enige deur af. De badkamer. Niemand. “Alles veilig!” riep hij. Hij nam een paar handboeien van zijn riem en bond de armen van de man op zijn rug. Hij gebaarde met een hoofdknik naar het meisje op het bed. “Ga haar maar helpen. Ik ken haar van ergens, denk ik.” Verlinden liep naar haar toe. “Het is oké,” zei ze. “Wij zijn van de politie.” Ze sneed de veters door en bevrijdde haar. Het meisje trok de deken over haar naakte lichaam en bleef huilend op het bed zitten. Verlinden legde haar arm over haar schouders. “Alles komt in orde nu, maak je maar geen zorgen. Hoe heet je?” “Karen. Karen Dewinter.” “Zijn dit jouw kleren?” Ze knikte. Saskia Verlinden stond op, raapte het hoopje kleren op van de grond en gaf ze aan het meisje. “Trek die maar aan en wacht dan even hier, wil je. We hebben zo met­een nog een paar vragen voor je.” Ze knikte opnieuw en droogde haar tranen met een mouw van haar blouse. De versterking was gearriveerd. De Groot gebood één van de agenten de jongeman mee te nemen voor verhoor. De man spartelde hevig tegen en schreeuwde dat het een vergissing was en dat hij onschuldig was, maar de agent luisterde niet. “Je mag alles rustig gaan uitleggen op het politiebureau,” zei hij kalm. Verlinden liep op De Groot af en leidde hem mee een paar meter van bij het meisje vandaan. “Jacques, ze heet Karen Dewinter,” zei ze met gedempte stem. “Is dat niet dat meisje dat al een week vermist is?” De Groot knikte. “Juist! Ik wist dat ik haar gezicht herkende. Maar op onze foto’s is ze blond, hij moet haar haar geverfd hebben.” “Kan zijn. Zijn vriendin, of wat ze ook is, heeft net zo’n haar...” “Het is toch niet te begrijpen wat sommige mensen allemaal doen,” mompelde De Groot. “Ik ga alvast naar het bureau om die man en zijn vriendin te on­der­vra­gen,” zei hij toen. “Kan jij hier afronden? Kalmeer haar een beetje en doe zo snel mogelijk een spermatest, ze is zo goed als zeker mis­bruikt. En check ook onder haar vingernagels – als ze zich verzet heeft vind je daar waarschijnlijk zijn DNA.” “Komt in orde, Jacques.”  

Jan August
3 0

Mijn Verhaal

Hallo, jongen. Lang geleden... Je komt niet meer op bezoek, jongen, ik denk dat het wel al vier maanden geleden is... Dat be­grijp ik wel, hoor – al mis ik je natuurlijk wel. Je hebt het natuurlijk druk met vrienden en school en zo op jouw leeftijd. En je oma zegt dat je steeds meer nadenkt en vragen stelt. Dat je haar uitleg steeds minder gelooft – ik hoop dat je het haar niet kwalijk neemt, jongen. Oma heeft de waarheid soms wat verdraaid, wat ver­bloemd, maar dat was enkel om jou zo lang mogelijk zorgeloos te laten op­groeien en genieten van je jeugd. Dat vond ze belangrijk, en ik ook. Het is niet haar schuld. Maar ik begrijp wel dat je niet meer wil langskomen, ik begrijp dat wel. Dat je niet meer weet wat je van me moet denken. Dat je misschien wel erg kwaad op me bent. Maar – nu je steeds meer de volledige waarheid zult ach­ter­halen, vind ik het belangrijk om het je te kunnen uitleggen – of toch te proberen. Niet om het goed te praten of – om mezelf vrij te pleiten of zo. Het valt niet goed te praten, het is zoals het is. Maar omdat – omdat ik ergens toch hoop dat je het dan misschien beter zult kunnen begrijpen. Daarom maak ik deze opname – ik hoop dat je toch deze ene keer nog naar me zult willen luisteren. Je moet weten, jongen, dat niets van wat er gebeurd is, met jou te maken heeft. Het schijnt dat kinderen zichzelf vaak de schuld geven, dat heb ik tenminste gehoord – dat mag je echt niet doen. Je moet weten dat we allebei altijd zielsveel van je gehouden hebben. Wat er gebeurd is komt niet door jou jongen, maar door ons. Of door mij in ieder geval – het is niet mijn bedoeling om je vader zwart te maken. Dat zou niet eerlijk zijn, hij kan zich niet meer verdedigen. Je moet begrijpen – later als je zelf een vriendin hebt, ik bedoel, als je gaat samenwonen en samen een leven uitbouwen en zo – dan zal je het misschien een beetje begrijpen – dat het niet altijd zo gemakkelijk is om samen te leven. Ik – misschien mag ik je dit niet vertellen, ik wil je niet bang maken – ik hoop dat ik je niet bang maak zodat je zelf geen vriendin meer zal willen... Dat is niet de bedoeling. Kijk maar naar tante Christine en nonkel Jef, of naar oma en opa – het kan allemaal heel mooi zijn, daar moet je in blijven geloven, maar— En in het begin was dat ook zo natuurlijk, ook bij ons. Toen ik je vader leerde kennen was het allemaal prachtig. Dat waren nog eens tijden, jongen. Ik was twintig, hij zes­en­twin­tig, hij was echt zo’n knappe, nette man met mooi gekamd pikzwart haar en een verfijnd gezicht – je lijkt op hem, weet je dat? Hij kon zo prachtig lachen, en hij was een echte gen­tle­man. Ik was direct smoor­ver­liefd. Je vader was een denker – een filosoof. Hij wist over alles iets en had over alles een mening. Overal waar we kwamen wist hij iets interessants te vertellen, en altijd met evenveel enthousiasme – ook als hij zijn me­ning verkondigde, altijd met vurig enthousiasme, alsof de wereld zou ver­gaan als hij je niet kon overtuigen. Prachtig vond ik dat. Ik hield van hem. Echt wel. En hij van mij. Hij zou niet meer zonder mij kunnen, zei hij. Het was zo’n charmeur – hij zei dat hij nog nooit iemand had gezien die zo’n mooi blond haar had als ik, van die dingen zei hij altijd. Weet je dat nog, jongen, hoe mijn haar er vroeger uitzag? Kijk hoe het er nu bijligt, ik zou er eens iets aan moeten doen... En hij had een Mercedes met een open dak, zo’n chic zwart model van wel vijf, zes meter lang— Sommige mensen zeggen dat ik met hem getrouwd ben omwille van zijn geld – dat mag je nooit geloven, jongen, nooit. Dat is helemaal niet waar. Ik hield van hem omdat hij knap en charmant en grappig en sterk was, en toegegeven, die Mercedes vond ik ook wel leuk – maar niet voor zijn geld. Nu is het jouw geld, jongen, later, als je achttien wordt, dan wordt het allemaal jouw geld. Dat heb je dan toch. Nu is het niemands geld, ik mag er niets mee doen, al zou ik er enkel dingen voor jou mee willen kopen. Mijn geld is het in elk geval niet, en daar was het me ook nooit om te doen. Geloof je dat, jongen? Probeer me alsjeblief te geloven – waarom zou ik liegen, er is toch allemaal niets meer aan te doen... En met die Mercedes kwam hij dan aangereden, stopte hij voor het huisje van oma en opa om me te komen ophalen – het huis waar jij nu woont, jon­gen. Ik heb gehoord dat je de kamer van tante Christine hebt, die is na­tuur­lijk veel groter dan de mijne. Ik hoop dat je het een leuke kamer vindt. Maar later— Hij was – weet je, hij was het soort man dat alles voor je doet, zorgt dat alles in orde komt, dat je je nergens zorgen over hoeft te maken. In het begin vond ik dat geweldig – als ik met hem afsprak moest ik me nergens iets van aantrekken, gewoon alles over me heen laten komen, gewoon genieten – in het begin was het heerlijk. En dan nam hij me mee, gezellig een eindje rijden met die cabrio van hem. Nergens naartoe, gewoon rijden. En dan stopten we soms op een ro­man­tische plek met gras en bloemen en bomen om te pick­nic­ken – stie­kem denk ik dat hij die plekken op voorhand uitzocht en er bewust naartoe reed, maar dat wou hij nooit toegeven. Maar later – ik weet niet goed hoe ik dit moet zeggen, ik wil nog steeds geen kwaad spreken over hem, maar— Later bleek dat ik niets mocht regelen, dat ik me nergens zorgen over mocht maken. Hij had een goedbetaalde job, en als ik geld nodig had dan was er geld. Maar ik wist niet wat hij precies deed – hij was advocaat, maar waar hij precies mee bezig was, dat wist ik niet. Ik wist niet hoeveel geld we hadden en waar­in hij het allemaal investeerde. Hij vond dat ik niet hoefde te werken om­dat we geld ge­noeg hadden – maar ik wilde werken. Daar had hij geen oren naar. Ik moest maar thuis blijven, eten maken, het huis op orde houden – dat zei hij niet hoor, maar daar kwam het wel op neer. We had­den een prachtig huis, dat wel. Dat had hij gevonden, natuurlijk, in z’n eentje, maar ik hield wel van dat huis. Het was groot en wit en licht en het had een enorme tuin – weet je dat nog, jongen, ons huis van vroeger? In de Oranjebloesemlaan? Maar hij luisterde niet naar mij, jongen, nooit. Als ik iets anders wilde doen dan hij, dan was hij teleurgesteld, beledigd. Soms zei hij dat ik maar beter een andere man kon zoeken als ik vond dat hij niet goed voor me zorgde. Soms dacht ik dat ik dat inderdaad maar moest doen, dat ik hem beter kon verlaten, maar dat deed ik niet. Ik wou het jou niet aan­doen jongen, dat klinkt nu misschien nogal ironisch, maar het is de waar­heid. Ik wou niet dat jij zou moeten opgroeien met gescheiden ouders. Dat zou ik egoïstisch vinden van mezelf. Ik zou het wel vol­hou­den, zo slecht was het toch niet – aan elk huwelijk schort wel iets. Uit­ein­de­lijk werd er goed voor ons ge­zorgd, jij kwam niets te kort. Zonder hem zou ik je dat allemaal niet kunnen bieden. En ik had schrik, jongen, schrik dat hij jou zou afpakken. Zijn broer was ook advocaat, al zijn vrienden waren advocaten. Als hij een rechtszaak aanspande zou ik het nooit van hem kunnen halen. Ik durfde niet bij hem weggaan, jongen, ik hoop dat je dat kunt begrijpen. Ik zou mijn lot wel ondergaan zodat jij gelukkig kon zijn. En zodat ik bij jou kon blijven. Maar toen hij naar Californië wou verhuizen – weet je dat nog jongen, toen hij zei dat we naar Amerika gingen? – toen heb ik gezegd dat ik niet mee wilde. Er was niets meer aan te doen, zei hij – hij had al een koper voor het huis, en het contract voor zijn nieuwe job was al getekend. Maar ik moest me geen zorgen maken, zei hij, hij zou meer verdienen en het zou altijd mooi weer zijn. Hij had zelfs al een school gevonden voor jou. Maar ik wilde niet. Ik wilde het huis niet kwijt, ik wilde niet weggaan van mijn familie – jouw familie. Ik ga niet mee, zei ik. Weer die teleurgestelde blik. Maar toen zag hij dat ik het meende. Dan moest ik maar blijven, zei hij plots. Hij zou het huis dan maar niet verkopen, maar híj zou wel verhuizen, en jij moest wel naar die chique Ame­ri­kaan­se school. Hij meende het, jongen, hij zou je meenemen dui­zen­den ki­lo­me­ters bij me vandaan. Ik zou je amper nog zien – nog min­der dan nu waar­schijnlijk. Toen sloegen de stoppen door, jongen. Het was verkeerd en het spijt me verschrikkelijk, maar ik kon niet anders— Op dat moment voelde het alsof het echt niet anders kon. Ik hoop dat je dat ooit kunt be­grij­pen, jongen.  

Jan August
0 0

Lena

Het snerpende geluid van de wekker begon geleidelijk tot hem door te dringen. Godverdomme, nu al. Het leek alsof hij nog maar net gaan slapen was. Een bonzende pijn in zijn voorhoofd. Hij kroop verder weg onder zijn deken. Maar het hield niet op. Zijn keel was droog, zijn oren suisden. Zijn maag zat in de knoop. Waar was hij allemaal geweest gisteren? Hoe was hij thuisgeraakt? Hij herinnerde zich vaagweg een donkere bar. Gepraat. Bier, wodka, wat nog allemaal. Hij moest pissen. Kotsen ook misschien. Maar hij wilde nog niet uit de warme cocon van de deken komen. De wekker bleef maar lawaai maken, het gepiep ging door merg en been. Woedend mepte hij overal op zijn nachtkastje, tot het stil werd. Rust. Waarom moest hij opstaan? Moest hij ergens zijn vandaag? Hij opende zijn ogen. Het was donker in de kamer, maar door de spleetjes in de rolluiken priemden straaltjes daglicht naar binnen. Hij rolde zich op zijn andere zij. De kamer bleef nog even nadraaien. Zijn maag keerde zich om. Naast hem lag Lena. Met haar rug naar hem toe, en het deken zo hoog opgetrokken dat enkel haar lange bruine haren er nog bovenuit kwamen. Aah, Lena. Toch iets goeds deze morgen. Hij kroop dicht tegen haar aan, tot hij haar warme lichaam kon voelen en haar haren kon ruiken. Ze roken vreemd, anders dan anders. “Liefje, ben je wakker?” Hij klonk hees. “Mmmm.” Hij glimlachte. Haar stem klonk een beetje raar. Waarschijnlijk ook te veel ge­dron­ken, te hard ge­schreeuwd in bars en cafés. Hij streelde haar rug. Haar rug was bloot. En warm. Lena droeg altijd een oud t-shirt in bed, anders kreeg ze het koud, zei ze. “Lena?” “Goeiemorgen, lieverd...” Hij trok zijn arm terug, ging abrupt rechtop zitten – té abrupt. Hij voelde hoe zijn maaginhoud brandend zijn slokdarm inliep en weer zakte. De hele kamer draaide in verwarrende cirkels om hem heen. Lieverd? Lena haatte dat woord. Hij deed zijn nachtlampje aan. Ze draaide zich om en keek hem aan. Het was een mooi meisje, ongeveer zo oud als Lena. Ze had ook lang bruin haar, maar niet hetzelfde bruin, zag hij nu. En verder leek ze absoluut niet op Lena. What the hell... Zijn hersens werkten op volle toeren, voor zover ze dat konden – de kamer bleef maar draaien. Wie was ze? Hoe kwam ze hier? Had hij haar meegebracht? Had hij met haar— Was hij echt zó dronken geweest? Nee. Dat kon niet. Dat mocht niet. Zoiets zou hij nooit doen. Lena zou het hem nooit vergeven. “Kerel, je kijkt alsof ik een zombie ben... Je moet jezelf anders eens bekijken...” Het meisje lag hem glimlachend aan te kijken, met de deken nog steeds tot aan haar kin. “Ik... Euh... Wie ben jij?” “Oh Steven,” zei ze wanhopig. “Herinner je je echt niet wie ik ben?” Hij schudde verward zijn hoofd – zijn hersens klotsten heen en weer in zijn schedel. Ze zuchtte. “Ik ben Karen...” “Karen...” Hij kende geen Karen. Dat dacht hij toch. Denken, Ste­ven, denken! Ze schudde haar hoofd. “Ik hou dit niet meer vol, Steven... Ik hou van je, maar dit... Dit kan ik niet meer aan...” Ik hou van je? “Wat? Wie... Wie ben jij? Waar is Lena?” “Lena is dood, Steven.” Dood? Lena? Hij hoorde zichzelf bazelen, schreeuwen, maar wist niet wat hij zei. Hij vloog op haar af, greep haar vast, rolde samen met haar de grond op – hij hoorde haar gillen, hoorde zichzelf roepen. “Wat heb je met haar gedaan? Wat heb je met haar gedaan?” Eindelijk besefte hij weer wat hij aan het zeggen was. En toen be­sef­te hij dat hij bovenop haar zat, dat hij zijn handen om haar nek gekneld had. Ze keek hem verschrikt aan. Hij liet haar los, deinsde hijgend achteruit. Duizelig staarde hij haar aan, kon zijn blik maar niet gefocust krijgen. Ze lag op de grond op haar rug, naakt op een roze slip na. Lena had net zo’n slip. Ze was bijna even mooi als Lena. Maar hij wilde niet naar haar kijken, hij wilde haar blote lichaam niet zien, hij wilde het niet in zijn kamer! Wat zou Lena zeggen... “Steven!” riep ze hijgend. “Ik heb niets gedaan, Steven. Ze heeft een ongeval gehad – jullie hebben een ongeval gehad, je zat naast haar. Ze moet even de controle zijn kwijtgeraakt, of – ze weten het eigenlijk niet goed. Ze was op slag dood, Steven. En jij—” Ze zweeg even. “Ik kan het niet meer aan, Steven, het duurt nu al maanden...” Een traan liep over haar wang. “Ik weet dat je van me houdt, dat zeg je elke avond, en elke avond hoop ik dat je me ‘s morgens nog zult herkennen, maar—” Hij schudde zijn hoofd. Dit kon niet waar zijn. Hij wilde iets zeggen, hij wilde duizend en één dingen zeggen maar kreeg niets over zijn lippen. Hij had geen idee wat hij de avond ervoor gedaan had, hoe hij aan deze kater kwam – was het wel een kater? Hij stond op en zwalpte naar de badkamer. Hij moest pissen. En nadenken. Hij ging zitten op de toiletpot, bang dat hij anders zou omvallen. Dit kon gewoon niet waar zijn. Hij was gisteren gaan werken, zoals altijd, en ‘s avonds zou hij naar een feestje gaan. Was het toen gebeurd – was dat toch niet gisteren geweest? Hij zette de radio aan, het kleine blauwe radiootje dat Lena absoluut in zijn badkamer had willen zetten – ‘een streepje muziek onder de douche,’ zoals ze dat zo mooi zei. Hij draaide verwoed aan de knop tot hij een nieuwszender vond. Twaalf januari zeiden ze dat het was. Maanden? Hij herinnerde zich Nieuwjaar nog, toen was hij met Lena bij vrienden gaan eten, ze hadden het zaligste feestmaal allertijden klaar­ge­maakt. Het klopte niet, natuurlijk klopte het niet. Het nieuws begon, het ging over terrorisme in Parijs. Daar ging het gisteren ook over. Er zat geen maandenlang hiaat in zijn geheugen, enkel die ene avond. Te veel gedronken, veel te veel, dat was alles. Maar wie lag er dan in godsnaam halfnaakt in zijn slaapkamer? Hij stond op, stak zijn handen onder de kraan en kletste flink wat koud water in zijn gezicht. Wat had ze in godsnaam met Lena gedaan? Hij gooide de deur open en stormde de slaapkamer in. “Je liegt!” schreeuwde hij. “Je liegt! Wie ben je en wat heb je met Lena gedaan!” Ze lag languit op het bed met één been gestrekt en het andere opgetrokken en keek hem aan met een wulpse blik. Haar rechterarm lag uitgestrekt op het bed, haar hand op zijn kussen. “Kom hier, lieverd, ik hou van je.” Het klonk gebiedend, zelf­ver­ze­kerd. Niet zoals daarnet. Hij zocht zijn gsm. Hij moest Lena bellen, haar stem horen. “Vind je mijn haar niet mooi zo misschien?” vroeg ze teleurgesteld. “Is het niet de juiste kleur?” Waar had hij zijn gsm gelaten? Niet op zijn nachtkastje. Hij zocht in de zakken van zijn jas, zijn broek die over een stoel hing. Daar was hij. “Lena’s huid is bruiner, niet? Is het dat? Daar kan ik wel aan werken als je wil hoor...” Hij ging niet aan, de batterij was leeg. Hij vloekte. Hij moest Lena bellen. En de politie – plots besefte hij dat hij de politie moest bellen. Bij de buren dan maar. Hij stormde naar de voordeur. Op slot. Er zat geen sleutel op. Hij haalde nooit de sleutel van de deur als hij thuis was. Hij begon als een waanzinnige aan de deur te rammelen – tevergeefs. “Ik denk dat je best even rustig aan doet,” zei het meisje kalm. Hij keek naar haar. Ze lag nog steeds op het bed, in exact dezelfde pose. “Het was ge­mak­ke­lij­ker geweest als je me geloofd had, maar goed...” Ze draaide zich op haar zij en keek hem aan. “Luister, lieverd, ik ben helemaal van jou en ik doe alles wat je wilt in dit bed, oké? Ik beloof je dat ik stukken beter ben dan die Lena van je.” Terug die zelf­ver­ze­kerde, ietwat hautaine toon. “Maar als je zo bezorgd bent over haar, kan je best even doen wat ik zeg: er wordt niet ge­schreeuwd, er wordt niemand ge­beld, en we gaan ner­gens naartoe. En geen woord meer over haar.”  

Jan August
3 0

Opleiding

Cursus Creatief Schrijven, 1e en 2e jaar, Conservatorium Leuven
Starten met schrijven, Wisper Leuven
Poëzie: Van gedachten tot gedichten, Wisper Leuven

Publicaties

Prijzen