Haar volle bloesem wond me op.
Op een zwakke snede viel ik aan.
Ik kreeg een waterhoofd van rubber
en groeide uit tot knappe gele
paprika met feloranje toppen.
Mijn brede kraag kreeg kartellagen.
Haar kern verkleurde in mijn
glorietijd en kromp. Zij holde uit.
Haar knobbellichaam buigt niet meer.
Sappen stijgen enkel langs haar huid.
Mijn hoeden verbleken zoals haar haar.
Mijn groeven verbruinen zoals haar rot.
Ook ik ben bros: mijn kippensmaak verzwindt.
Wij vrezen allebei de rukken van de wind.