Ik kijk je aan
en zie haar lopen.
Met haar volle ogen en haar lege jurken.
Zomaar
met z'n twee zwaaien ze
gedwee mijn lonken toe.
Verstrikt raak ik
in zoveel rokken
die aanhalig vragen blijven
om het dragen
van mijn stem.
Al doende frunnik ik met woorden
als aan de knopjes van haar blouse
en legt zij zinrijk antwoord
aan
in de plooien
van mijn hals.
Liefst houd ik aan beloftes
die perfect deelbaar zijn door twee:
zoals 'hart' van 'dief'
en 'jij' van 'lief'
mijn.