De leeuwin was jong en speels.
Toen ontmoette ze een jaguar
die zacht sprak
en nooit sprong.
Langzaam
verdween de veer uit haar poten.
Ze bouwde een huis met spijlen.
Zijn dofheid hing in de kamers,
zwaar als stof.
Af en toe
hoorde ze buiten
een onbekend dier lachen.
Dan trok ze de deur
een beetje dichter.
Nu staat de deur open.
Ze kijkt naar de drempel.
De drempel
kijkt terug.
