Jeanne

Katrin Van de Velde
8 okt. 2019 · 4 keer gelezen · 0 keer geliked

Wanneer ik in de zetel wil gaan zitten met een boek, vang ik door het grote voorraam een glimp op van de overbuurvrouw die, gehuld in een lichtblauw trainingspak, op handen en knieën in haar voortuin zit. Ik denk: knap hoe zij op haar vergevorderde leeftijd, en méér nog: zich steeds langzaam voortbewegend met twee wandelstokken (vaak een wandelstok en een paraplu), toch nog dat beetje onkruid wil uittrekken. Ik zag haar dat immers al een paar keer eerder doen. Dat gaat erg traag dan, en met veel moeite en geworstel met haar twee stokken, maar ze doet het toch maar.
Ik ga zitten, open mijn boek en begin te lezen. Maar vrijwel meteen gaat er een alarmbelletje af in mijn hoofd. Kroop ze nu niet èrg onhandig over haar gazon? Ze zal toch wel oké zijn? Ik sluit mijn boek weer en ga naast de zetel staan, waar ik een goed zicht op haar heb. Ze kruipt nog steeds over het gras, dat toch wel nat moet zijn na de felle regen van vanmorgen. Ik zie haar onder een struik reiken, ze gaat er bijna helemaal bij liggen, en vervolgens een beetje rechtkomen in wat ik uit de yogalessen ken als de sfinxhouding. Haar bovenlichaam probeert ze op te richten, steunend op twee korte stokjes, haar benen liggen languit op de grond. Een van de stokken valt.
Ik snel naar mijn schoenen, ga naar buiten en loop naar de overkant. Daar staat haar man inmiddels naast haar, hij probeert haar rechtop te trekken. Wat nog niet een beetje lukt, want ook hij is erg oud, erg mager (in tegenstelling tot zijn vrouw), en ook hij beweegt zich doorgaans voort met behulp van twee stokken. (Als je hen van ver op hun kleine wandelingetje door de omringende straten ziet, zou je denken dat het langlaufers zijn.) Ik open het poortje dat hun tuin afscheidt van de straat, en dat gelukkig niet op slot is, en rep me naar mijn buren. ‘Gaat het niet? Ben je gevallen?’ De vrouw is erg hardhorend en begrijpt me duidelijk niet; de man mompelt wat en ik begrijp hem niet. Ik ga achter mijn buurvrouw staan, steek mijn handen onder haar oksels, en trek. Ze komt nauwelijks een centimeter van de grond. En de vraag is of, eens ik haar rechtop zou hebben gekregen, ze wel op haar benen kan staan. Dus vraag ik haar of dat zal lukken. Ze glimlacht wat, heeft me niet begrepen.
Ik besluit om hulp te halen, want in mijn eentje kan ik dit niet. Ik roep: ik ga hulp zoeken bij de buren, maar ik weet niet of ze me hebben gehoord of begrepen, en kan maar hopen dat ze niet denken dat ik wegloop en hen aan hun lot overlaat.
Ik bel aan bij het huis links naast het hunne. Ik heb dat echtpaar een uur eerder zien thuiskomen, samen met hun zoontje dat ze, vermoed ik, van school hadden gehaald. Hun beide auto’s staan nog op de oprit, dus ze zijn zeker thuis. Maar niemand doet open. Ik bel een tweede keer, ook nu geen reactie.
Dan maar de woning ernaast, maar ook daar heb ik geen succes. Ik probeer het huis aan de andere kant van het oude paar. Die mensen ken ik, ze zijn erg vriendelijk en behulpzaam, en er is een sterke man in huis. Als hij thuis is, waar ik voor vrees. Gelukkig wordt hier wel opengedaan, maar de man is niet thuis. Ik moet het doen met de lieve M en haar volwassen dochter, die daar toevallig is. We haasten ons met ons drieën naar de oude vrouw, die nog steeds op het natte gras ligt te glimlachen. Naast haar ligt een doormidden gebroken houten wandelstok.
Ik roep of ze pijn heeft, M roept of ze draaierig is. ‘Nu nog niet’, glimlacht ze. Haar man heeft inmiddels, voetje voor voetje, een keukenstoel gehaald uit hun garage, en die achter zijn vrouw op het gras gezet. De dochter van M en ik steken elk onze handen onder een oksel, en zo krijgen we haar op de stoel, die M moeizaam zo ver mogelijk onder haar achterste schuift. Het is een log gewicht, dat in niets meewerkt. Ik sta tegen een struik, heb weinig bewegingsvrijheid, en voel hoe het vocht van de bladeren in de stof van mijn rok dringt.
De buurvrouw is er veel erger aan toe. Ik heb geen idee hoelang ze op het beregende gras heeft gelegen, maar haar trainingspak is donkerblauw op knieën, onderbenen, rug en buik. ‘Ik red me wel nu, bedankt’, lacht ze. ‘Laat mij hier maar zitten.’ Maar nee, Jeanne, protesteert M. Het is de eerste keer dat ik de naam van mijn overbuurvrouw hoor; tot hiertoe hadden wij een relatie van vriendelijk naar elkaar wuiven, telkens wij elkaar zagen. Ik riep wel eens goeiemorgen of hallo, maar daarop kwam alleen een wuifje als reactie.
M wil een dokter bellen, maar daar wil Jeanne niet van weten. Dan maar de kinderen opgebeld, het rijtje (dat in M’s telefoon blijkt te zitten) afgegaan, want Jeanne moet toch droge kleren aan. Een van de dochters belooft dadelijk langs te komen.
Ondertussen dragen wij Jeanne weer haar huis in, ondanks haar protest omdat ze niet tot last wil zijn. Het is een split level woning, wat betekent: veel trappen. Ik snap niet hoe Jeanne en haar man dat volhouden, om hier dagelijks met al hun stokken te leven. Vanuit de garage is er een doorgang, smal als een mollengang, naar de keuken, met een zestal treden. Jeanne hijst zich moedig naar boven, zich vastklampend aan de trapleuning, onder de vrije elleboog ondersteund door M. Ik neem de stoel mee naar binnen. We komen terecht in een kleine bedompte keuken. Jeanne schuifelt verder naar de al even donkere woonkamer, waar ze zich met haar natte kleren in de zetel laat zakken. Tegen haar zin, ze moet van M. ‘Vroeger vertelden de ouderen de jongeren wat ze moesten doen, en nu is het omgekeerd’, merkt ze vinnig op, nog steeds met de glimlach op het gezicht.
Ik blijf, samen met M’s dochter, achter in de keuken. Zo leren ook wij elkaar kennen. Ze is al even hartelijk als haar ouders. Ze vertelt me dat ze tijdelijk weer bij hen is ingetrokken, omdat haar huis wordt gerenoveerd.
Ik vermoed dat mijn hulp niet langer nodig is, maar weggaan lijkt me ook wat bot. Ik kijk een beetje rond in dit huis waar ik voor het eerst ben, waarvan ik alleen de voorgevel ken. Op de keukentafel, die vol spullen ligt, ontdek ik een aangebroken pak wafels naast een halfrotte kiwi. Omdat ik niet verder wil indringen in het leven van deze mensen die daar niet om hebben gevraagd, ga ik dan maar afscheid nemen van Jeanne en M, die er kordaat op staat toe te zien dat haar buurvrouw niet uit de zetel komt. De man van Jeanne scharrelt wat rond, lijkt niet goed te weten wat te doen nu alles hem uit handen is genomen. Handen die het toch al niet meer aankunnen allemaal. Zijn hulpeloze blik eerder, toen hij in zijn eentje zijn vrouw van het gras wou rapen, terwijl hij besefte hoe absurd dat was en dat hij niets voor haar kon doen, is me bijgebleven. M bedankt me voor de hulp, ik vermoed in de plaats van de oudjes, omdat zij dat niet meer kunnen. Ik ben blij met zo’n buurvrouw, en ook opgelucht dat zij thuis was.
Wanneer ik mijn eigen huis weer ben binnengestapt, zie ik door het raam hoe aan de overkant een auto stopt. De dochter en schoonzoon zijn blijkbaar gearriveerd, en kunnen de zorg voor hun moeder nu overnemen.
Enkele uren later vraag ik me af, niet voor het eerst, hoe mijn twee overburen het redden, en hoelang nog. Ze hebben blijkbaar een grote familie, en bezorgde buren, maar meestal zitten ze toch met hun tweetjes in dat huis met al die trappen, ofwel zijn ze onderweg met hun wankele stokken.
Wat later komt mijn man thuis van zijn werk, hij neemt me stevig in zijn armen. We blijven met gemak overeind. Oud worden, ik vind dat toch maar niks.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver en help je hem verder op weg.

Katrin Van de Velde
8 okt. 2019 · 4 keer gelezen · 0 keer geliked