Katrin Van de Velde

Gebruikersnaam Katrin Van de Velde

Teksten

Jeanne

Wanneer ik in de zetel wil gaan zitten met een boek, vang ik door het grote voorraam een glimp op van de overbuurvrouw die, gehuld in een lichtblauw trainingspak, op handen en knieën in haar voortuin zit. Ik denk: knap hoe zij op haar vergevorderde leeftijd, en méér nog: zich steeds langzaam voortbewegend met twee wandelstokken (vaak een wandelstok en een paraplu), toch nog dat beetje onkruid wil uittrekken. Ik zag haar dat immers al een paar keer eerder doen. Dat gaat erg traag dan, en met veel moeite en geworstel met haar twee stokken, maar ze doet het toch maar.Ik ga zitten, open mijn boek en begin te lezen. Maar vrijwel meteen gaat er een alarmbelletje af in mijn hoofd. Kroop ze nu niet èrg onhandig over haar gazon? Ze zal toch wel oké zijn? Ik sluit mijn boek weer en ga naast de zetel staan, waar ik een goed zicht op haar heb. Ze kruipt nog steeds over het gras, dat toch wel nat moet zijn na de felle regen van vanmorgen. Ik zie haar onder een struik reiken, ze gaat er bijna helemaal bij liggen, en vervolgens een beetje rechtkomen in wat ik uit de yogalessen ken als de sfinxhouding. Haar bovenlichaam probeert ze op te richten, steunend op twee korte stokjes, haar benen liggen languit op de grond. Een van de stokken valt.Ik snel naar mijn schoenen, ga naar buiten en loop naar de overkant. Daar staat haar man inmiddels naast haar, hij probeert haar rechtop te trekken. Wat nog niet een beetje lukt, want ook hij is erg oud, erg mager (in tegenstelling tot zijn vrouw), en ook hij beweegt zich doorgaans voort met behulp van twee stokken. (Als je hen van ver op hun kleine wandelingetje door de omringende straten ziet, zou je denken dat het langlaufers zijn.) Ik open het poortje dat hun tuin afscheidt van de straat, en dat gelukkig niet op slot is, en rep me naar mijn buren. ‘Gaat het niet? Ben je gevallen?’ De vrouw is erg hardhorend en begrijpt me duidelijk niet; de man mompelt wat en ik begrijp hem niet. Ik ga achter mijn buurvrouw staan, steek mijn handen onder haar oksels, en trek. Ze komt nauwelijks een centimeter van de grond. En de vraag is of, eens ik haar rechtop zou hebben gekregen, ze wel op haar benen kan staan. Dus vraag ik haar of dat zal lukken. Ze glimlacht wat, heeft me niet begrepen.Ik besluit om hulp te halen, want in mijn eentje kan ik dit niet. Ik roep: ik ga hulp zoeken bij de buren, maar ik weet niet of ze me hebben gehoord of begrepen, en kan maar hopen dat ze niet denken dat ik wegloop en hen aan hun lot overlaat.Ik bel aan bij het huis links naast het hunne. Ik heb dat echtpaar een uur eerder zien thuiskomen, samen met hun zoontje dat ze, vermoed ik, van school hadden gehaald. Hun beide auto’s staan nog op de oprit, dus ze zijn zeker thuis. Maar niemand doet open. Ik bel een tweede keer, ook nu geen reactie.Dan maar de woning ernaast, maar ook daar heb ik geen succes. Ik probeer het huis aan de andere kant van het oude paar. Die mensen ken ik, ze zijn erg vriendelijk en behulpzaam, en er is een sterke man in huis. Als hij thuis is, waar ik voor vrees. Gelukkig wordt hier wel opengedaan, maar de man is niet thuis. Ik moet het doen met de lieve M en haar volwassen dochter, die daar toevallig is. We haasten ons met ons drieën naar de oude vrouw, die nog steeds op het natte gras ligt te glimlachen. Naast haar ligt een doormidden gebroken houten wandelstok.Ik roep of ze pijn heeft, M roept of ze draaierig is. ‘Nu nog niet’, glimlacht ze. Haar man heeft inmiddels, voetje voor voetje, een keukenstoel gehaald uit hun garage, en die achter zijn vrouw op het gras gezet. De dochter van M en ik steken elk onze handen onder een oksel, en zo krijgen we haar op de stoel, die M moeizaam zo ver mogelijk onder haar achterste schuift. Het is een log gewicht, dat in niets meewerkt. Ik sta tegen een struik, heb weinig bewegingsvrijheid, en voel hoe het vocht van de bladeren in de stof van mijn rok dringt.De buurvrouw is er veel erger aan toe. Ik heb geen idee hoelang ze op het beregende gras heeft gelegen, maar haar trainingspak is donkerblauw op knieën, onderbenen, rug en buik. ‘Ik red me wel nu, bedankt’, lacht ze. ‘Laat mij hier maar zitten.’ Maar nee, Jeanne, protesteert M. Het is de eerste keer dat ik de naam van mijn overbuurvrouw hoor; tot hiertoe hadden wij een relatie van vriendelijk naar elkaar wuiven, telkens wij elkaar zagen. Ik riep wel eens goeiemorgen of hallo, maar daarop kwam alleen een wuifje als reactie.M wil een dokter bellen, maar daar wil Jeanne niet van weten. Dan maar de kinderen opgebeld, het rijtje (dat in M’s telefoon blijkt te zitten) afgegaan, want Jeanne moet toch droge kleren aan. Een van de dochters belooft dadelijk langs te komen.Ondertussen dragen wij Jeanne weer haar huis in, ondanks haar protest omdat ze niet tot last wil zijn. Het is een split level woning, wat betekent: veel trappen. Ik snap niet hoe Jeanne en haar man dat volhouden, om hier dagelijks met al hun stokken te leven. Vanuit de garage is er een doorgang, smal als een mollengang, naar de keuken, met een zestal treden. Jeanne hijst zich moedig naar boven, zich vastklampend aan de trapleuning, onder de vrije elleboog ondersteund door M. Ik neem de stoel mee naar binnen. We komen terecht in een kleine bedompte keuken. Jeanne schuifelt verder naar de al even donkere woonkamer, waar ze zich met haar natte kleren in de zetel laat zakken. Tegen haar zin, ze moet van M. ‘Vroeger vertelden de ouderen de jongeren wat ze moesten doen, en nu is het omgekeerd’, merkt ze vinnig op, nog steeds met de glimlach op het gezicht.Ik blijf, samen met M’s dochter, achter in de keuken. Zo leren ook wij elkaar kennen. Ze is al even hartelijk als haar ouders. Ze vertelt me dat ze tijdelijk weer bij hen is ingetrokken, omdat haar huis wordt gerenoveerd.Ik vermoed dat mijn hulp niet langer nodig is, maar weggaan lijkt me ook wat bot. Ik kijk een beetje rond in dit huis waar ik voor het eerst ben, waarvan ik alleen de voorgevel ken. Op de keukentafel, die vol spullen ligt, ontdek ik een aangebroken pak wafels naast een halfrotte kiwi. Omdat ik niet verder wil indringen in het leven van deze mensen die daar niet om hebben gevraagd, ga ik dan maar afscheid nemen van Jeanne en M, die er kordaat op staat toe te zien dat haar buurvrouw niet uit de zetel komt. De man van Jeanne scharrelt wat rond, lijkt niet goed te weten wat te doen nu alles hem uit handen is genomen. Handen die het toch al niet meer aankunnen allemaal. Zijn hulpeloze blik eerder, toen hij in zijn eentje zijn vrouw van het gras wou rapen, terwijl hij besefte hoe absurd dat was en dat hij niets voor haar kon doen, is me bijgebleven. M bedankt me voor de hulp, ik vermoed in de plaats van de oudjes, omdat zij dat niet meer kunnen. Ik ben blij met zo’n buurvrouw, en ook opgelucht dat zij thuis was.Wanneer ik mijn eigen huis weer ben binnengestapt, zie ik door het raam hoe aan de overkant een auto stopt. De dochter en schoonzoon zijn blijkbaar gearriveerd, en kunnen de zorg voor hun moeder nu overnemen.Enkele uren later vraag ik me af, niet voor het eerst, hoe mijn twee overburen het redden, en hoelang nog. Ze hebben blijkbaar een grote familie, en bezorgde buren, maar meestal zitten ze toch met hun tweetjes in dat huis met al die trappen, ofwel zijn ze onderweg met hun wankele stokken.Wat later komt mijn man thuis van zijn werk, hij neemt me stevig in zijn armen. We blijven met gemak overeind. Oud worden, ik vind dat toch maar niks.

Katrin Van de Velde
4 0

Sandman

Ik keek naar een documentaire over Morphine, een alternatieve rockband waar ik al vele jaren grote fan van ben. De groep bestaat al twintig jaar niet meer, omdat de zanger, Mark Sandman, overleed.Dat deed hij op een podium in het Italiaanse Palestrina, waar hij halfweg een openluchtconcert een hartaanval kreeg.In de documentaire vertellen zijn medemuzikanten over het voorval. Hij was moe geweest die dag, raakte buiten adem op de talrijke trappen waaruit het pittoreske Palestrina bestaat. Het was er warm ook, midden zomer, en bij de soundcheck ‘s middags was Mark bijna flauwgevallen. Maar ‘s avonds stond hij er, zoals altijd, en hij zong en speelde de zweetdruppels op zijn gezicht.Plots hoorde de saxofonist hoe Mark een beetje een afwijkende versie maakte van het lied dat hij op dat moment zong, iets wat hij nooit eerder had gedaan. En toen begon hij ook nog eens vals te spelen op zijn tweesnarige basgitaar. Waarna hij achterover struikelde en op een versterker viel. De muzikanten stopten met spelen, het publiek verstomde. Alles werd doodstil. Ook Mark.Hij werd nog naar een ziekenhuis gebracht, waar zijn kompanen, die buiten voor het gebouw angstig stonden te wachten, door een raam konden zien hoe er een laken over Sandmans gezicht werd gelegd. Ik vroeg me af wanneer Mark Sandman precies was begonnen met sterven. Of dat niet al zou zijn geweest op het moment dat hij het lied veranderde. Of toen hij begon vals te spelen. Of misschien overleed hij al een beetje tijdens het beklimmen van de trappen van Palestrina, eerder die dag. Doodgaan op een moment waarop we ons amuseren, velen idealiseren het, lijken te denken dat het een romantische bedoening is. Maar iets wat je graag doet, daar wil je toch niet mee ophouden?Net zoals ik denk dat sterven makkelijker is als men oud en versleten is, en de geliefden en pleziertjes beetje bij beetje rond zich heeft zien wegvallen, ga ik er ook van uit dat ik niet wil verdwijnen wanneer het leuk is en ik me gelukkig voel.Ik herinner me hoe ik na mijn scheiding langzaam uit het dal kroop en weer begon uit te gaan, en op een avond geheel onverwacht verliefd werd op een man met wie ik had staan praten. Bij het afscheid gaf hij me een zoen op de wang. Toen de kennis met wie ik op stap was die avond me even later naar huis bracht met zijn wagen, werd hij plots erg boos op me en begon roekeloos te rijden. Zijn jaloezie had ik niet zien aankomen. Ik zat daar gevangen in die auto en was bang, en al wat ik kon denken was: laat me nu niets overkomen. Niet nu. Nu niet meer.

Katrin Van de Velde
0 0

Het is zo zinloos

Soms lijkt het alsof plaatsen ons onthouden. Gisteren was ik op de militaire begraafplaats in Vladslo. Daar was ik al eerder, twaalf jaar geleden. Toen nam een vriend me er mee naartoe, en was ik getuige van een magisch moment. Even ervoor had het geregend, en toen wij die stille plaats betraden, brak de zon door de hoge, volle eiken. Damp begon op te stijgen van de talrijke stenen. Het was zo mooi dat het me diep ontroerde. Wat me ook aangreep, waren de twee beelden van Käthe Kollwitz, die haarzelf en haar man voorstellen als treurende ouders, voor het graf van hun zeventienjarige zoon, die aan het begin van de Eerste Wereldoorlog overleed als soldaat.   Käthe buigt het hoofd diep, houdt met een hand haar mantel beschermend rond haar hals. Haar man kijkt stug, de armen over elkaar, naar de plaats waar zijn zoon rust, tussen duizenden andere soldaten. Op verzoek van de beeldhouwster werden de beelden zo geplaatst, dat ze ook rouwen om al die anderen.   Die beelden staan er nu zesentachtig jaar, onder zon, sneeuw, regen, hagel. Hun enige bescherming is een dunne moslaag. Je betreedt de begraafplaats, die verscholen ligt in het groen, door een smalle deur. Al vanuit de deuropening, omringd door zware witte stenen die het gevoel geven je te zullen verpletteren, kan je de grote, open grasvlakte zien, die je naar zich toe zuigt. In de verte het treurende ouderpaar.   Ik plaatste me tussen de dode ogen van de vader en het graf van zijn zoon. Zijn verdriet stroomde over me heen, werd me te veel. Over zijn wang kroop een lieveheersbeestje. Over het lange pad dat tussen de stenen loopt, kwam een gebogen oude vrouw naar ons en de beelden toegeschuifeld achter een rollator. Ze had duidelijk behoefte aan praten, herhaalde steeds haar woorden. We konden haar soms moeilijk verstaan, maar wat telkens terugkwam waren: 'een andere generatie', 'we moeten met elkaar overeenkomen', 'het is zo zinloos', 'Peter Kollwitz'. En dan wees ze naar de naam van de jonge soldaat op de steen vòòr haar huissloffen. Die naam lichtte op tussen de andere, viel me op. Alsof iemand hem regelmatig komt oppoetsen. Alleen rond deze steen was het gras vertrappeld; de andere graven waren verzonken in anonimiteit. Er was geen geluid hier, op af en toe een plof van een neervallende eikel na. Ik ging weg met het gevoel dat ik hier nog zal terugkomen.

Katrin Van de Velde
3 0

Dreef der Gedachtenis

Dit is een hoek van de begraafplaats aan de Viale Rimembranze in Crone, nabij het Idromeer in Italië. Dreef der Gedachtenis. Bijna vier jaar geleden schreef ik, na de plaats bezocht te hebben, het volgende:     En dan het dode meisje. Achter het kerkje in Crone volgde ik een weg, omboord met zwart-witfoto’s van wereldoorlogshelden, die naar een begraafplaats leidt waar bloemen overheersen. Roze, geel, rood; ze verstikken de graven, verbergen de urnenwanden. Ik zocht daar naar het recentste graf, een verse dode. Bij een urnennis met daarvoor drie vetplantjes zakte ik door mijn knieën, om zo de foto te kunnen bekijken van de Italiaanse schone met weelderig krullende haren. Dat zo’n schoonheid verloren was gegaan, trof me. Ik blijf haar gezicht voor me zien, maar verder wou ik niets laten doordringen, omdat ik al voorvoelde dat ze me zou achtervolgen. Geen naam, geen exacte leeftijd (ik herinner me alleen dat ze ergens in de jaren ’90 was geboren), ik heb nièt de liefdesbrief gelezen die erbij lag, ik heb geen foto van het graf genomen, ik ben er de dagen erna niet naar teruggekeerd. Alleen de sterfdatum (13-05-2014) en het gezicht.
En in de auto op weg naar huis voel ik me dus triest om dat meisje over wie ik niets weet. Omdat ze gestorven is. Omdat er zo veel sterft.     Die Italiaanse schone is me gevolgd tot in 2018. Over twee maanden zal ze vier jaar dood zijn. Ik heb nu spijt dat ik geen foto nam van haar graf. Haar naam, haar foto met het gezicht dat ik inmiddels vergeten ben (ik zie alleen rosse krullen), de liefdesbrief verpakt in plastic. Ik denk niet dat die er nog ligt, maar ik hoop het wel. Vanochtend moest ik plots aan haar denken, zomaar, zonder aanleiding. Of toch een die niet te achterhalen valt. Ik dacht: ik ga haar zoeken op google streetview. Haar zo dicht benaderen als ik kan. Ik typte de plaats Crone in de zoekbalk, vond er nog moeiteloos mijn weg, arriveerde met een paar klikken in de Viale Rimembranze, kwam noodgedwongen tot een halt vòòr de, nochtans openstaande, poort aan de hoofdingang van de begraafplaats. Via een zijweg, die ik wel kon betreden, bereikte ik de achterkant van de plaats, waar ik mij ook een poort herinnerde. Die was zowel in 2014 als op de foto dicht.   Ik herinner mij hoe ik diep op de begraafplaats was doorgedrongen, ik was er alleen en het was er zo stil, de bergen hoog en onoverkomelijk rondom mij. En toen kwamen er drie in het zwart geklede vrouwen door de poort die inmiddels ver achter me lag, ze naderden en liepen me voorbij, zonder naar mij te kijken. Ze praatten niet. En toen ik even na hen een hoek omliep, waren ze weg. Ook al was het kleine stuk achteraan, voorbij die hoek, met lange rijen urnennissen, erg overzichtelijk. Het kon niet anders of ze waren door de achterpoort weer weggegaan. Ik voelde aan de poort, maar die was op slot. En toen werd die stilte zo zwaar, dat ik mijn hart hoorde kloppen. Het enige levende hart daar.   Dus daar op de foto, achter dat zwarte hek, het hoekje om naar links, ter hoogte van de drie vuilniscontainers, staat onderaan tegen de grond de urne van het mooie meisje. Een meisje zo heel erg mooi dat je je nauwelijks kan voorstellen dat zij zou doodgaan. Alleen, zag ik toen pas, is zij er nog niet op deze foto. Hij werd genomen in 'sep. 2011'. Zij is dan nog aan het leven. Nog tweeëndertig maanden. Wellicht loopt zij daar ergens rond, mooi te wezen, zich afvragend wat ze vanavond zal dragen voor het feest. Zich nog van geen kwaad bewust. Misschien kent ze de briefschrijver, die om haar zal gaan treuren, nog niet.   Ik sluit de foto weer, en ook mijn gedachten over haar. Misschien duikt ze over enkele jaren opnieuw op in een stukje. Als ik er dan nog ben.  

Katrin Van de Velde
0 0

Spil

Vandaag zou de dag worden waarop ik naar de Aldi fietste om een pot lavendel te kopen voor in de tuin. Die gebeurtenis zou de spil zijn waarrond de rest van mijn leven zich afspeelt. Rond de aankoop van deze pot lavendel tolt al het andere. Dat wat is geweest en dat wat nog zal komen. Mijn oude dag. Het negende verjaardagsfeestje van een klasgenootje waar ik niet bij aanwezig was omdat ik er thuis geen melding van had gemaakt uit angst er niet naartoe te zullen mogen. De trouwring die ik voor mezelf kocht. Het wachten op de bus na het tweewekelijkse zwemmen met de klas, terwijl we toekeken hoe Hildes natte vlechten steeds grotere vlekken maakten op haar jas. Het sterven van de vrienden, een voor een. De val van de trap die ik maakte. De boeken die ik zal wegdoen. Het stroeve schuiven van mijn eerste breiwerkje (een knalgele sjaal) over de klamme naalden, in een klaslokaal vol getik. De mensen die ik zal teleurstellen. De vlinder die op mijn vinger kwam zitten terwijl de tuinsproeiers rondom mij regenboogjes maakten. De soep van dennennaalden die ik maakte in een emmertje met een eend op. Mijn voorlaatste adem.   Ik fietste dus naar de Aldi, een beetje zwetend ook al was het nog ochtend, maar deze dagen is de wereld zwaar en zwoel. Soms ging de zon even weg, en dan werd ik blij. Ooit las ik dat mensen met straatvrees zich veiliger voelen onder wolken. Omdat de afstand naar boven dan verdwijnt. En wolken zacht zijn om onder te schuilen. Ik zag een rond bord met een rode rand eromheen en in het midden een acrobatisch plassende hond. Even later een karton tegen een omheining met daarop in zwarte stift: 'wie voedert mij toch steeds??' De ezel op de wei deed alsof hij van niets wist. Ik moest zomaar denken aan de man bij wie ik vorige week vijf pakken granola kocht en die beleefd was maar niet hartelijk, waardoor ik dacht: misschien vindt hij dat ik te veel granola koop en ziet hij op tegen het bijbestellen straks. En niet voor het eerst viel me op hoe hard hij op Samson lijkt, de tv-hond. Maar het kan natuurlijk ook best zijn dat hij gewoon niet hartelijk ìs. En dat zijn vrouw de bestellingen doet. Ondertussen fietste ik verder. Nu eens door zon, dan weer door schaduw. Een autobestuurder schrok toen ik mijn voorrang nam. Een kraai vloog laag over mijn hoofd. Ik kwam voorbij de foto van de dode schooljongen; hij wordt maar niet ouder. Onder de foto lag een nieuw knuffeldier, de hortensia's ernaast waren verdroogd. Ik naderde de spil van mijn leven: de donkergrijze parking van de Aldi. Bij het oprijden ervan flitsten de twee dichtregels van Jan Emmens, die me nu al een paar dagen bezighouden, door mijn hoofd. "het is de zee die zich beweegt / alsof hij niets is dan alleen maar water." Ik ontweek gezwind een wandelaar die verstrooid de parking overstak.   Ik heb er twee gekocht. Twee potten lavendel. Geheel impulsief. Voor elke fietstas één. Ik zie ze staan, van hieruit, op het terras. Ze draaien dieppurper rond de zon.  

Katrin Van de Velde
4 0

Het jaar dat ik in Antwerpen woonde

Het jaar dat ik in Antwerpen woonde achttien en student Engels en Italiaans een prachtig appartement met glas in lood en open haard gevonden in Kerk & Leven Rita met haar honderden oorbellen op de zolder een poster van de Golden Gate Bridge over de hele muur zij zei: ik heb in Zwitserland gewoond als au pair en ook in Amerika en toen hoorden we de klokken van de Antwerpse kathedraal - het was vijf uur.   Het eerste wat ik als student deed was een trouwring kopen bij een jood. Een trouwring voor mezelf. Omdat ik vanaf nu van mij zou zijn toch in de eerste plaats. (Ik draag hem nog steeds. Onafgebroken.)   Ik lag op de lila deken die de huisbazin voor mij had gemaakt, van dezelfde stof als de gordijnen, en keek naar het hoge, witte plafond met rozet. Onder mij verraadde de plastic beschermhoes krakend wat van mij werd verwacht. Ondanks de advertentie in Kerk & Leven. Door de kieren in de houten vloer kwamen soms zachte flarden voetbal naar boven. Zelf luisterde ik naar The Cure en Olivia Newton John, op cassettes die ik van iemand had gekregen.   Ik kreeg er bezoek van Elsy die plots een Jehovah's Getuige was geworden, en mij overlaadde met een bijbel met flinterdunne blaadjes met uitsparingen voor de vingers en tijdschriften vol kleurrijke tekeningen van juichende mensen.Ze had haar man, die ik niet kende, meegebracht en beiden zaten, op de lila kussens op een bankje naast de haard, een uur lang verheugd te praten over het bouwen van een nieuwe koninkrijkszaal. Dat was de laatste keer dat ik Elsy zag. Ze was te verheugd geworden voor mij.   Verder kreeg ik er nog bezoek van een verboden man met een roos in zijn hand. Ook hij toonde zich verheugd, maar geraakte niet verder dan een zithouding op mijn krakende matras met al zijn kleren aan. Ik gaf hem een compliment over zijn zachte armen, hij zei dat hij niet van lila hield. Een vriendin van enkele straten verder kwam langs met twee handgranaten in haar tas. Ze bood me er een aan tegen stoute mannen 's nachts op straat, maar ik zei dat ik me wel zou redden zonder. Er deden verhalen de ronde over aanranding verkrachting moord, maar die overkwamen altijd anderen. Mijn moeder, die kwam ook nog op bezoek, die ene keer, toen ze begon te krijsen bij de drie kitscherige schaaltjes op de schouw die ik eens gratis had gekregen bij een lippenstift van yves rocher. Ze zag er asbakjes in, blijkbaar, en daarom in mij een rookster.   Ik vermagerde tijdens dat jaar, omdat ik mijn eetbudget besteedde aan een natuurstenen schaakbord met vilten lapjes onder de stukken (ik kon niet schaken, het diende enkel om af te stoffen) dat ik vond in het naar patchouli ruikende winkeltje om de hoek, en aan te dure laarzen en handtassen aan boeken aan prullen die ik niet nodig had. Op restaurant at ik een half bevroren pizza waar ik niks van durfde te zeggen, terwijl ik voor het eerst 'Where is my mind' van Pixies hoorde, uit het crappy boxje boven mijn tafel.   Op school vond ik niet echt iemand om mee op te trekken.Nu eens de ene, dan weer de andere. Een constante was echter Ann (het kan ook An geweest zijn), die zich na zowat elke pauze op een stoel naast de mijne liet zakken, om dan met een rokersadem waar ik misselijk van werd over haar honden te vertellen. Op een dag kwam ik een aula binnen, en daar had iemand met grote dramatische letters 'Roy Orbison is dood' op het bord geschreven.  

Katrin Van de Velde
0 0

Struikelen

Ik werd wakker, half drie, ging naar het toilet en tijdens dat kleine wandelingetje door het stille, donkere huis moest ik plots denken aan wie daar ooit zal lopen, wanneer ik er niet meer ben. En of die persoon ook zo'n wakker hoofd zal hebben als ik (weinig kans), of zich 's nachts gewoon kan bezighouden met slapen.   Maar nu ben ik er nog en om dat te voelen, rende ik de volgende dag - ongehoorzaam, ongezien - vier keer een minuut tijdens mijn wandeling, te midden van pisbloemen en de zware geur van koeienstront. Het was een lange rechte betonnen weg met hier en daar een tractorwielafdruk in zand, de lucht vol pluis. Ik kon het einde niet zien, maar wist wel dat het er was en dat stelde gerust. Ik rende tot ik mijn hart kon voelen, de benen een last die diende te worden meegesleept. Ik had gehoopt te zullen zweven, van stappen meteen in de runner's high. In de plaats daarvan trok ik een bh-bandje op een schouder, veegde een haarlok uit mijn mond, spuwde een vliegje uit. Een koe lachte me uit, een boer fietste krakend en nors voorbij. Maar ik, ik leefde nog en had een lichaam wakker gemaakt.   Ik werd wakker, half vijf, en begon te twijfelen over een grapje dat ik op facebook had gemaakt. Of het misschien ongepast was. Of er niet iemand was die daar over zou struikelen. En toen dacht ik aan al die mensen die al over mij gestruikeld zijn, zonder dat ik dat zelf in de hand had. En hoe het 's nachts het hoofd is dat moet worden meegesleept en niet zwaar genoeg op het kussen wil liggen. Een hoofd dat maar niet verdrinken kan. Ik verwijderde het grapje en toen sliep ik toch nog in en droomde dat ik wakker was, en ik was licht als de pluis van een paardenbloem.  

Katrin Van de Velde
0 2

Het Porsche treffen

Of ik wist welk weer er voor morgen was voorspeld, vroeg hij me vanop het dak van onze garage. Geen regen, hoopte hij, want hij moest naar een Porsche treffen, en zou de rest van de dag spenderen aan het opboenen van zijn wagen. En dan mocht daar geen druppel meer op vallen, ah nee.Ik keek vanop de oprit, fiets aan de hand, naar hem op en riep dat het er niet slecht uitzag, volgens Sabine. Zijn hoofd werd omkaderd door een treiterige donkergrijze regenwolk en ik hoopte dat hij me snel zou laten gaan, want ik wist hoe graag hij babbelt. Over zijn Porsche vaak. Of zijn vakanties naar tropische oorden. Of een lastige klant die steeds weer eist dat zijn ramen worden gelapt op het tijdstip waarop hèm dat het beste uitkomt en tegen wie hij geen franke mond durft opzetten want die klant heeft een gigàntische villa vol ramen (en ik vermoed dat hij onmisbaar is voor de Porsche en de vakanties).Ik hum dan wat tussen zijn zinnen door, steeds met een dringende voet op het pedaal en een stijf wordende nek.Want de vorige keer, zo riep hij naar beneden, bij het vorige Porsche treffen, had hij zo'n geluk gehad met het weer. Een paar droge dagen tussen de buien in. Toen hij enkele dagen ervoor plotsklaps zijn rijbewijs was 'kwijtgeraakt', had hij zich even de haren uit het hoofd gerukt, maar goed, zijn vrouw zou hem dan wel naar dat treffen rijden, en oef en zo.Dus: mooi weer die dag, een blakende zon die het bijna onmogelijk maakte om naar zijn zorgvuldig opgeblonken Porsche te kijken, hij fier op de bijrijdersstoel, rijdt zijn vrouw toch wel door een grote plas langs de kant van de weg, zeker!'Maar bloemeke, wat doè je nu!', riep hij tegen haar. Want ja, modderspatten kan je niet zomaar van de lak vegen, dat maakt krassen. Maar gelukkig ziet hij zijn bloemeke graag en kon de rit zonder ruzie worden verdergezet.Ik keek ongerust naar de steeds groter wordende wolk boven zijn enthousiaste kop, liet mijn fiets een metertje bollen en verzamelde lucht in mijn longen om mijn kans om iets ten afscheid te zeggen zeker niet te missen.Ik voorzag pessimistisch dat hij bij mijn terugkeer van de bakker onze ramen in een stortbuitje zou staan lappen.Zolang het morgen maar droog zou blijven. Dat alle regen er vandaag maar uitviel.

Katrin Van de Velde
3 0

Publicaties

Roman "Daar waar we amper kunnen staan"
Op zoek naar uitgever voor tweede roman.

Prijzen

"Daar waar we amper kunnen staan": beste roman 2012, Boekscout