De zolder staat op de gelijksgrond en de eerste verdieping bevindt zich op de derde. Wanneer je de lift naar de gevel neemt sla dan rechts af naar mijn kamer. Mijn kamer bevindt zich op een hele hoge straat. Waar iedereen die ooit bestaan heeft langskomt. Vanop mijn bed kan ik ze zien. Allemaal. En dan zie ik jou. Bel mij. Bel mij. Bel mij op.
De zolder had drie kamers, elke vreemder dan de vorige. Maar dat hing natuurlijk af van de volgorde waarin jij ze betrad. De eerste kamer werd omvergegooid tot een soepbar. In de soep die ze serveren zitten de haren van meisjes waar jij ooit verliefd op was. Het is iedereen die ooit bestaan heeft die komt proeven of de haren nog dezelfde parfum dragen. En dan proef je mij. Proef mij. Proef mij. Proef mij. Jij.
De rijen van planken die als kasten uit de muren steken hebben voor iedereen die ooit bestaan heeft een claustrofobisch doel. De tweede kamer is een bib waar de miniatuur beeldjes staan van meisjes waar jij ooit iets voor hebt gevoeld. De categorieën zijn terug te vinden in de runes gegraveerd in de randen van de kast. En dan zeg je. Zeg mij. Zeg mij. Zeg mij. Jij. Welke categorie ik daarvan was.
Iedereen van heel de wereld staat plots versteld wanneer de laatste kamer voor hun ogen wegsmelt. Een derde kamer aan de gevel van een hele hoge straat, daar draai jij als enige naar rechts. De laatste kamer op de gelijksgrond. De laatste kamer hangt vol bedrukte lakens als gordijnen aan het plafond. En bedrukt op de lakens, daar sta jij. Zo ben je dicht. Dicht bij. Dicht bij mij.