Kinderen

Jan
20 feb. 2014 · 0 keer gelezen · 0 keer geliked

Vandaag is zo’n dag. Het is zo’n dag die, niet eens zonovergoten, smeekt om een zonnebril. Die heeft Maarten niet bij zich. Hij zit op een bank bij een speeltuin en wrijft in zijn ogen. Het is nog vroeg. Zijn fiets en rugzak liggen op de grond. Met zijn rechterhand beschut hij zijn ogen tegen het licht. Hij tuurt naar een herkenningspunt in de vloeibare verte, als in een woestijn.

 

Daar zit een meisje op een schommel. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes om naar haar te kunnen kijken. Het is een tenger meisje. Toch heeft ze zichtbaar sterke ellebogen en knieën. Zou ze al tien zijn? Ze zet een streng gezicht op terwijl ze schommelt, wacht telkens het juiste moment af om uit alle macht aan de touwen te trekken, krijgt de schommel zo hoog dat hij haar gewichtloze ogenblikken gunt. Maarten kan van haar gezicht niet aflezen of ze er plezier aan beleeft.

    Zou ze met dezelfde tomeloze ijver haar huiswerk maken? Hoe dan ook zou ze het niet enkel voor de goede punten doen. Later zal ze prachtige samenvattingen maken van haar leerstof. Ze zal mooi zijn en geen onzin dulden van haar vriendje. Ze zal lak hebben aan twijfelaars. Maarten wiegt met het schommelende meisje mee.

    Het meisje houdt het spelen voor bekeken. Ze rent door het zand en verdwijnt van het toneel. Maarten staart de schommel, zijn deelgenoot in hangerigheid, na. Hij raapt zijn rugzak op, neemt zijn fiets, en rijdt naar huis. Onderweg probeert hij in de rechte stukken zo lang mogelijk met de ogen dicht te rijden.

 

Later op de dag zit Maarten in het midden van de driepersoonsbank van een recent aangekocht Ikeasalon. Hij heeft een zonnebril op en rookt sigaretten. De stompjes dooft hij uit in de asbak op de salontafel. Met nadruk, alsof hij ze één na één een lesje leert. Hij neemt zijn tijd. Hij heeft zijn hemd met palmboomprint aangetrokken. Zijn zwembroek en badlaken hangen te drogen op zolder. De microgolfmaaltijd voor twee, gesigneerd door een beroemde kok, ligt in de koelkast. De kattenbak is schoon.

    In de verte klinkt een sirene. Het geluid verplaatst zich erg langzaam. Wat moet het daarbuiten weer druk zijn, denkt hij. Hij droomt weg, starend naar twee kussens die op de sofa tegenover hem staan uitgestald, opgedoft en door een vrouwenhand geschikt als was het een stel, misschien zoals zij vroeger deed met pop en teddybeer.

    Maarten schrikt op. Gerinkel van haar sleutelbos bij de voordeur. Hij blaast en wappert wat naar de rook – die gedwee opzij gaat, beleefd bijna, zich verontschuldigend, en vervolgens gewoon blijft hangen –, pakt de asbak en gaat op kousenvoeten naar de keuken. Anja komt thuis van het werk.

 

Zij is weer als de wind. Haar schoenen klakken en schuren in de hal. Ze is gehaast. De deur naar de woonkamer zwaait open. Haar lange wollen jas, nog net te zwaar voor het seizoen, blijft nog even aan. Eerst moet het raam open. Maartens zonnebril belandt met een boogje op de sofa, naast het stelletje kussens. Zij vraagt niet hoe zijn dag was. Hij kijkt haar glimlachend aan. Zijn dunne lippen spannen als elastiekjes.

    ‘Niet grappig, Maarten’, zegt ze. ‘Denk om je zaad.’

Maarten verstart. Hij was het weer vergeten. Wat ze dadelijk gaat zeggen, klinkt hem als een voortijdige echo in de oren.

    Ze zegt: ‘Je bent het weer vergeten. Ik zie je boven? En haast je, over een half uur heb ik yogalates.’ Ze loopt hem rakelings voorbij. Hij is als rook.

 

De trap op. Hij zal proberen er het beste van te maken. In de slaapkamer kijkt hij toe terwijl Anja zich uitkleedt. Werktuiglijk, alsof ze tegelijk probleemloos nog zou kunnen telefoneren, vergaderen, netwerken. Het maakt haar mooier dan wanneer ze haar ondergoed al te zelfbewust slechts met de vingertoppen zou beroeren. Niet meer, maar ook niet minder dan wat het is, staat het Maarten vrij haar te aanschouwen. Wie is deze vrouw? Hij vraagt het zich af terwijl zij alvast post vat op het bed. Een beetje plagerig houdt hij zijn kleren aan.

    ‘Moefi’, zegt ze – Moefi, zo noemt zij hem soms, wanneer ze hem achter de veren moet zitten. Hij antwoordt dan steevast met een monotoon ‘Ja An’, of iets dergelijks, omdat zij daar niet tegen kan –, ‘Het moet nu, ik voel het aan mijn borsten. En de oefeningen straks kunnen alleen maar helpen.’

    ‘Wat denk je, An? Dat ik een wandelende erectie ben?’ zegt hij. ‘Het moet altijd nu. Eerst hier even oefenen, ja?’

    Anja zucht. Maarten laat zich uitkleden alsof hij, smerig van het stoeien in de speeltuin, een klein joch is dat in bad moet. Dat doet het hem. Anja zit op handen en knieën op het bed, zegt: ‘Dag jongeman’, en draait zich om, nu met het aangezicht naar de muur. Geen tijd te verliezen. Een beetje teleurgesteld, niet helemaal, weet Maarten wat hem te doen staat.

 

Hij kijkt naar een figuur op het behang dat Anja onlangs in een vlaag van koopwoede had meegebracht. Een vlinder in kinderlijke kleuren. De gebroken witte muren van eerder vond hij prima. Hij moet zijn gedachten erbij houden, of net niet. Om zichzelf aan te moedigen, pakt hij haar beet bij de billen. Zijn ogen volgen de welving die haar rug mooi in twee verdeelt, tot bij de aftekening van de knoken die de hals aankondigen. Het is de ritssluiting van Anja, zo stelt hij het zich voor. Bovenaan, net onder de haarlijn, trekt hij in gedachten de rits zachtjes open. Wat zich beetje bij beetje, roze en vochtig, onthult, durft hij niet aan te raken. Er naar kijken doet hem groeien in haar.

 

Aan haar kant van het bed nu, ligt Anja met de benen omhoog, de rug door de armen gestut. Haar ellebogen graven kuiltjes in de matras. Ze staart naar het plafond. Het is een eigenaardig stilleven dat Maarten stilaan vertrouwd aandoet. Alle beetjes helpen. Hij kijkt ernaar en denkt: zij schijnt te weten wat zij van de zwaartekracht vermag. Zijn penis ziet er ondertussen weer uit alsof je hem daarover niets hoeft te vertellen. Hoe vaak hebben ze hier zo gelegen, verfomfaaid en dompig, zoals het beddengoed?

    Hij weet niet wat hij moet zeggen, maar hij verdraagt de stilte niet.

    ‘Schat?’ vraagt hij.

    Anja graait naar een hoofdkussen en verbergt zich. De spanning in haar lichaam bereikt Maarten via de matras. Ze is niet mis te verstaan. Hij weet dat hij nu beter zijn mond houdt.

    ‘Misschien moest je de les deze keer maar eens overslaan?’ zegt hij. Na een paar tellen, alsof zijn woorden eerst even schenen te verdwalen in de vulling van het kussen, begint Anja’s bovenlichaam zachtjes te schokken.

    ‘Huil je?’ Wat een domme vraag. ‘Is het zo’n dag?’ Waarom bewegen zijn lippen nog? ‘Ik weet het’, zegt hij tenslotte.

    Anja werpt het hoofdkussen van zich af en kijkt hem, voor het eerst vandaag, rechtstreeks aan: ‘Wat? Zeg dat nog eens?’

    ‘Wat?’

    ‘Wat je nu juist zei.’

    ‘Of het zo’n dag is?’

    ‘Nee, ik bedoel: daarna.’

    ‘ik weet het?’

    Maarten ziet hoe Anja’s ogen tiktakken, alsof ze zijn blik peilt, in de hoop eraan te kunnen aflezen of ze nu moet schateren of janken. 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver en help je hem of haar verder op weg.

Jan
20 feb. 2014 · 0 keer gelezen · 0 keer geliked