Schoonmoeder sliste: hij las verkeerde boeken.
Schoonvader suste: 'Laat haar maar praten'.
Dochter was zevenentwintig en wilde het huis uit.
Schoonouders gingen met het stel naar Zwitserland op reis.
Jongen reed, parkeerde, veroorzaakte een kras,
liet geen briefje op de andere auto achter.
Schoonmoeder raadde dochter man af.
Vrouw weifelde, zette door, trouwde.
Zij zocht als slang alleen de warmte van
haar twee zorgvuldig uitgebroede eierschalen.
Man wist vooraf toch van haar weifel?
Hij vroeg schoonmoeder om goed woord.
Haar vat siste boven vuur, zij snoof haar neus,
bekeek hem schuin en lachte scheef met
opgeheven kin: 'Ik heb je nooit gemogen'.