Hij neemt zijn jas.
De dagen koelen sneller af.
Buiten schiet een merel krijsend weg.
De poes strekt haar rug.
In de avondzon springen ze uit het groen.
Zij maakt er gelei van, en likeur voor in de winter.
Onder hun donzig zachte vel
voelt hij de vruchten, keihard.
Hij draait eraan. Ze lossen niet.
Ze nemen hun tijd en de zon.
Het is haar boom en hier zou hij staan.
Ze wou de zon in de kweeperen zien.
Ze staat aan het raam en in haar ogen
leest hij de tijd die ze nemen.