ik ging nog even naar de tuin met de groentebedden waar nu stro op ligt en
waar het frisse groene blad geen vestje nodig heeft en pluk de dag speelt
ik hoor gekwetter van een roodborst, volgt mij op de voet van wieden langs
het pad dat schoon moet voor de winterschouw, ik loop een tuinvriend tegen
het lijf, we houden afstand en praten over ogen die straks beter kunnen zien
nadat je jaren alles maar liet zakken omdat het opstaan nog wel lukte en je
door gemaakt verbaasd te kijken en dat dan de hele dag, de ander nog wel zag
en vice versa, en je hoopte dat het niet opviel dat je niet de oude was, hoewel je
nu veel ouder was en iedereen het wel zou snappen, jijzelf nog het minst omdat
je de 40 nooit bent gepasseerd en je nog hetzelfde oogt en hetzelfde oogst, je gaat
voor de verse pluk, je voelt de plant power in je boerinneninborst, je bent nog lang
niet uitgespeeld in het groen groen knollen knollenland waar geen jagers zijn, de
tuinvriend zet muizenvallen, dat doe ik niet, ik ben van leven en laten leven, vraag
het de roodborst onder de bessenstruik, vraag het de slakken in de kool, de wormen
in de grond, de kikker in de vijver, de hommel die zich klaarmaakt voor de winterslaap:
deze plek is niet van mij, deze tuin herbergt een wereld en ik hoor er naamloos bij

