Hoeveel dagen zonder gedachten zijn aan haar voorbijgegaan?
Niet eens uit het geheugen gesmolten als ijs in een voorjaarszon,
maar geruisloos en onopgemerkt weggespoeld, verdronken
in de diepte van een dal.
Hoeveel uren staat ze beneden aan de oever van de rivier,
starend naar vloeibare taferelen? Ogen strak, schouders verstijfd.
In elke glinstering vermoedt ze een spiegelbeeld van het leven,
verderop stroomafwaarts.
Hoeveel jaren al kijkt ze naar een blind tableau vivant, luistert
naar stemmen achter haar? Schuifelt doorheen lege coulissen,
in het licht van uitgeleefde schijnwerpers, naar de tegenspeler
aan de overkant, die altijd zwijgt.
