Deze dichter vindt zijn dubbele naam te lang.
Komend jaar zal hij hem enkel voeren.
Hij zegt dat hij pas nu gedichten schrijven kan.
Hij heeft de levensuniversiteit doorlopen.
Hij overschouwt met zijn gehoor zijn bundels.
De eerste waren veel te breed. Hij gebruikte graag
veel adjectieven. Nu pas kan hij korte verzen aan.
Hij probeert zijn publicaties in een lijst
van kernbegrippen voor zijn hoorders op te sommen.
Zijn lijst en die van lotgenoten vergeet hij af te ronden.
Deze beroepspoëet beklaagt zich: hij wordt betaald,
maar doodgezwegen, niet beluisterd,
ingehuurd als potsenmaker, die hij vroeger was.
Nu pas denkt hij tijd in poëzie te kunnen stollen.