Ik heb mezelf verraden.
In de donkere kelder
veinsde ik te zoeken.
Ik zocht de geheime papieren,
de papieren die alles bewijzen.
Ik wist al waar ze lagen,
verstopt achter de blikken,
de tinnen blikken in de rekken,
de rekken die ik zelf gevuld heb.
Nu ben ik betrapt.
Ik sta in deze kelder,
een lamp op mij gericht,
en nooit, ja nooit zal ik nog
de papieren kunnen gebruiken,
de geheime papieren die een dichtkrans beloofden.