Mensen zonder verhaal: deel 1

31 okt 2013 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Oh god, zeg dat het niet waar is. Zeg alsjeblieft dat het niet waar is.

Tegen beter weten in, staarde ik nog eens priemend naar de treffende figuur in de verte. Die okerkleurige trenchcoat, steevast halfopen rond haar middel zwierend, dat warrige zwarte haar onbeholpen in een minuscuul staartje gemoffeld, dat duo fleurige oorbellen, aan weerszijden van het hoofd olijk dansend op de cadans van haar tred. Geen twijfel mogelijk, zij was het. Een lichte paniek maakte zich meester.

Hoe was het mogelijk. Dat ik haar net nu tegen het lijf moest lopen. Een ongeluk komt natuurlijk nooit alleen. Minuten, uren, wat zeg ik, dagen had ik erover gepiekerd, over deze ontmoeting. Over de conversatie die we, aangestuurd door onbeholpen toeval, zouden starten, en over waar die – Joost mocht het weten – eindigen zou. In die halsstarrig terugkerende overpeinzingen was zowat elk mogelijk scenario de revue gepasseerd. Gaande van een lichtvoetig niemendalletje, waarin weinig meer dan de strikt noodzakelijke vriendelijkheden werden uitgedeeld, tot iets fijner besnaarde gesprekken waarin geen zin verkeerd gelegd werd, tot een ronduit catastrofale clash waarin alle onbesproken gruwel eindelijk de vrije loop zou worden gelaten.In mijmeren was ik goed, in fantaseren trouwens ook. In onze urenlange gesprekken van weleer was rond alles wat er echt toe deed dan ook zo zorgvuldig heen gedraaid, dat ik de mogelijkheid om al deze nooit uitgesproken affaires ooit nog met woorden te bezweren zwaar in twijfel begon te trekken.

In mijn ooghoeken, zag ik de contouren van haar ritmisch bewegende lichaam schichtig dichterbij komen. Onwillekeurig flitsten mijn gedachten terug naar de talloze keren dat ik op haar zat te wachten. Naar hoe ik, precies aan de toegewijde regelmaat waarmee zij de ene voet voor de andere plaatste, kon voorspellen dat zij het was die met haar virtuoze haar passen de verder verlaten gang vulde. Bij elke stap die ze zette, leek de druk in mijn borstkas - net als vroeger - een beetje toe te nemen. Even overwoog ik het om het – als een halvegare – tussen de winkelende zaterdagnamiddagmassa op een lopen te zetten. Of om in een halfslachtige duikvlucht achter de eerste de beste volgestouwde rayon te verdwijnen. Helaas weigerde mijn elastieken onderstel voorlopig dienst. Het enige waartoe het zich op dit moment eventueel kon lenen, was tot een puike imitatie van een schrikkerige epileptische aanval – hé, dat was misschien nog een idee – en dat terwijl L. nu met de snelheid van een opgejaagde bloedhond leek te naderen. Neen, kom op, niet flauw doen, gewoon zijn. Of zen, of iets dergelijks. Ik overleefde het wel, het was immers niet de eerste keer dat ik dit gesprek voeren zou.

Als een getrainde rot in het vak doen-alsof-je-neus-bloedt keek ik gebiologeerd naar een stel pakken suiker in de rek links van mij. “Hee, Riska!” Oh hemel, daar gingen we. Hooghartig draaide ik het hoofd om. “Oh, hee Maira, ik zag je niet.” Lachend keek ze mij aan. Die blik. Ja lachen met haar ogen kon ze altijd al. Aan de manier waarop zich bij het ontbloten van de tanden in beider ooghoeken een lichte optrekkende rimpeling openbaarde, kon je de oprechtheid van haar glimlach aflezen. Dit exemplaar leek me overigens vrij rechtschapen te zijn. “Hoe gaat het met je?” Ze stelde de vraag niet zoals ieder ander hem stellen zou: achteloos, meer uit gewoonte dan uit oprechte interesse in de gemoedstoestand van de toevallig tegen het lijf gelopen gesprekspartner. Neen, niet zij. Zij leek het te menen. Vriendelijk gesticulerend, de glimlach secuur in de plooi houdend, pinden haar ogen zich steeds dwingender vast op mijn eigenste spraakorgaan, dat – jammer genoeg – voorlopig geen enkele aanstalten maakte om een enigszins gepaste reply in de strijd te werpen. Als dit geveinsde interesse was, dan was ze goed. Beroepsmisvorming wellicht, schoot me door het hoofd. Bijna was ik er met open ogen ingelopen. Nog net op tijd wist ik de valkuil der openhartigheid te ontwijken en er een korte "Best hoor." uit te gooien. De bijbehorende "Met jou?" slikte ik maar even in. Ik vond het een al te vrijmoedige inbreuk op haar privacy, iets waar ik absoluut geen zaken mee had. Ook beroepsmisvorming, dacht ik monkelend.

In de stilte die daarop volgde, bleef ze me volhardend vrolijk aankijken. Walgelijk. Zoveel levensvreugde zou verboden moeten worden. En al dat kijken, je zou er zowaar gestoord van worden. Net als vroeger - wanneer ze mij al nippend vanachter haar koffie schaamteloos zat aan te staren - voelde ik haar ogen prikken. Ik voelde ze zoeken naar de mijne. Ik denk niet dat ik ooit iemand zo diep had zien kijken. Alsof ze met haar ogen letterlijk in je ziel wilde graven, zo schrijnend aandachtig staarde ze je aan. Alsof je diepst menselijke geheimen daar op de bodem zomaar lagen te wachten op haar vraag, klaar om opgehaald te worden. Abrupt wendde ik mijn ogen af. Dit trucje moest ze heus niet meer uithalen, dat voorrecht had ze verspeeld.

Op de zwart-wit geruite supermarktvloer – waar ik mijn ogen bij gebrek aan beter dan maar op fixeerde – ontwaarde ik een schuifelend paar auberginekleurige botjes. Aha, dus toch. Een eerste teken van genaakbaarheid. Ik voelde mijn pols verslappen. Uit het niets borrelde plots ook de sterke aandrang op om haar mee op de koffie te vragen. Stedelijke koffiehuisjes leenden zich zo heerlijk uitstekend voor onzinnig langdradige gesprekken over niets en over alles tegelijk. Een plek waar we nostalgisch langs onze neus weg dingen konden oprakelen als 'weet je nog, toen ik van je hield' en daar dan – tussen twee koekjes door – eens hartelijk om konden lachen – of huilen – het bleef al gelijk. Gewoon, even praten, zoals alleen oude bekenden dat kunnen. Gewoon, alles, heel even alles, heel gewoon.

"Nu goed, ik moet eens gaan." De zin rolde uit mijn mond, als een mokerslag uit de vuist van een zwaargewicht eersteklas. Zo kwam hij ook aan. Een kort pleidooi over drukte, veel werk en treinen die gehaald moesten worden je kent dat wel – ratelde er achteraan. De blik in haar ogen veranderde van toon: minder etherisch, scherper, serieuzer ook. Ik wist dat ze me doorhad, maar dat kon me weinig schelen. "Zeker, ik zie je wel weer." bracht ze terug, opnieuw haar hartelijkste glimlach bovenhalend. Ik wist dat ze loog. Zes korte woorden, meer was er niet nodig geweest om van alles op slag terug niets te maken.

Terwijl ik al een eerste stap in de richting van het netjes uitgestalde assortiment confituren zette, keek ik haar nog eens strak in de ogen, haakte deze vervolgens los en vulde de vrijgekomen ruimte in met een blik op oneindig. Weg, hier vandaan, was al wat ik bedenken kon. Enkele tellen hield ik het vol, maar kon het uiteindelijk toch niet laten. Nog één keer keek ik achterom. Al wat ik daar zag was het auberginegetinte laarsjesduo, dat onbestemd, maar met de vertrouwde regelmaat van pas, hopelijk voor de laatste keer mijn leven uitwandelde.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

31 okt 2013 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket