Zoals mensen wel eens durven beweren in tijden van hevige rampspoed “ Ik weet nog precies waar ik uithing op het moment dat het eerste vliegtuig één der WTC-tweelingen indook om er, samen met het gruis door de New Yorkse straten, ook een walm van chaos de Westerse samenleving in te katapulteren” – zo herinner ook ik mij het startpunt van dit verhaal. En hoewel het hier niet onmiddellijk een geval van groot verderf of droefenis betreft, sloegen de weerhaken ervan desalniettemin in als een bom.
Vorige week vrijdag was het. In een jammerlijke poging tot het afronden van alweer een erbarmelijk hoofdstuk uit de thesis van mijn leven, zocht ik –geheel volgens procrastinatieve planning – zielsrust en mentale verpozing in de buitenwijken van het wereld wijde web. Ruimte genoeg om een tijdje van arbeidsintensief geesteswerk te worden afgeleid. Net wanneer ik de startpagina van facebook voor zo ongeveer de zevende maal in tien minuten mijn bureaublad vullen liet, sprong er een binnengelopen bericht het scherm op. Margot. Of ‘de meisjes’ vanavond zin hadden in een hapje en een drankje ten huize Liefmans - Vangerven? Een gesmoorde grinnik ontsnapt mijn lippen. Het getrouwde leven had zich al goed genesteld. In alle heimelijkheid was het twee weken geleden haar wezen binnengeslopen om zich vervolgens als een virale infectie te verspreiden door de aderen van haar bewustzijn. Klaarblijkelijk had het zich ondertussen ook al weten vast te klitten aan de uiteinden van haar dagelijks leven. Maar als beschaafde en welgeorganiseerde dinertjes achter ordentelijke gevels, waar met trots een dubbele voornaam op de deurbel aan de voordeur prijkt, de toekomst waren, dan kon ik daar maar beter meteen aan wennen. Dat aan onze voordeur nog steeds naam Joe Mehreb de deurbel sierde was bij wijle vast geen toeval.
Hoewel mijn strakke Moleskine een al even welomlijnd en druk weekendschema voorschreef, berichtte ik – als een trouwe volgeling – toch enthousiast terug: ‘Klinkt super: Ik zal er zeker zijn.’ Ook de daaropvolgende reacties van de vriendinnen waren unaniem instemmend. Iedereen zou zijn uiterste best doen om er te geraken, all other activities put aside. Al deze goodwill van een bende drukbezette jongedames die normaal geen kans onbenut liet om de naaste omgeving te overtreffen in de omvang van hun sociale activiteiten; het had een teken aan de wand kunnen zijn.
Diezelfde avond, 19u47 om precies te zijn en slechts zo’n kleine tweeëndertig minuten over tijd, kondigde een luid geclaxonneer aan dat mijn taxi gearriveerd was. Het weerzien met de high-school vriendinnen was zoals elk weekend weer dol: alsof ik bij het instappen prompt zes jaar terug in de tijd gekatapulteerd werd en op de trappen van de agora – een met vaal bruin tapijt beklede ruimte die voor overdekte speelplaats moest doorgaan – de tijd te slim af moest zijn met roddels en nutteloze weetjes allerhande. De twintig minuten durende autorit werd dan ook gevuld met uitbundig gekwebbel over alle futiliteiten van de afgelopen week. Van vermoeiende stages en ongemeen onbeschofte treinconducteurs - die zich op vrijdagavond steevast van hun schoonste kant laten zien - tot kwijlende patiënten, afmattende maar spijtig genoeg verplichte sportdagen met collega’s, rebellerende leerlingen en achterlijke schoolreisjes; het kwam allemaal aan bod. Over het hoe en waarom van onze avondlijke onderneming werd vooralsnog bedachtzaam gezwegen. Het niet uitgesproken onderwerp hing als een vervaarlijke zeepbel in het midden van de wagen, die vanaf het ogenblik dat er ook maar één vinger naar uitgestoken werd, genadeloos uit elkaar dreigde te spatten. De policy ‘kijken mag aankomen niet’ werd door alle spelers van het spel zonder woorden netjes gerespecteerd.
De met blauwe kiezelsteentjes bedekte oprit van Heirbaan nummer 7 was bij aankomst reeds met wagens bezaaid. Nu vrijwel iedereen een rijbewijs in zijn achterzak had steken, leek fietsen prompt geen optie meer. Het zag er naar uit dat we weer eens laatst waren. Vanuit de deuropening kwam een licht spottend ‘Aha, daar zullen we de diva’s hebben’ ons bij wijze van hartelijke begroeting dan ook al tegemoet gestroomd. Na een weerwoord dat clichématig beweerde dat het schoonste volk altijd een beetje op zich laat wachten, schoven we het gezelschap bij. Als een soort van ideale gastvrouw – maar dan wel eentje die lijdt aan hyperkinesia – sloofde Margot zich uit voor haar onoplettend publiek. Bijna lege wijnglazen werden naarstig bijgevuld, koffies werden klaargestoomd, en vanaf het moment dat er een prikkertje zo goed als nog maar in de richting van het laatste blokje salami wees, werd het schoteltje pront van tafel gerukt om vervolgens vervangen te worden door een gloednieuw afgeladen exemplaar.
Net toen ik mij bedacht dat ik best chance had, en dat ik het zo nog wel een tijdje hebben kon, werd de ontspannen sfeer plots verstoord door verhit gefluister. In mijn ooghoek zag ik hoe aan de overkant van de tafel een hand naar een mond glipte, enkele koppen in cirkelvormige beweging bij elkaar werden gestoken. Enkel een waas van gedempte geluiden wist de muur van opvangende oren en zorgvuldig geplaatste schouders te ontsnappen. Een nieuwsgierig ‘En weten ze het al? Is het nog geen tijd?, glipte tussen de vingers door, en kaapte de aandacht van het resterende gezelschap weg. Tijd waarvoor? , vroeg ik nog achteloos, met een mond vol kaas. Aangespoord door deplorabel geglunder, opgewonden gegiechel en enkele samenzweerderige knipoogjes links en rechts, blikte onze gastvrouw gelukzalig de kamer rond. Nog enkele seconden werden we in spanning gehouden, maar toen werd het grote woord op tafel gelegd.
“Ik ben zwanger”, zei ze, terwijl de fierheid zowat van haar gezicht afdroop. Terwijl de vreugde die zo-even vaan haar lippen gerold was, zich als een lopend vuurtje onder onze groep verspreidde, bleef ik bekrompen zitten: roerloos,en nog steeds met een mond vol kaas.
Na wat best enkele minuten kon zijn schoot me te binnen dat een slokje wijn bij wijze van doorspoelen hier misschien geen misplaatst idee zou zijn. Rondom mij had de ruimte zich ondertussen weten te vullen met gejoel, gejuich, geschreeuw: kortom ultieme vrolijkheid troef. Flarden van gelukwensen aan de toekomstige moeder vlogen in paartjes door de kamer. Ze kruisten er stemmen die gingen van ‘Zei ik het niet?’, ‘Ik wist het wel!’ en ‘Zie ik daar al niet een kleine baby-bump?’.
Daar, te midden van al die broeiende algehele euforie, bezweek ik.
In alle baldadigheid liet ik me volledig meeslepen door de nieuwgeboren babyvreugde. Voor ik het goed en wel doorhad werd er een stel wollige babysokken mijn handen in geduwd, gevolgd door een akelig paar knisperende pluchen beesten en een slabbetje van een zachtheid dat het geen naam heeft. Wat moest ik met die hele peutertuin? Meer dan ondingen uit een mij vaag bekend verleden waren het niet. De geëxalteerde opgetogenheid die ze bij het omringende publiek teweeg schijnen te brengen was mij dan ook volledig vreemd. Lachen en doorgeven die handel. Enkele seconden later werd mij een vale prent onder de neus gedrukt. Maar kijk dan toch, hier zie je het neusje, daar de beentjes, en ja tien vingers en tien tenen, alles er op en er aan. Dat ik uit de 6cm grote fotografische vlek onder mijn ogen maar weinig kon maken, bleek geheel aan mij te liggen.
Te midden van al deze drukte keek ik naar haar. Hoe ze daar zat, vol rust en ingehouden blijdschap in haar stoel, met haar handen vol buik en de ogen met trots naar binnen gekeerd. Onwillekeurig sprongen gedachten terug naar het kleine, fijne meisje met rebelse piekjesharen. In een citroengeel jurkje en platte sandaaltjes, in het gras vooroverbuigend, reikend naar het laatste madeliefje in het voltooien van haar kroon. Hoe deze kleinste vlak onder onze neuzen zo snel groot was geworden, was mij een raadsel. Hoe ze zonder dat we het in de smiezen hadden ons allen, één voor één, traag maar gestaag voorbij was gestoken, ons in leven én in welzijn was ontgroeid. En net zoals ze enkele weken geleden de eerste vrouw onder de meisjes was geweest, toen ze onder menig goedkeurend oog aan hare Michiel het jawoord had gegeven, was ze nu de eerste moeder onder de dochters. Hoe groot en fel het contrast, en wat een overgang dat zijn moest. Wat er moest gebeuren in het hoofd van een meisje op het moment dat ze de eerste trap van dat zelfgemaakte voetje tegen de rand van zijn wereld voelt schoppen. En te begrijpen dat die wereld niets meer of minder is dan haar oneindige zelf. Te veel spanning voor een buik.
Hoe zij daar zat, zonder angst, met de rust in haar schoot. Het deed me denken. Zou het dan toch waar zijn wat ze zeggen? Kleine meisjes worden snel groot. Een enkeling dan toch. Als ik rondkeek, zo’n één op twaalf, gemiddeld. Zo goed voor zichzelf gezorgd had zij, dat ze klaarblijkelijk zorgen over had voor een nieuwe ander. Instinctmatig voelde ik een soort van trots opwellen. Het borrelde, kwam van ergens onderaan de buik, woelde zich door maag en borstkas, waar het in lichte benauwdheid bleef steken. Ze had het toch verdorie niet slecht gedaan, die Margot.
Het moet daar en toen geweest zijn, dat ik met mezelf een deal sloot, een besloten overeenkomst tussen twee ikken die zich voornemen om elkaar niet langer voor de voeten teblijven lopen. Misschien werd het voor mij ook wel eens tijd om het ‘niet slecht’ te gaan doen. Om een beetje minder dochter te zijn, en hoewel het voor moeder duidelijk een beetje vroeg was, dan toch op z’n minst een beetje meer vrouw. Klein beginnen zou geen schande zijn. Misschien kon ik dit weekend vast beginnen met de vaat, de was, de strijk, het verdrijven van het stof. En misschien, heel misschien, kon er dan op maandag wel een nieuw kaartje aan de deurbel af. Zo eentje met een dubbele naam, wie weet. Maar dat zijn puur veronderstellingen natuurlijk.