Mijn moeder

14 mei 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

 

 

In de kleuterschool vroeg mijn beste vriendje of ik later, wanneer we groot waren, met hem wilde trouwen. Ik aarzelde om op zijn aanzoek in te gaan, want er was iets nog niet helemaal duidelijk : mag je, als je trouwt, bij je moeder blijven wonen? Na even nadenken stelde hij me gerust: hij dacht dat het wel kon, en hij leek er zelf geen bezwaar tegen te hebben.

Ik had een knuffelbeer, Jan. Hij zag er niet uit: één poot hing er nog half aan, hij miste een oog en zijn gele, zachte pels was vuil en grauw geworden. Mijn moeder vond dat hij zijn beste tijd gehad had.
'Zouden we die oude, versleten Jan niet weggooien?' 
Ik was verontwaardigd: 'Wie gooit er nu zijn kind weg?'

Moederliefde. Ik kreeg het van mijn moeder en gaf het door aan mijn knuffels. Ik ben nooit getrouwd en heb geen kinderen, maar dat doet er hier niet toe. 

                                                                   ***

Het is bijna moederdag en elke dag zie ik op tv dezelfde reclamespot voorbijkomen: 'Ik ben blij dat ik steeds meer op je lijk.'
Er zit iets in. Ik hoor mezelf iets zeggen en het is alsof ik mijn moeder hoor praten. Dezelfde woorden, op dezelfde manier uitgesproken. Mijn moeder was sterk in tegeltjeswijsheden. Dingen als: 'Draai het blad maar om' of 'De slimste zwijgt.'
Ik vertel ook steeds vaker dezelfde verhalen.
'Mama, dat verhaal heb je nu al honderd keer verteld.'
'Ja, maar…' en ze ging onverstoorbaar verder, en ik hoorde het voor de honderdeneerste keer. En nu zegt mijn petekindje : 'Dat heb je al gezegd. Al drie keer.'

Het zit ook in de kleine dingen: op dezelfde manier soep eten, in een appel bijten, op mijn horloge kijken. Over iemands schouder meelezen — ik vond het zo irritant wanneer ze dat deed. Ik zie dingen niet die vlak voor mijn neus staan. Ik loop verzonken in gedachten over straat en merk niet dat iemand naar me zwaait. Dat heb ik allemaal van haar. Ze was als kind verlegen en stil, vertelde ze. Net zoals ik.

Hier houdt de vergelijking op. Ik heb haar alleen gekend als iemand die altijd bezig was, het goed kon uitleggen en als geen ander kon organiseren. Zeven kinderen grootbrengen, voltijds lesgeven en dan nog voorzitster zijn van de Boerinnenbond.Truien breien, gordijnen stikken.  Doe het maar eens na. Ik ben al moe wanneer ik eraan denk.

Hoe deed ze het? Waar haalde ze die energie? Hoe werkte haar hoofd? Had ze allemaal verschillende schuifjes die ze opendeed en weer dicht? Eén voor de kinderen, één voor de kleinkinderen, één voor haar bond, één voor de les die ze ging geven, en ga zo maar door. Schuifje open, schuifje dicht, volgend schuifje open.
In mijn hoofd blijven de schuifjes haperen, of ze springen allemaal tegelijk open en alles valt eruit. Moet ik alles weer oprapen en steek ik het in de verkeerde schuifjes.

‘Ja, papa, het is Ilse, is ons mama daar?’ 
Mijn moeder was het centrale aanspreekpunt, maar jammer genoeg ook de botsabsorbeerder van de familie. Want als je zeven kinderen hebt, is er altijd wel iets, met iemand. 

In de slaapkamer van mijn ouders hing een tegeltje:
‘Heb vertrouwen. God is liefde. De mens is goed.’ 
Soms wilde ik dat ze dat wat minder geloofde, het had haar wat miserie bespaard.

                                                           ***

'Ik heb het begin van Parkinson.' Ze zei het zo nuchter en zonder dramatiek, alsof het ging over een tand die getrokken moest worden, dat het eerst niet goed tot me doordrong.
Beetje bij beetje zagen we hoe ze achteruitging. Hoe ze steeds moeizamer stapte, eerst met een wandelstok, aan de arm van mijn vader. Dan met een rollator, tenslotte een rolstoel. Familiehulp - die maakte slechte, zoutloze soep, klaagde papa. Dagopvang, nachtzorg. En dan de terminus: het woonzorgcentrum.

                                                             ***

Mijn vader kijkt naar de koers en mijn moeder zit in haar relax en staart mee naar het scherm, met een glazige blik. Ze lacht wanneer ik de kamer binnenkom.
‘Ben je met je nieuwe fiets gekomen? Je hebt een mooie trui aan.' Dat doet ze altijd : de ene keer geeft ze een compliment over een trui, dan over een broek, een jas, schoenen.

Haar kamer hebben we zo gezellig mogelijk ingericht, met veel foto’s: kinderen, kleinkinderen, nu zelfs achterkleinkinderen — ze lachen haar allemaal toe. Ze zegt dat ze verdrietig is, elke keer wanneer ze naar de foto van mijn broer kijkt.
Er komt een verzorgende binnen, ze brengt een drankje en blijft even babbelen.
‘Iedereen is vriendelijk,’ zegt mama. Doe normaal, denk ik, mijn moeder is toch geen kleuter.

'Vertel eens, Leake, hoeveel kinderen hebt ge?'
'Ik had er acht, nu nog zeven.'
Nu moet ik haar toch corrigeren.
'Nee, mama, je had er zeven en nu nog zes.'


‘Blijf je eten?’ 
‘Nee, mama, dat gaat toch niet.’ 
‘Ik zou niet weten waarom niet.’ 
We brengen haar naar de eetkamer, mijn vader smeert haar boterhammen,  giet haar koffie in en doet haar een grote slab om. Ze vraagt of ik ook een boterham wil. 

                                                                       ***

Ze moet naar het ziekenhuis, het gaat steeds slechter. Ze heeft koorts, ijlt. Pas wanneer de koorts zakt, mag ze naar huis, naar haar kamer in het woonzorgcentrum. Ze is beter, denkt mijn vader. Ze wordt niet meer beter, weten wij.  

Pling! Een bericht in de familieapp: het gaat niet lang meer duren. Familieleden wisselen af aan haar bed, maar dat weet ze niet. Ik moet af en toe naar het toilet om stilletjes te wenen.

Op Facebook krijg ik hartjes en troostende berichtjes. Ik bedank en schrijf:
‘Ik ben verdrietig omdat ze er niet meer is. Ik ben opgelucht omdat ze geen pijn meer heeft.  En ik ben blij omdat ik een lieve mama had.’

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

14 mei 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket