De frisse groene lindebladeren glinsteren
in de lage zon en wiegen op een bries.
Hun schaduwen wiebelen op het open boek
op mijn schoot, op het parket, op het tapijt.
Ik ben het tijdelijke oog te midden van
de zachte storm die ons omringt. Hij woedt in mij,
ik voel hem niet. Omgeven door de rimpels,
tril ik met ze mee, flikker in de zon,
dein op de wind, golf met de woordenzee.
Ik ben het open vat dat ongewild en erg
ontspannen tegen vliegen vecht en eeuwig vallen.