er staan bezems dwingelanderig te brommen in de kast
mijn oude kat laat loom haar haren vallen op de bank
stapels borden zuchten onder afgebroken scherven
heel het glaswerk, ooit zo helder, toont zich afgemat
en overal, overal zie ik de dingen barsten en vergaan
er is teveel reclamepost, geadresseerd
aan de bewoners, zonder naam
ook de kranten overdrijven, geven inkt af
op mijn oogbal, drukken hun verhalen
door mijn strot, geven letteroverlast
buiten het sijpelen van snotterige regen
geen vogel te bespeuren, alleen de wanklank van de straat
en geen haan die ernaar kraait dat ik hierbinnen zojuist
de oorlog heb verklaard, terwijl
voorbij mijn raam de schaamteloze wolken waaien
wat heeft alles toch vandaag, ik probeer mijn draai
terug te vinden in de kringen rond mijn ogen,
tussen het afbladderend eelt aan mijn voeten,
in het uitgelubberd spinrag in mijn hoofd
waar geen vlieg zich ooit liet vangen
dit is een dag als facebook zonder duimpjes,
geen rode hartjes te bekennen, wat is er over
van de kameraadschap in dit spookkasteel
van eigen makelij, waar is de moeder die haar kind
toelacht en zegt: het oorlog spelen is nu klaar

