Toen een pan knopen vlocht in mijn hoofd
streek ik neer. Water kleefde gladzacht,
zout walste mij uit.
Terwijl ik diep in de spiegeling verdween,
tikte een visvin op mijn schouder.
Het legde een smaak in mij:
‘Draag zout in je mond,
mijd de gore taal en het verloren woord.
Zoek de aardsmaak waarin het begon.
Leg je schaduwbubbels te slapen in de pekel.’
Elders rekken korrels zich uit.
Broekzakken leeg.
Korrel na korrel spant lucht
een zwemvest rond mijn borst.
Ik slik het onnoemelijke woord.
Niet de vraag naar geluk,
maar dit standvastige onthouden.
Dit overleven.