Gastheer
Laf opent de avond.
Duister valt.
Geen excuses.
Precies nu.
Het bad. De reinigingsmelk.
Het waanidee van een gerust hart.
Hij zit er al.
Ingevroren. Ingeworteld.
Zwart, hardnekkig te zwijgen.
De klok tikt in mijn longen.
Ik braak elke ademteug terug.
Tijd is gif.
Ik dacht dat ik de held was.
Maar het weefsel heeft zich vertakt
als een blinde klimop.
De aders staken, darmen weigeren.
De weg is op.
Ik val stil.
Vanaf hier moet je lopen.
Ik noem je Tim.
Vanaf hier lopen we bijna samen.
Dood.