De klok tikt.
Niet hard, niet zacht.
Gewoon.
Alsof hij niet telt,
maar luistert.
Ik staar naar het behang,
een barst die er gisteren nog niet was.
Die barst groeit.
Dat is iets.
Dat is beweging.
De kat ligt op de vensterbank.
Ze opent één oog,
sluit het weer.
Ze geeft geen moer om mij.
Dat is eerlijk.
Daar kan ik tegenaan kijken.
En dan het moment:
ik scheur een vel uit mijn notitieblok.
Het geluid van papier dat loslaat
kort, droog, definitief.
Alsof ik een been breek
dat al weken scheef stond.
Daar laad ik van op.
Van het weggooien
van wat te veel is.
Van het wegmoffelen
van wat niet deugt.
Van het wegleggen
van wat vandaag niet hoeft.
Daarna ga ik zitten.
Niet om iets te beginnen.
Gewoon omdat de stoel er staat.
Buiten beweegt een tak
zonder dat iemand hem ziet.
Binnen schuift het licht
een paar centimeter over de vloer.
Meer gebeurt er niet.
Meer hoeft er niet te gebeuren.
Misschien is leven
niet het optellen van wat blijft,
maar het langzaam verdwijnen
van wat te veel is.
Tot er, bijna ongemerkt,
weer ruimte ontstaat.
Niet groot genoeg voor geluk.
Wel voor adem.
En adem
is soms al een raam
dat zichzelf opent.

