Het hoopt zich op,
trekt zich samen,
wikkelt zich in elkaar,
tot er binnenin iets schreeuwt,
iets naar adem hapt,
en wil ontsnappen.
Het beetje adem dat het nog heeft,
houdt het in,
om dan explosief los te laten.
Niets van dat wat
hoopte, trok en wikkelde,
is nog zichtbaar,
het is overal,
onherkenbaar,
versnipperd, en versplinterd,
het wil weer hopen, trekken, en wikkelen,
het wil geschreeuw insnoeren,
omdat het hoopt,
dat rust zo zal komen.
