Toon me de grond onder je voeten
en ik vertel je waar het vluchtspoor vandaan kwam
wat de schrammen boven je knieën
verklappen en waarom de kaars ’s nachts soms
toch beter langs weerskanten opbrandt
hoe de wind waait als je ’s morgens
over de bruggen raast waar de appelmoeswolken
midzomernachtdromen stomen
en het slobberwater uit zijn vieze plakbek ruft
de mensen altijd zagen, maar vergeten te zien
naar alles wat ons recht houdt
want iets blijft hier maakbaar
tussen alle vernieling in.

