Kamelenkind,
wat kijk je sip,
Wat loop je toch te treuren?
Ik ben verliefd,
zegt de kameel,
En dat verklaart mijn kuren.
Wat fijn is dit! Jij bent verliefd!
Dan ben je te benijen!
Waarom zie ik dan tranen vloeien,
Tot bijna bij je dijen?
Mijn liefde is zo ver van mij
En ik ben ver van haar
We zullen nooit een koppel zijn,
Nooit horen bij elkaar!
Mijn vriend, kameel,
ga dan daarheen
En breng je liefde mee!
Mijn huis mag dan gigantisch zijn,
Maar het is een woestijn.
Mijn liefde is een vis, dat is,
En die woont in de zee.