ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is
dit jaar is de veldleeuwerik de vogel van het jaar
nipt won hij van de patrijs en de boerenzwaluw
generaties lang was de veldleeuwerik symbolisch voor het Vlaamse boerenlandschap
en dan ga ik net niet over mijn nek
want wat is Vlaanderen enkel dan boers, stuurs, wantrouwig, verongelijkt
‘wie gaat dat hier betalen?’
altijd de pias, altijd de vlijtige mier en baggerboer,
land van pokdalige, melaatse, immer katholieke kneuterigheid
en veldrijders uiteraard in dit nooit te hete, nooit te koude, nooit te natte en nooit te droge
slijkland, modderland, slib, prut en blubber
terwijl ik snak naar een slipje, een kut, en liefst zonder rubber
want ik ben zo gebekt, ik ben de haas, de Vlaemsche shamaan, Houtekiet,
Joseph Beuys, mijn zielsverwante vet-en-vilt-kunstenaar
wij zijn de bunzings, de coyotes, wij schijten op The Wall Street Journal
want dat doen visionairen, revolutionairen, psychoten en atavisten
meer dier dan mens
een ander soort queer
identificeren doen we ons met de walrus die opduikt in Scandinavische havens en bootjes als hangmat misbruikt
met de wolf die Vlaemsche schaapjes verscheurt
met de zwaardwalvissen die in de Golf van Biskaje zich vergrijpen aan de plezieryachtjes van niet zo plezierige decadente rijkeluizen
want zo zal het verlopen, zo zal het vergaan,
de mens verdwijnt, de kakkerlak gedijt
dat is kung fu, of skaten, één van de drie
