Dwars over een landweg sputterde een scootmobiel. De vrouw die hem bestuurde, vloekte over alle omliggende velden heen. Ze droeg een houthakkershemd en een wijde jeans, haar haren waren ongekamd. Ze snokte aan het stuur waarop de elektrische rolstoel op gang kwam en weer stil viel. Kort naar voren en weer naar achteren, haar lichaam volgde de cadans van de machine. Het geheel leek een slecht gemonteerde automaat van een sadistische schepper. Naast haar zag een labrador het aan. We legden de tractor stil en stapten op de vrouw af, die zich niet liet afleiden door onze aanwezigheid. Ik aaide de hond over zijn bol.
‘Hij is op rust gesteld,’ zei ze, ‘Depressie. Hulphonden mogen niet geaaid worden.’
Van zodra ik stopte met aaien, tikte de hond met zijn snuit tegen mijn hand.
‘U zit vast’, concludeerde Nino.
‘De pechverhelping voor rolstoelen zit thuis,’ zei ze, ‘door dat virus. Iedereen zit thuis. Wat doen jullie hier?’
‘Wij zijn op weg naar een begrafenis,’ zei ik.
Ze pierde en liet de rolstoel even met rust.
‘Wat mooi van jullie,’ zei ze.
‘Woont u ver?’ vroeg Nino.
‘In dat witte huis daar,’ ze wees met haar kin in de richting van het huis op de heuvelkam.
‘Helemaal naar boven?’
‘Ja,’ zei ze.
‘Ik kan proberen een kabel te bevestigen aan uw rolstoel,’ zei Nino, ‘Dan takelen we u tot aan uw huis.’
‘Prachtig,’ zei ze zonder enthousiasme.
Nino reed de tractor voor en bevestigde het touw aan de scootmobiel.
‘Loop jij mee met haar, voor mocht de rolstoel kantelen?’
Ik geloof niet dat ik sterk genoeg was om de rolstoel tegen te houden of de vrouw op te vangen, maar ik deed wat Nino zei. Zo trokken we in processie door het landschap: een tractor, een rolstoel, een wandelaar en een hond.
‘Mijn man was zoals je vriend,’ zei ze.
‘Hoezo?’
‘Hij schoot meteen in actie. Meestal werkten zijn oplossingen.’
‘Lijkt me mooi om met zulk een man samen te zijn.’
Ze trok haar wenkbrauwen op.
‘Zijn jullie samen?’ vroeg ze.
‘Nee’, zei ik, ‘we waren ooit wel…’
‘Wat is er dan zo mooi aan?’ onderbrak ze me.
‘Ik weet het niet, dat je op iemand kan rekenen, of zo, dat iemand je helpt.’
‘Wat een kutwoord is dat toch,’ onderbrak ze me weer.
‘Welk woord?’
‘Helpen.’
‘Wat kan daar mis mee zijn?’
‘Sinds ik mijn man buiten gewerkt heb, krijg ik een hoop hulpverleners over de vloer. Kijk, de zon zakt al, straks is thuiszorg daar.’
‘Mooi, toch?’
‘Ze snijden kiwi’s, stoppen je vroeg in bed en wassen je als je nog proper bent.’
‘Toch beter dan niks?’ opperde ik, ‘of heeft u liever dat we u hier laten staan?’
‘Doe niet gek, natuurlijk heb ik jullie nodig, net zoals ik thuiszorg nodig heb,’ zei ze.
‘Gelooft u dan niet dat iemand gewoon graag iets voor u doet?’ vroeg ik.
‘Ze helpen je om niet met hun eigen zaken bezig te zijn. Het is lafheid, dat helpen,' zei ze.
Ik besloot om er niet verder op in te gaan. De rest van de weg zat ze kaarsrecht op haar defecte vehikel.
We kwamen bij haar huis aan. Nino maakte de kabel los en duwde de scootmobiel zo dicht mogelijk bij de voordeur. Ze gaf ons de sleutel. ‘In de gang staat mijn rollator’, zei ze. Nino en ik namen haar elk bij een bovenarm en trokken haar de drempel over.
‘Zo gaat het wel’, zei ze.
In haar donkere woonkamer stonden bijzettafels met boeken, kaders en facturen. Waarschijnlijk waagde niemand het om die op te ruimen.
‘Hoe bent u eigenlijk, als ik vragen mag…,’ begon ik aarzelend.
‘Van de ladder gedonderd toen ik de eik wou snoeien,’ zei ze, ‘Slecht terecht gekomen.’
Ik beeldde me in hoe ze bewegingsloos in het gras lag met de nog razende kettingzaag naast haar. Had ze haar man geroepen? Het was vast een hartelijke kerel, en hartelijke kerels hebben in mijn verbeelding altijd een snor en een buikje. Hij was waarschijnlijk op haar toegelopen, had de hulpdiensten gebeld toen bleek dat ze haar benen niet voelde. Nadat ze het ziekenhuis had verlaten, bracht hij haar thuis maandenlang eten op bed. Maar hij had niet willen toegeven dat het haar fout was.
‘Wat een treurige vrouw,’ zei ik tegen Nino toen we weer in de tractor zaten.
Om zijn mond verscheen een monkellachje.
‘Ik vond haar nog wel stoer,’ zei hij.
Dit is een fragment uit mijn manuscript 'Nino'