Pons

Gebruikersnaam Pons

Opleiding

Master Romaanse Talen (UGent), Lerarenopleiding en Master journalistiek (EHB/VUB)

Teksten

Au café de la paix (11) -Waarborg

‘Je suis un client, pas un danger’, denk ik als ik inhaak. Is het iemand die naar vrede streeft toegelaten om eens goed te ranten? Te zagen, aan te klagen? Ach, rechts wil de vrede garanderen met orde en veiligheid, links met activisme en verzet. Er is blijkbaar altijd wat strijd nodig om de harmonie te bewaren. Dus, hier gaan we!  Kortetermijnverhuur van appartementen zwengelt de wooncrisis aan. Daar ben ik heel erg mee begaan. Het is akelig dat sommige mensen geen thuis meer vinden, omdat anderen per se thuis willen zijn op reis. Niet zo’n duf hotel, maar je eigen stulp in een onbekende stad. Even doen alsof je een echte Parisien of Londenaar bent. Misschien is de illusie van die vele levens de aantrekkingskracht van Airbnb.  En toch boek ik heel soms een studio of appartement. Via Booking, deze zomer de koning van de oplichterij. Maar ik heb er Genius-korting! En vroeger hield Booking malafide eigenaars net wat onder controle, zo werd gezegd. Mijn eerste reservatie haalt al wat Airbnb- trauma’s naar boven. Ik dacht bij de term ‘aparthotel’ aan een receptie met een persoon van vlees en bloed, maar krijg twee toegangscodes opgestuurd, van de deur en de voordeur, en een lijst gedragsregels. Geen feestjes houden, niet roken, niet onderverhuren, je niet prostitueren. De ochtend van mijn vertrek valt er nog een bericht in mijn chatbox. Of ik de lakens van mijn bed wil trekken en samen met de gebruikte handdoeken aan de voet van het bed wil deponeren. En het afval in de vuilnisbakken in een zakje in de keuken wil zetten. En de ramen wil sluiten. Ik doe al het gevraagde, maar het zakje voor mijn afval vind ik niet, en ik moet nog ontbijten en naar het station. Ik stuur een bericht, de reactie is begripvol: het is al top dat ik de vuile was heb gesorteerd. Oef. In tijden van hongersnood en genocide is het uiteraard een kleine moeite om de lakens van je bed te halen. Toch vreet het aan mijn vakantiegevoel. Ik wil gewoon een beetje welkom geheten worden, niet alleen maar liefdeloze instructies krijgen. Ik ga op vakantie, niet op internaat. Naast de anonimiteit stoort het me dat de eigenaar weinig werklust toont. Ik doe als vakantieganger haast meer inspanningen dan de persoon die hier zijn geld mee verdient. Vaak zijn bedrijven het mikpunt van beschuldigingen, maar soms bakken particulieren het nog bruiner.  Nu zag ik de ‘belangrijke info’ over het hoofd, onderaan in mijn boekingsgegevens. Ik heb in Orléans een appartement met twee slaapkamers gereserveerd, voor mezelf en mijn reisgenoot die uit België komt afgezakt. Er dient een waarborg van duizend euro overgemaakt te worden, die ik de week na ons vertrek terugbetaald krijg. Als er niks kapot is, tenminste. Duizend euro, terwijl de prijs voor ons verblijf iets meer dan vijfhonderd euro bedraagt. Via de chat van Booking krijg ik een bericht van de conciërgerie waar de accommodatie mee samenwerkt. Ik moet mijn VISA- nummer invullen via een link naar het mij onbekende platform ‘Superhote’. De angst slaat mij om het hart. Is dit niet net de fraude waar ze op tv en in de krant voor waarschuwen? Kan mijn hele rekening zo geplunderd worden?  Ik kopieer het verdachte bericht in de Whatsapp-groep van mijn collega’s. ‘Da’s een scam, sowieso!’ en ‘duidelijk oplichterij!’ reageren ze. Ik bel de fraudelijn van mijn bank maar kom op zondag terecht bij een medewerker die amper iets weet. Ze zal mijn vraag doorspelen aan de bank. Ik bel de politie van Orléans om te weten of er zich wel een appartement op dat adres bevindt. De agent relativeert: de verhuurder blijkt een keten te zijn met accommodaties in verschillende Franse steden, de advertentie staat op meerdere sites, en het is in Frankrijk niet abnormaal dat je waarborg hoger is dan de prijs voor je verblijf. Inderdaad, bij het Café Vélo in Agen vroegen ze ook een waarborg van 1500€ voor de huur van een elektrische fiets.  Ik wacht dus nog even voor ik het leger erop af stuur. Ik deel mijn twijfels via de chat van Booking met de conciërgerie, bel de contactpersoon op. Ze benadrukt de angst van de opbrengsteigenaars dat hun appartement vernield wordt. Het is prachtig gerenoveerd, helemaal nieuw. Baldadige toeristen hebben eens een stoel aan diggelen geslagen in andere accommodaties. Verhuurders moeten zichzelf toch beschermen?  Ik begrijp het, maar wil de borg liever op haar bureau in Orléans regelen. Met een echte persoon voor me. Dat gaat niet, ze is niet ter plekke. Ze verstaat niet wat ik zo riskant vind aan die online waarborg. Ik begrijp niet waarom je niet naar kantoor gaat als je geld wil verdienen. Aan het zwembad herkauw ik mijn frustraties.  Hoe vaak moest ik de laatste tijd online uit mijn doppen kijken? De elektricien met goede reviews stelde me een bedrag van 165 euro voor om een lamp op te hangen. Fake interieurwinkels verkopen lampen van Alibaba door.  Vaak zijn het niet eens grote fraudeurs, maar gewone mensen die net iets te snel veel geld willen verdienen. Het online handeltje maakt ze overmoedig. Ze hoeven geen directe confrontatie aan te gaan. Zo groeit ons wantrouwen tegenover elkaar.  Als we die online bullshit eens achter ons lieten, als we allemaal op een eerlijke manier ons geld verdienden, dan zouden alle mensen misschien weer broeders worden. De volgende keer ga ik op hotel, zweer ik, net zoals ik mijn lamp in de goeie ouwe winkel kocht. Maar nu waag ik de sprong en voer mijn VISA in op Superhotes. Meteen krijg ik de toegangscodes voor het appartement in mijn mail. Ik baal alweer. Sleutel ophalen in een kluisje in de ene straat, dan naar het appartement dat op een kwartier lopen ligt.  Het mooie stadscentrum van Orléans is een troost, maar wanneer ik met de vier sleutels van het appartement eindelijk binnen geraak, valt de stress helemaal weg. Het is prachtig! Helemaal vintage gedecoreerd. Ik kan mijn kleren eens in de was steken! Na een zware bevalling de baby zien, doet je alles vergeten, zeggen ze.   

Pons
4 0

Au Café de la paix (8) - Zonder tierlantijntjes

De dame van Saint-Sernin stond al minstens vierduizend jaar langs de weg, voor de vicaris haar opmerkte. Pas in 1888 interesseerde iemand zich voor de mooiste menhir van de Aveyron. Een paar lijnen schetsen haar strakke paardenstaart, haar gezichtstatoeages en juwelen. Haar borsten zijn twee cirkels, haar ogen stippen. Haar benen hebben geen knieën en elke teen is even lang. Ze is het pronkstuk van het Musée Fenaille in Rodez. In de wereld van de menhirs zien alle vrouwen en mannen er hetzelfde uit. De mannen dragen een ‘baldric’, een overlangse riem voor een wapen. Waren het helden, goden of hoogwaardigheidsbekleders? Het blijft een mysterie. Door hun eenvoud spreken ze me meer aan dan de gepolijste standbeelden uit de Grieks-Romeinse tijd of het classicisme. Bij de menhirs mag ik meer zelf invullen als kijker. Net als bij het houten Mariabeeld uit de dertiende eeuw. En het hoofd in kalksteen dat vroeger onder een balk aan een gevel hing, kijkt je zo indringend aan dat je je wil verbergen. Kunst zonder tierlantijntjes legt onze drijfveren bloot, net als een gesprek zonder protocol.  Geen wonder dat kunstenaar Pierre Soulages dol was op de ‘statues-menhirs’. Ze staan dicht bij de hedendaagse abstracte kunst. Soulages bewerkte het zwart zoals anderen de grond bewerken, zegt zijn goede vriendin Agnes Varda in de documentaire die ze over hem draaide. Zijn monumentale zwarte schilderijen lijken wel aangeharkt. Soulages was geobsedeerd door de reflectie van het licht op de zwarte verf. Maar ‘noir et lumière’ was toch maar een banale naam voor zijn tentoonstelling in Parijs. Daarom vond hij de term ‘outrenoir’ uit, letterlijk ‘het zwart voorbij’. Zoals ‘l’outre-tombe’, vraagt Varda hem plagerig in de docu. Het hiernamaals. ‘Zoals l’outre-mer’, antwoordt Soulages die het liever wat romantischer ziet.  Goede vrienden stellen elkaar netelige vragen, want ze weten dat ze elkaar mogen. Agnes Varda was liefdevol en laconiek. ‘Mijn films gaan over mezelf, maar vooral over de mensen die ik heb ontmoet’, zegt ze in haar film ‘Les Plages’. Ze groeide op in Brussel en kent de Belgische stranden als geen ander. Met repen pellicule bouwde ze een strandhuisje, en ze fotografeerde een typologie van de teenslipper bij elkaar. Wat een fijne verrassing, haar expo in het Musée Soulages van Rodez. In het museum van haar goede vriend. Is er een mooier eerbetoon?  Rodez betekent letterlijk marktplaats van de Rutenen, het Gallische volk dat de stad stichtte. Het relaas van mijn geestige stadsgids is doorspekt met intriges. In de vijftiende eeuw huwde Jean d’Armagnac, ook graaf van Rodez, zijn zus. Ze kregen samen een kind. De paus was woest en vroeg het koppel hun incestueuze huwelijk te ontbinden. Waarop ze nog twee kinderen kregen. Jean d’Armagnac zette een complot op met de Engelsen om zijn soeverein graafschap te beschermen tegen koning Lodewijk XI, maar werd uiteindelijk door diens troepen vermoord. Conflict boeit, vrede minder. Die avond in het Café de la paix nodigen vier stamgasten me uit aan hun tafel. ‘Hij was hier deze ochtend al!’ barst een van hen uit als hij de andere ziet op mijn foto met cafébazin Marie. Binnen praat ik nog met een arbeider die ooit wijn verbouwde. Een ex-Hells Angel aan de toog vindt mijn accent rock ‘n roll. Het terras zit vol, zus Emilie loopt zich de benen vanonder het lijf. Maar ook zij praat graag over de streek. Ze is gepassioneerd door genealogie.  Het enige minpuntje van dit café: het toilet bevindt zich in de kelder, op het einde van een smalle gang. Het is een hurktoilet. ‘Bon courage!’ zegt de vrouw die er net buiten komt. Ik hou mijn adem in, trek mijn broekspijpen op en doe mijn broek naar beneden, hang in positie. En dan floept het licht uit. ‘De kermis is een geseling waard’, denk ik wanneer ik nog half hurkend op de tast de schakelaar zoek.

Pons
0 0

Au Café de la paix (6) - Soort zoekt soort

‘Binnenkort sluit het museum vijf jaar’, vertelt de suppoost met de vlinderbril en de bordeaux krullen me. Op de muur van een lege zaal spoot iemand ‘à bientôt’ in graffiti. In de andere muur zitten gaten. ‘Het wordt helemaal gerenoveerd.’  ‘Zoals het Centre Pompidou in Parijs?’, vraag ik. ‘En het Musée des Augustins in Toulouse. Dat is sinds 2019 gesloten’, zegt ze. ‘De musea moeten toegankelijker worden voor mensen met een beperking. En veiliger bij brand.’ Allemaal goede zaken, maar staan we de komende jaren dan vaak voor een gesloten deur in Frankrijk?  Kleine musea herbergen nochtans vaak pareltjes, zoals dit Musée des Beaux-Arts in Agen. Op het gelijkvloers bewonder ik stenen figuurtjes met holle ogen en een snavel. Ze komen uit Noord-Syrië en zijn minstens vierduizend jaar oud. Had het de makers bevallen dat hun werk nu in een Frans stadje tentoongesteld wordt?  Vreemd genoeg heb ik die gedachte helemaal niet bij het schilderij uit de entourage van Jan Breughel De Jonge of bij de massieve Vlaamse kast uit de zeventiende eeuw. Nog trotser ben ik op de reiskoffer van Truienaar Johan Creten. Ze is gevuld met mysterieuze beeldjes van doodshoofden die in dezelfde appel bijten, een bobbelige buste, een mannetje met kersen als hersenen. Het lijkt een reiskoffer uit het onderbewuste. Toch gaat de prijs voor de grootste ontdekking vandaag naar François-Xavier Lalanne, een kunstenaar uit Agen. Hij staat sinds de jaren ‘50 bekend om zijn bronzen bureaus in de vorm van een neushoorn, de ‘rhinocrétaire’. Lalanne trouwde met een andere Lalanne, voornaam Claude, en samen bouwden ze een dépôt sentimental uit. In de buik van een vis regent het en het geheugen van een neushoorn bestaat uit andere dieren, leren zijn etsen mij. Mijn tournee langs de cafés de la paix is niet alleen een voorwendsel om wijn te drinken, maar ook om wat minder bekende steden aan te doen. Agen kende ik zelfs niet van de pruimen, de specialiteit hier. In de rue Voltaire speelt een DJ bij een kaas- en wijnbar, tegen een decor van vakwerkhuizen. In rue Emile Sentini vind je Le Tchak, heerlijke keuken van het eiland Mayotte.  De vriendelijke suppoost van het museum stuurt me zondagmiddag naar Le Plancher des vaches, een fijn restaurant naast de zondagsmarkt. Eerst ga ik iets drinken op de patio van artcinema ‘Le montreur d’images’. Een plek waar ik kind aan huis zou zijn, mocht ik hier wonen. Het ‘soort zoekt soort’- effect speelt al na een paar dagen: ik trek naar dezelfde plekken als thuis. Dat is toch niet helemaal de spirit van ‘café de la paix’. Vogels met andere veren dan de mijne, daar moet ik op mijn volgende haltes maar eens mee aan de praat raken.  De echte vogels fluiten haast oorverdovend op een plein in het centrum. De zondagsrust die de meeste mensen hier zelfs op een mooie zomeravond binnen houdt, kennen zij niet.   

Pons
15 0

Au Café de la paix (5)- En nog een kilometer

Kilometers zeggen me niks, waardoor ik nooit goed kan kiezen tussen een wandeling van 8, 15 of 30 km. Ik weet niet wat ik aankan. Een kleine zeventig kilometer op de elektrische fiets, heen en terug naar Auvillar, een van de mooiste dorpen van Frankrijk volgens de medewerkster van mijn relais. Is dat doenbaar? Volgens Google is het een uur en vijftig minuten fietsen vanaf Agen, enkele reis. Moet lukken? Bij Café Vélo verzekeren ze me alvast dat de fiets het wel trekt, al kleuren maar vier van de vijf blokjes op mijn batterij zwart. ‘Vooral in ‘eco’ rijden’, raadt de ober me aan. Dus zit ik even later weer op het jaagpad naast het ‘Canal des deux mers’, ditmaal richting Toulouse.   Ik kom langs de woonblokken van de buitenwijken en neem foto’s van de lieflijke haven van Agen. Daarna zijn er nog drie lijnen: het kanaal, het jaagpad en de bruggen. Het is een ware bruggenparade van stenen en ijzeren bruggen. Ik fiets in een losse jumpsuit, mijn handtas over mijn borst. Wielertoeristen in sportieve outfits rij ik voorbij. Elektrische aandrijving, hé. Maar het wordt wel warmer, waarom heb ik toch geen fles water meegenomen? Op veertig minuten van Agen ligt een oud sluiswachtershuis waar nu gastenkamers en een bar zijn. ‘La poule à vélo’ lijkt er speciaal voor mij neergepoot.  Ik nestel me in een strandstoel met een limonade en realiseer me dat ik nog niet in de helft van mijn traject zit. De aankomst is voorzien om iets na een. Het zou fijn zijn mocht ik kunnen lunchen in het mooiste dorp van Frankrijk. Weer de fiets op, dus. De zomer doet alles om het me naar mijn zin te maken. Het is met 24 graden niet te warm, het water is mooi groenig, de bomen op de oever brengen wat lommerte. Maar na een uur op de fiets en nog een klein uur te gaan, wordt het jaagpad me wat monotoon. Misschien vreet ik liever kennis dan kilometers. Ik aanschouw de reizigers met vier fietszakken aan hun wielen vol bewondering. Dan rijd ik ze voorbij. Toch even in ‘turbo’-stand.  Onder een van de bruggen woont een dakloze. In plaats van een fles wijn en een rode neus, heeft deze persoon een muur aan zakken. Hij slaat iets gade alsof hij op wacht staat. Ik vraag me af hoe het zover is kunnen komen. Op Facebook kijk ik al maanden naar de filmpjes ‘Soft White Underbelly’ van zelfbenoemd journalist Mark Laita, de Paul Jambers van de VS. In zijn studio nabij de beruchte wijk Skid Row in Los Angeles interviewt hij drugsverslaafden, tienerprostituees of mensen met ernstige mentale problemen. Hij vraagt ze hoe hun jeugd was, of hun ouders in hun leven waren, welke drug ze gebruiken. Vaak vermelden ze emotioneel of seksueel misbruik. Laita’s werk situeert zich op het snijvlak van documentaire en sensatie, van journalistieke interesse en voyeurisme. Toch blijf je kijken, omdat we vaak te veel schroom hebben om deze personen zelf aan te spreken. Laita’s interviewees zijn vaak opmerkelijk coherent en diepzinnig.  Ik wil dus wel een praatje slaan met de dakloze man. Hem vragen waarom hij net deze brug heeft gekozen. Maar dan denk ik aan Julie Van Espen die werd vermoord door een dakloze bij een verlaten jaagpad. Ik fiets snel verder. Op zulke momenten wenste ik dat ik een man was. Auvillar komt dichterbij, dertig minuten worden er twintig, veertien, zes, twee. De zon brandt nu al. Ik leg even modus ‘sport’ aan om de heuvel op te raken. Meteen kom ik langs twee restaurants, maar ik wil eerst nog een glimp van het dorp opvangen. Mijn nieuwsgierigheid wordt bestraft: het eerste restaurant weigert mij. Het is half twee en de keuken gaat dicht. In het tweede kan ik wel nog bestellen: puree met worst, weliswaar statig in vier rechtopstaande stukjes gepresenteerd, met paarse bloempjes.  Na de maaltijd verken ik de cirkelvormige graanhal. De dorische zuilen en Romaanse rondbogen stammen niet uit de Oudheid, daarvoor is de constructie te nieuw. In 1831 werd de hal opgeleverd, lees ik op internet. Ook de kerk van Auvillar, de ‘tour de l’horloge’ en het panoramisch uitzicht lonen de moeite. Ik besef hoe verwend ik ben, want in Italië heb ik nog wel mooiere ‘borghi’ gezien. En die tempels in India dan. Wat kan je na jaren reizen nog bekoren? Het totaalpakket, besluit ik. De vrijheid om met een elektrische fiets langs een kanaal te sjezen. Om waar je ook gaat in Frankrijk, lekker te eten.  Ik heb nog twee blokjes batterij over voor de terugtocht. Ik besluit de onbeschutte stukken in de modus ‘tour’ te doen, de schaduwrijke in ‘eco’. Bij La poule à vélo eet ik een heerlijk ijsje en kan ik mijn telefoon opladen. Rampenscenario’s, zoals op mijn eentje aan de kant staan met twee platte batterijen, zijn vermeden. Op sommige punten is er trouwens een treinstation in de buurt. In geval van nood kan ik met de fiets de trein op. De Finnen zijn ondanks de oorlogsdreiging een gelukkig volk. Omdat ze goed voorbereid zijn, zeggen sommigen.  Mijn berekening is nipt, de ‘range’ van mijn fiets staat op nul als ik aankom bij Café Vélo. Ik heb geen marathon gelopen en de Mount Everest niet beklommen. Maar ik ben zo blij als een Fin met mijn prestatie.  

Pons
3 0

Au Café de la paix (4) - Misbegrepen

Op het terras van het café kruipt een jongetje een van de palen op. ‘Dessang!’, schreeuwt zijn grootvader. Het accent heeft iets Provençaals, hoewel we veel westelijker zitten. De cafébazin brengt twee glazen water met siroop naar de tafel van de grootouders en hun kleinkinderen: een met grenadine en een met cassis. De kinderen proeven van elkaars glas. Ik bestel een cola. De cafébazin doet alles alleen en oogt vermoeid. ‘Ik ga ondertussen wat in de keuken werken’, zegt ze tegen de habitués. ‘Doe maar’, stemt de oma in. Wanneer ik afreken, vertel ik de cafébazin over mijn project. Kennissen vonden het vaak een goed idee, reizen met het ‘café de la paix’ als rode draad. Maar deze vrouw reageert lauw. ‘Heette het café altijd al zo?’, probeer ik. ‘Dat weet ik niet, elke eigenaar kan de naam veranderen’, zegt ze. ‘Hoe lang heeft u het café al?’ ‘Sinds 1967’, zegt ze. ‘O, dan is het van uw ouders?’ ‘Ja.’ Ze keert terug naar de keuken.  Op de muur is een aandoenlijke fresco van Napoleon III geschilderd, sinds 1998 is het een beschermd monument. De keizer zit in rood-blauw uniform met gouden sjerp en epauletten op een even rijkelijk uitgedost paard. In zijn kielzog rijden twee officieren, de eerste draagt een boogvormige hoed, de tweede een hoge pet met een gouden pluim.  Gaat het in boeken en podcasts over Napoleon III, dan valt vaak het woord misbegrepen of niet geliefd. Daar zit zijn bloedige staatsgreep in 1852 voor iets tussen, zijn politiek gericht op orde, zijn kroning tot keizer en zijn nederlaag tegen de Pruisen in 1870. Zowel Victor Hugo als Emile Zola achtten hem verantwoordelijk voor de sociale miserie tijdens Le Second Empire. De roman ‘Germinal’ over het schrijnende leven van de mijnwerkers is het bekendste voorbeeld. Voorstanders werpen tegen dat Napoleon III op achttien jaar tijd het aanzicht van Frankrijk heeft veranderd. Wie in 1852 het land had verlaten, zou het in 1870 niet meer herkennen: elektriciteit, stromend water, het telegram, de grote parken in Parijs, het urbanisme van Haussmann, het eerste vaccin van Louis Pasteur, de pendule van Foucault: het begon allemaal onder het tweede keizerrijk. Ik hoopte dat het debat in het Café de la paix nog zou leven. Dat stamgasten er de nationale sport van Frankrijk zouden beoefenen: de discussie. De ene zou zeggen: ‘Wat een autoritaire kwast, vijfduizend doden heeft die staatsgreep gekost.’ Waarop een andere: ‘Ach nee, het waren er maar een duizendtal. Hij had gewoon meer tijd nodig om zijn hervormingen door te voeren, maar zijn ambtstermijn was afgelopen.”“Dat zeggen alle dictators.”“Hij werd gaandeweg veel liberaler.’‘Om het werkvolk uit te buiten, bedoel je? Hij speelde onder een hoedje met de zakenwereld.’‘Allemaal propaganda van Zola en Hugo, hij heeft net de zondagsrust ingevoerd. Hij stuurde zelfs arbeiders naar Engeland om de vakbond te bestuderen. Hij liet duizenden kilometers spoorweg aanleggen en moerassen droogleggen voor de landbouw. Je kan nota bene je toilet doortrekken dankzij die vent!’‘Allemaal ontwikkelingen die al aan de gang waren’, protesteert een andere. ‘Het was een groots staatsman.’‘Een kwast, dat was het.’ Toegegeven: het was misschien veel gevraagd. Maar de lege tafels met het servies voor morgen zwijgen, en ook de habitués op het terras vertrekken. Ze weten me nog te vertellen dat er die avond een wielerwedstrijd is in Bruch. En om 21 uur een feest. Vandaar het podium. De cafébazin is niet meer weg te slaan uit haar keuken. Ik koop nog een banaan bij de kruidenier en vat de terugweg aan voor het feest losbarst.

Pons
18 0

Au Café de la paix (2) - Lampenroetzwart

‘Une place pour chaque chose et chaque chose à sa place’, zei mijn opgewekte juf Frans vroeger. Haar woorden indachtig ruim ik mijn appartement op, voor ik op reis vertrek. De aanschaf van een nieuwe lamp zet een domino-effect in gang: dat prachtexemplaar komt pas echt tot zijn recht als ik mijn tafel vrijmaak. Maar de verftubes, balpennen, toneelkijker, verdwaalde paperclips, post-its en brochures moeten wel ergens naartoe. Mijn plastic ladenkastje met schildergerei zit propvol. Net als de boxen tegen de muur en het onderstel van de boekenkast. Een grondige opruimactie dringt zich op. Noem het herinrichten en het klinkt al een pak spannender. Ik ga voor een woonkamer zoals je die ziet in de weekendbijlage van de krant.  Een goed plan wanneer je er door de jaarlijkse feestelijkheden in de stad overdag wat wazig bij loopt. Of toch niet. In een poging efficiënt te zijn en dingen te verzamelen die op dezelfde plek horen, heb ik mijn handen vol voorwerpen die toch niet bij elkaar passen. Op de vloer groeien de hoopjes ‘weggooien’, ‘bewaren’ en ‘weethetnogniet’. Het ene moment rijg ik handelingen aaneen in een vloeiende beweging, het opbergen wordt bijna een dans. Het volgende moment vraag ik me af hoe ik de chaos ooit nog kan beteugelen.  In het kastje met schildergerei breekt een zakje zwart pigment open. Ooit schilderde ik met ei-tempera zoals mijn grote voorbeeld Norbert Schwontkowski. Lampenzwart of roetzwart is pure koolstof, gewonnen uit de verbranding van olie of hout. Je houdt een stuk metaal in de vlam en schraapt er het roet van af. De korrel is zo fijn dat het pigment in lawines langs de plastic wanden van de lades glijdt en zich aan elk voorwerp hecht. Om de vijf seconden moet ik het zwart van mijn vingers wassen. Op de vloer ontstaat een grijze laag. Ik ben met mijn pantoffels in het pigment getrapt. Mijn voetsporen gaan alle kanten uit, als iemand die ergens van wegvlucht maar ter plekke blijft trappelen. ‘s Avonds snuit ik een zakdoek vol lampenroetzwart.   Ik zet de tv aan om het routineuze werk te doorbreken. Zo, nu is ook de afstandsbediening ‘besmet’ met het zwarte spul. Op het scherm verschijnen uitgemergelde kinderen met te grote hoofden en ogen, een opgeblazen buik en stokkebeentjes. Hoewel we het allemaal al zolang weten, blijft het ondraaglijk en surreëel. Dat een kind met de proporties van E.T. nog leeft, en hoe zinloos het lijdt. Ergens op een klein stuk grond drinken mensen zout water opdat hun ingewanden niet zouden rotten. De honger is er onontkoombaar lampenroetzwart. Ik poets en orden wat ik kan ordenen. Na vier keer dweilen glimt de vloer leugenachtig. 

Pons
0 0

Tussen mojito en isomo

Mijn eerste herinneringen aan Cuba zijn bewegingen: de trage majestueuze cirkels van de roodkopgieren en valken, de oldtimers die zonder vroemen voorbijglijden. Onze Chinese bus geeft voorrang van links aan paard en kar. In de berm van de autostrade hangen magere paarden aan een koordje. Het Italiaanse koppel naast me maakt ruzie. 'Ti sbagli!', schreeuwen ze tegen elkaar. Ik probeer ze te negeren en maak foto’s van het landschap, van de mensen, van revolutionaire spreuken op de huizen. De majestueuze gevels en pleinen van Havana zijn prachtig, net als de oldtimers. Het blijft me verbazen hoe die gigantische Buicks en Chryslers gewoon lijken uit te bollen. Onder de motorkap zit een allegaartje van Hyundai en Russische onderdelen. De bekleding is allang weggerot en wordt soms vervangen door isomo. Het lukt me een paar keer om een taxi voor Cubanen te nemen. Dan betaal ik in Cubaanse peso in plaats van de Peso convertible, het toeristendevies. De acht Cubanen waarmee ik de oldtimer deel, kijken me wat meewarig aan. De chauffeur baalt van zijn ‘oude wrak’. Hij raakt amper over een steil heuveltje. Met zijn blote voet op de koppeling en sleurend aan het magere stokje van de versnellingspook krijgt hij ons toch de Malecon op, de zeedijk waar romances ontstaan en vissen op de grond worden gefileerd. Op zee drijven vissers op een plaat isomo. Mijn huisbazin in Havana heeft ook een isomo luchtmatras voor haar kinderen. Het is maar een van de vele uitvindingen waartoe ze genoopt is. Haar man sleutelt dagelijks aan hun auto. Ze herstelt kleren die tientallen jaren oud zijn. Het libreta of rantsoenboekje voorziet de Cubaan van brood, een schel kalfsworst uit het vuistje, een kleine portie rijst en een stuk zeep. In Habana Vieja zie ik bodega’s voor de Cubanen. Een zakje rijst en een piramide van tien blikjes kunnen de schaarste nauwelijks verhullen, al doet de verkoper zijn best om er de sfeer in te houden. In de woonkazernes of solares van Habana Vieja vervangen ladders trappen. Op straat stallen verkopers een wollige vulling voor matrassen uit. Een man slijpt scharen met zijn fiets. Terwijl hij trapt, draait de slijpsteen. Een vonk spat weg. Ik begin me wat schuldig te voelen over die honderden pesos die ik meesleur. Voor een Cubaan vertegenwoordigen die jaren arbeid. Ik laat me fotograferen met een hondje, compleet met zonnebril en hoedje, om de eigenaar een van mijn gegeerde toeristenpeso’s te kunnen schenken. Die kan hij omwisselen voor peso’s voor Cubanen. Zo verdient hij beter dan een arts. Aan de Plaza de Armas bekoelt mijn naastenliefde al wanneer ik omringd word door een orkestje dat ‘Besame mucho’ speelt. Ook voor een peso. Later op de dag zie ik nog meer vindingrijkheid. Ik had er in België al van gehoord en laat me wat vrijwillig in de doeken doen. Een Cubaans koppel begroet me en somt alles op wat ze weten over België. De vrouw stelt me voor om samen naar een bar te gaan. Er is net die dag een muziekfestival ter herdenking van Compay Segundo, bekend van de Buena Vista Social Club. Mijn nieuwe vrienden nemen plaats en bestellen een cocktail. Ik zeg dat ik wel weet dat ik alles zal moeten betalen. Daarop krabbelt de vrouw schuldbewust een blad vol met leuke adressen in Habana Vieja. Op onze rekening staat naast de drankjes nog 3CUC, een kleine drie euro. ‘Om de muziek te beluisteren’ zegt de ober. Havana is cultureel hoogstaand. In de Taller experimental de gráfica maken artiesten lithografieën, een praktijk die bij ons amper nog bestaat. En in het galerijtje naast de kathedraal vind je originele schilderijen. Er is een casa de la musica en een filiaal van het UNEAC (Unión de escritores y artistas de Cuba). Op Playa Santa Maria vertolken muzikanten liedjes van de populaire zanger Polo Montañez. En in bijna elk café van Habana Vieja speelt een bandje. Veel Cubanen kijken toe van op de stoep, want de meeste cafés rekenen drankjes aan in de dure peso convertible. In het Museo de la Revolución spreekt mijn gids vlekkeloos Engels, hoewel ze nog nooit in Amerika geweest is. Maar ze kreeg goed onderwijs en keek naar Amerikaanse soaps, zegt ze. Ze vertelt over het Comité de Defensa de la Revolución (CDR). Elke wijk heeft haar vertegenwoordigers. Mijn huisbazin zucht als ik er haar later die dag over aanspreek. Het CDR promoot de revolutionaire waarden met vaccinatiecampagnes, educatieve projecten of evacuaties bij orkanen. Maar ze zien er ook op toe dat mensen geen ‘verboden’ producten importeren, lees: geen extra eten meenemen uit restaurants. Er loopt veel blauw op straat in Havana. De Policía Nacional Revolucionaria (PNR) lijkt niet onderbemand. Volgens een Belgische collega die met een Cubaan trouwde, riskeerden Cubanen in het begin van deze eeuw nog een gevangenisstraf als ze te lang met buitenlanders praatten. Door al die controle is het veilig reizen in Cuba. Maar als ik een echt open gesprek wil voeren, stoot ik op gereserveerdheid. Dat lukt wel met mijn huisbazin. Als intelligente, gediplomeerde vrouw heeft ze lak aan de controle en regeltjes. Ze heeft een vida ociosa, zegt ze, een lui en nutteloos leven. Vaak doen Cubanen er ironisch over: ‘Jij bent op vakantie in Cuba? Ik ben in China geweest, prachtig!’, pocht een zestienjarige jongen tegen zijn vrienden op het strand. Voor Cubanen is het heel moeilijk om te reizen. Ik fotografeer een zevenjarig jongetje, waarop die vraagt om de foto door te mailen. ‘Je kent mijn mailadres.’ Maar dat heeft hij niet. Internettoegang is heel beperkt in Cuba. Hier volg je het voorgetekende pad, zegt mijn huisbazin. Zelfs binnen Cuba verhuizen is moeilijk. Om de moed erin te houden, werd ze bijbeldocente. ‘We behoren tot de getuigen van Jehova, ken je die?’ Ik zie aan de fonkeling in haar ogen hoeveel kracht ze eruit put en laat mijn bezwaren achterwege. Ik moet denken aan een vriendin uit Parijs. Een Slowaakse die na haar ervaring met het communisme ook erg gelovig werd. Alsof je de ene ideologie enkel kan overstemmen met een andere. Deze reisrepo schreef ik in 2013.     

Pons
3 1

Geen geld - op huizenjacht in Parijs

Op de vijfde avond van mijn werkjaar in Parijs ontmoette ik Katka. De Slowaakse lag op de onderste verdieping van het stapelbed in de slaapzaal van de jeugdherberg. Ik gooide mijn tas op de hoogste matras. Het uiteenvallen van Tsjechoslowakije had vooral nadelen meegebracht voor Slowakije, vertelde Katka. De Slowaken waren hun ambassades in het buitenland kwijtgeraakt, alles was in handen gevallen van Tsjechië. Toch was ze trots op haar gehalveerde land, want ze had een beurs gekregen voor de universiteit Paris 5. Haar bruine paardenstaart bungelde langs haar schouders. Ze gooide een immokrantje op mijn bed. Samen ontcijferden we afkortingen in de zoekertjes. Een kamer met toilet op de gang, zesde verdieping zonder lift. Acht vierkante meter voor vijfhonderd Euro. ‘Misschien huren we beter iets samen”, opperde ik. “Of met anderen. Ergens in de banlieue.” Katka stemde in, maar niet zonder bezwaren. “Kunnen we doen, maar dan moeten we wel een hoofdhuurder vinden. Want wie verhuurt er een heel huis aan nieuwkomers?” We omcirkelden ‘cherche coloc’ in de zoekertjes, ‘huisgenoot gezocht’, en besloten het werk te verdelen. Katka trok de dag erop naar Saint-Ouen l’Aumône. Ik toog naar een voorstad op de route naar Disneyland. De RER-trein denderde de duisternis van Gare de Lyon uit. Na ongeveer twintig minuten kwam ik aan in Noisy-Le-Grand. Het eerste wat me opviel, was een rond flatgebouw met honderden vensters. Een gigantisch horloge waarin mannetjes woonden. Aan de overkant van het plein stond eenzelfde cilindrisch gebouw, alsof ze naar elkaar keken. Later las ik dat hun bewoners ze de camemberts noemden. Die waren met elkaar verbonden door galerijen met steunberen als voorpoten. Iemand had het sierlijke van een kathedraal willen kruisen met het surrealisme van een videospel. Beneden liep een oma wiens grijze regenjas eveneens van beton leek. Er was geen historisch stadscentrum, alleen een paar kruideniers, een apotheek en een goedkope kledingzaak. Ik beeldde me in dat ik in de buik van die monsterlijke cirkels woonde, de rillingen liepen over mijn rug. Ik negeerde het sms’je van de vrouw die een huisgenote zocht, en met wie ik gisteren heen en weer had gesms’t. ‘Heeft u het goed gevonden? Ik ben kabyle, dat geeft toch niet?’ Ik wist niet wat kabyle was, maar vluchtte de RER weer in. “Berbers uit Algerije”, zei Katka die avond. Ze droeg een jeans en grijze sweater, we zaten op haar deel van het bed. Ze had de term al eerder gezien in zoekertjes om samen te wonen. Het speet me dat ik de vrouw geen bericht had teruggestuurd. Nu dacht ze misschien dat ik afgeknapt was op haar afkomst. ‘Excusez-moi, maar ik denk niet dat Noisy-Le-Grand iets voor mij is”, sms’te ik haar, “ik vind het niet erg dat u kabyle bent.” “Ok”, zag ik binnenkomen. Achter een van die honderden venstertjes legde iemand zich bij de zaak neer. Vandaag geen huisgenoot. Elke ochtend aten we in de kelder van de jeugdherberg twee broodjes die gewoonlijk bij de soep worden geserveerd. Ze braken van zodra je ze vastnam en lagen in een mandje met groene kruimels. Ik smeerde de gruzelementen in met Nutella. Een Australische vrouw van zeventig zat aan onze tafel. Haar haar was zo helder wit dat ze straalde. Ik vond het een mooie gedachte dat je eerst een grijze fase door moest om er daarna weer jonger uit te zien, dankzij dat felle wit. De vrouw maakte een wereldreis, haar kleinkinderen waren jaloers. “Wat was Versaille prachtig!” zei ze. Katka en ik waren er nog niet geweest. We kamden Parijs uit op zoek naar een woonst. Vandaag zouden we het nog eens in de binnenstad proberen. “Ik hoop dat jullie snel je paleis vinden”, wenste de vrouw ons toe. Eerst moest ik de werkdag nog door. Als 'assistante de production’ bij een reclamebedrijf voerde ik acht uur lang gegevens in. De collega’s begroetten elkaar elke ochtend zoals ik dat op familiefeesten deed. Alleen gaven ze elkaar geen drie, maar twee kussen, en begonnen ze bij de rechterwang in plaats van de linker. Elke dag vergat ik die volgorde, waardoor ik mijn collega’s in de verwarring op de mond dreigde te kussen. Dan nestelde iedereen zich achter de computer. De contracten op mijn bureautje had ik op een uurtje verwerkt, daarna luisterde ik naar de radio. Die dag werd de Olympische Vlam door Parijs gelopen. De Olympische Spelen zouden in China plaatsvinden en dat was niet naar de zin van de Parijzenaars die sympathiseerden met de onderdrukte Tibetanen. De loper slalomde tussen de revolterende Parisiens. Ze sprongen over de hekkens langs de straatkant en probeerden zijn vlam af te pakken. Iemand gooide vanuit een boom water over de loper. Water op het vuur, ja, maar de loper manoeuvreert behendig, de vlam blijft branden, gilde de radioreporter. Die avond had ik afgesproken met Marie, een meisje van vierentwintig dat al iets van een dametje had. Ze ratelde erop los en ik antwoordde telkens een minuut te laat, zoals een correspondent ter plaatse in het middagnieuws. “Dit is de living.” Ze gaf me een seconde. “Hier is het toilet, en daar de badkamer.” Haar kat zat in de lavabo, ze aaide hem. “Dit is Dave”, zei ze. “Naar de Frans- Nederlandse zanger.” Ik herinnerde me vaag een blond kapsel. “En daar is Serge’, zei ze terwijl ze het douchegordijn wegschoof. “Van Serge Gainsbourg.” Dave sprong uit de lavabo en haalde zwaar uit naar Serge, waarop het meisje schel riep: “Dave, laat Serge met rust! Naar de living, vooruit!” Dave stoof weg. We gingen hem achterna, Marie bracht een glaasje rosé en ik lichtte zo snel mogelijk mijn motivatie en curriculum toe. Tot ze ziedend werd. “Serge!”, brulde ze. Naast me zag ik hoe de kater van mijn glas wijn nipte. Twee weken later zaten Katka en ik nog steeds in de jeugdherberg. We bezochten elke avond appartementen, maar de eigenaars hadden veel keuze. De Franse kandidaten beheersten de kunst van het discuter et rigoler - argumenteren en grapjes maken - veel beter dan Katka en ik. Tegen de blonde Zweedse kon ik ook niet op. “Laten we toch eens die flat van acht vierkante meter proberen”, stelde Katka voor, “dan hang je tenminste niet af van anderen.” We bezochten het appartement op de zesde verdieping zonder lift. De gevel ademde negentiende-eeuwse trots, elk raam had een fronton. Elf personen wachtten bij de poort die uitgaf op een binnenkoer. Een vrouwtje van een jaar of vijftig kwam aangelopen met een sleutel zo groot als haar hand. “U komt voor de kamer?”, zei ze kordaat. Elf personen knikten. Ze drukte een code in, de deur ging zoemend open en ze ging ons voor op de houten trap. De wentelingen maakten me duizelig, maar de verhuurster zette er de pas in. Eindelijk sloeg ze een verdieping in, de planken kraakten onder haar hakken. Ze opende een appartement met die enorme sleutel. “Voilà!” Links van de gang liep de keuken over in de douche. Je moest over de gootsteen klauteren voor je eigen wasbeurt. De leefruimte van zes vierkante meter vertoonde tumoren die het vrouwtje hangkasten noemde. ‘Placards’, stond er in de annonce. We bogen om niet tegen die kasten te botsen, als menselijke tetris. Op de gang was er een ‘toilette turque’ dat we in Vlaanderen een Frans toilet noemen. Een gat waarover je hurkt. “Nu zal het snel gaan”, zei de vrouw. “Vijfhonderd euro is geen geld, nietwaar.” In een voorstad van Parijs nam de Olympische vlam het vliegtuig naar de volgende stad.   (18 jaar geleden, toen ik 23 was, woonde ik een jaar in Parijs. Dit reisverhaal is daarop gebaseerd.)

Pons
49 0

Gecertificeerd schrijver

Hoera, sinds zaterdag ben ik een gecertificeerd schrijver. Bij De Schrijversacademie Antwerpen diende ik mijn manuscript 'Stekelvel' in. In dat verhaal reizen Nino en Lea op een tractor naar de begrafenis van Bubu, de baas van het café waar ze elkaar dertien jaar geleden leerden kennen. Op de slotavond van de Schrijversacademie las ik dit fragment voor:  Zonder voor te stellen om te helpen, kwam Nino me tegemoet. Hij draaide het kader van de fiets om, zette het stuur en het zadel in de kiezels. De wielen draaiden in het ijle. ‘La chaîne’ was geblokkeerd doordat het spatbord verschoven was. Nino trok het weer recht, legde mijn ketting op het tandwiel en draaide een pedaal om zijn as. De losse slang die de ketting was geweest, liet hij weer soepel ratelen.   "Frère et soeur”, lachte Nadia toen Nino en ik het café betraden, elk met handen vol olie. “Was ze in de badkamer”, zei Bubu. Hij woonde achterin het café, de cafégangers gingen naar het toilet in zijn badkamer. Ze was spatvrij gepoetst en olijfgroen, het bad, de bidet en de lavabo. Bubus handdoek hing rechts, die voor de gasten links. Ik draaide de kraan open en nam de ovalen zeep van het zeepbakje. Zwarte stralen water stroomden over het email van de lavabo. Nino drukte het gebarsten stuk zeep samen tot het uit zijn handen glipte. “Attrape-le”, schreeuwde hij. Ik klapte mijn handen rond de zeep, spatte ons beiden vol sop, maar ik kreeg er geen greep op. Nino vouwde als de bliksem zijn handen onder die van mij. De zeep glibberde als een nerveuze vis op het droge tussen zijn handpalmen, hij heupwiegde mee tot het schijfje tot rust kwam en in zijn handkommetje bleef liggen. “Voilà, madame”, zei hij terwijl hij zijn armen naar me uitstak. Ik werd de ruimte tussen onze lichamen gewaar; het was gewoon lucht maar ik raakte er niet door, alsof we twee magnetische pluskantjes waren die elkaar weg duwden. Zo moeten we een paar minuten tegenover elkaar hebben gestaan. Terwijl ik voor het eerst iemands lippen tegen de mijne voelde, viel de zeep op de grond. Ik weet niet of Bubu en zijn gevolg ons misten in het café, of iemand ons langs de kier van de deur had bespied. “J’aime réparer ton vélo”, fluisterde Nino, zijn voorhoofd tegen het mijne. 

Pons
20 2

Nondedju

Nondedju was één van de woorden die Anna vaak hoorde in het rusthuis. Het leek op het ‘nasdrovnje’ uit haar eigen taal, meer dan op het harde ‘gowno’ of het verbaasde ‘jejku’. Nu wandelde Anna met de oude dame van kamer 43 door de gang. Om de vijf passen rolde er een vloek uit de mond van de vrouw. ‘Potdomme’ zei ze. Haar knokkelige vingers knepen in Anna’s arm. ‘Potdomme’ echode Anna. Soms was het omdat ze even struikelden. Of misschien dwaalde er een monster uit een ver verleden door de geest van deze vrouw. De dikke groenige gordijnen aan het einde van de gang waren zo mistroostig dat je rechtsomkeert wou maken. Anna beeldde zich in dat het dametje daarom zoveel vloekte. Anna’s grootmoeder had haar laatste jaren doorgebracht in de schommelstoel van haar huis in Katowice. De familie van Anna had nooit een poging gedaan om grootmoeder na haar middagdut uit die stoel te halen. Hoe zou het zijn als Anna zelf oud was? Zou ze dan liever wandelen of indommelen? ’s Avonds ging ze naar de Nederlandse les. Ze sprak er over haar woning en fantaseerde zich een slaapkamer, een living, goed functionerende verwarming en een mooie badkamer bij elkaar. Na de les ging ze naar haar studio en trok haar slaapbank uit. Om de paar dagen skypete ze met het thuisfront. Als het signaal niet te zwak was, richtte ze de camera op de verste uithoek van haar kamer en begroette ze haar man Pjotr en haar zonen. Daarna at ze havermoutpap. Anderhalf jaar was zo voorbijgegaan. Nog twee maanden en dan zou Anna voor een paar weken terug gaan naar Polen. Ze telde de baden die ze nog zou geven in het rusthuis, de porties fruit die ze zou snijden voor ze haar laarzen in de Poolse sneeuw kon zetten. Ze sliep vredig.Pjotr kon niet in de zo gegeerde bouw werken. Arbeidsongeluk. Hij had altijd een somber temperament gehad. Anna zorgde graag voor hem. Daarom was ze nu in België. Ze zocht promoties bij elkaar op de markt en hoopte dat hij met het uitgespaarde geld genoeg vlees kon kopen. Trots vertelde ze haar medecursisten dat haar zonen naar de universiteit van Warsaw gingen. Haar Belgische collega’s spraken zulk een ingewikkeld taaltje. Anna had het opgegeven om contact te zoeken. Op haar geforceerde lach als er iets op de grond viel, kreeg ze weinig respons. Tijdens de pauze ging ze vijf minuten vroeger naar boven en haalde de vloekende vrouw uit bed. Ze voelde de sterke greep om haar arm en dacht dat ze iets goeds deed, ondanks het rauwe ‘Miljaar’. Het vloeken stopte toen de oude dame stierf. Anna haalde haar kleren uit de kast. De zoon van de vrouw zat treurig naast het lege bed. Hij vroeg Anna of zij voor zijn moeder had gezorgd. Nadat hij het nog een keer had herhaald, zei Anna 'ja' en ‘nondedomme’ met de stem van de oude vrouw. De man glimlachte. Hij wilde weten hoe lang Anna al in België was en of ze kinderen had. Ze toonde trots een paar foto’s. Haar zonen speelden in de sneeuw met de hond. Op de achtergrond verzamelde Pjotr wat hout voor het haardvuur. ‘Ze wonen in Warsaw’, zei Anna. ‘Ben je hier alleen?’, vroeg de zoon van de oude dame. Ze deed alsof ze hem niet begreep. Anna zag hem terug in de supermarkt, hij woonde blijkbaar bij haar in de buurt. Ze wist dat hij ook kinderen had. Waarom vulde hij zijn winkelwagen dan met eenpersoonsmaaltijden? Bij de kassa glimlachten ze wel eens wanneer ze allebei ‘moussaka’ hadden gekozen. Promoties. Op een avond wees hij een grotere portie aan in de koelkast van de supermarkt. Dan wees hij naar haar. Samen eten? Dat had ze al lang niet meer gedaan. Ze wimpelde het af, lachte verontschuldigend, kneep haar ogen half dicht. Nadien had ze er spijt van. Hij had er vast niks mee bedoeld. De week erop wees ze zelf naar de familieportie vogelnesten. Ze spraken af bij hem thuis. Ze was blij toen ze het oude dametje terugzag aan de muur. Ze bladerden door zijn fotoalbums. Anna lachte om de foto’s uit zijn kindertijd en nam een extra glas wijn. Ze kon zich een beeld vormen van de krachtige vrouw die het einde van haar leven aan haar arm had doorgebracht. Ze schrok toen hij diezelfde arm vastgreep. Die mengeling van aantrekking en schuldgevoel was nieuw voor haar. Het hield haar uit haar slaap. Ze schaamde zich diep toen ze met Pjotr skypete. Hij vroeg of er wat scheelde. Nee, hoezo? In de supermarkt dacht ze dat de zoon van het dametje uit de volgende rayon zou komen. Ze wist niet of ze ernaar uitkeek. ‘Pools eten, bij mij thuis?’ Hij was blij om haar terug te zien, daar in de diepvriesafdeling. Ze nam ingrediënten mee en maakte iets klaar in haar studio. Ze lachten, dronken nog wat. En dan nam hij weer haar arm vast. De nacht was kort.Twee dagen erop vertrok ze naar Katowice, een maand later was ze nog altijd niet terug. De lerares Nederlands vroeg zich af waarom die ijverige Anna had afgehaakt.

Pons
10 1

Hoop of optimisme: wat zal het zijn?

Jammer dat Joke Hermsen en Tommy Wieringa hoop en optimisme tot het zoveelste of-ofdebat reduceren in de laatste Standaard der Letteren. Kort gezegd is hoop voor Hermsen een noodzaak om het heden te verdragen, terwijl Wieringa de teleurstelling verfoeit die volgens hem op hoop volgt. Hij wil dingen doen zonder er iets van te verwachten. De denkoefening hoe je met moeilijke tijden omgaat, vervalt in een conceptuele, haast semantische discussie.  Terwijl ik op een congres over innovatieve journalistiek hoorde dat gen Z hoop vooral als een ‘utility’ ziet. Jongeren willen meer constructieve verhalen in de krant omdat die de daadkracht - of met een hipper woord, ‘agency’ - zouden aanzwengelen. Hoop moet nut hebben, nieuws moet een constructieve bijdrage leveren aan hun leven. Gelukkig gaan heel wat kranten al verder dan het debatteren of aanklagen. Ze onderzoeken mogelijkheden of integreren zelfs tips in hun artikels. Een interview met auteur en ex-consultant Simon Van Teutem in De Standaard Weekblad eindigt met goede raad voor overheden, ngo’s en ondernemers: “speel in op de ambitie, de statusgevoeligheid, de nood om de beste te zijn. Verbind prestige met een positieve bijdrage aan de samenleving.” NRC onderzocht hoe werkgevers werkzoekenden met autisme beter kunnen bereiken, bijvoorbeeld door een sollicitant vooraf een vragenlijst op te sturen. Daar heb ik als lezer zonder autisme ook iets aan. Het vervult me meer met hoop dan het loutere feit dat de helft van de (hoog) begaafde mensen met autisme thuis zit zonder werk. Dat iemand oplossingen zoekt voor een bepaalde situatie, maakt de berichtgeving niet minder betrouwbaar. Maar wacht, ik ben ook een denker die zich wel eens aan een column waagt. Anderzijds betreur ik dat het debat vaak een doel is geworden in plaats van een instrument. Dat vooral de these-antithese overeind blijft en de synthese gaat vliegen. Vaak vind ik de tweedelingen in debatten artificieel. Het zijn valse tegenstellingen, zoals de hoop en het optimisme hierboven. Vraag je mensen op straat of ze een geel hesje, dan wel een bakfietser zijn, dan antwoorden ze geheid dat ze van beide categorieën wel iets hebben. En om het klimaat te redden zullen waarschijnlijk zowel hernieuwbare als kernenergie nodig zijn, zoals ook consuminderen en groene groei in de praktijk samengaan. Bij dit soort debatten voel ik me altijd wat van mijn tijd beroofd. Of in het slechtste geval vermoed ik er, zoals de filosoof Jürgen Habermas, een portie opiniemanagement achter. Het idee dat opiniemakers hun lezers argumenten willen opleggen. Mogelijks omdat ze een boek geschreven hebben over hun overtuiging, en er dus geen baat bij hebben dat het debat snel eindigt in een synthese. In plaats van waarheidsvinding leidt dat soort debatten eerder tot een status quo, een eeuwig herkauwen van wat de beste oplossing voor het klimaatprobleem zou kunnen zijn, of de beste manier om niet moedeloos te worden.  Hoop zit voor mij meer in het onderzoek dan in de mening. Consulteer mensen met expertise en vraag hen hoe ze een probleem aanpakken. Maak het conceptuele concreet. Doe iets, of schrijf over wat anderen doen, zo veel mogelijk verschillende anderen. En dat - voor mij zo levensnoodzakelijke - denken dan? Voed het met nieuwsgierigheid.

Pons
16 1

Pechverhelping

Dwars over een landweg sputterde een scootmobiel. De vrouw die hem bestuurde, vloekte over alle omliggende velden heen. Ze droeg een houthakkershemd en een wijde jeans, haar haren waren ongekamd. Ze snokte aan het stuur waarop de elektrische rolstoel op gang kwam en weer stil viel. Kort naar voren en weer naar achteren, haar lichaam volgde de cadans van de machine. Het geheel leek een slecht gemonteerde automaat van een sadistische schepper. Naast haar zag een labrador het aan. We legden de tractor stil en stapten op de vrouw af, die zich niet liet afleiden door onze aanwezigheid. Ik aaide de hond over zijn bol. ‘Hij is op rust gesteld,’ zei ze, ‘Depressie. Hulphonden mogen niet geaaid worden.’ Van zodra ik stopte met aaien, tikte de hond met zijn snuit tegen mijn hand. ‘U zit vast’, concludeerde Nino. ‘De pechverhelping voor rolstoelen zit thuis,’ zei ze, ‘door dat virus. Iedereen zit thuis. Wat doen jullie hier?’ ‘Wij zijn op weg naar een begrafenis,’ zei ik. Ze pierde en liet de rolstoel even met rust. ‘Wat mooi van jullie,’ zei ze. ‘Woont u ver?’ vroeg Nino. ‘In dat witte huis daar,’ ze wees met haar kin in de richting van het huis op de heuvelkam. ‘Helemaal naar boven?’ ‘Ja,’ zei ze. ‘Ik kan proberen een kabel te bevestigen aan uw rolstoel,’ zei Nino, ‘Dan takelen we u tot aan uw huis.’ ‘Prachtig,’ zei ze zonder enthousiasme. Nino reed de tractor voor en bevestigde het touw aan de scootmobiel. ‘Loop jij mee met haar, voor mocht de rolstoel kantelen?’ Ik geloof niet dat ik sterk genoeg was om de rolstoel tegen te houden of de vrouw op te vangen, maar ik deed wat Nino zei. Zo trokken we in processie door het landschap: een tractor, een rolstoel, een wandelaar en een hond. ‘Mijn man was zoals je vriend,’ zei ze. ‘Hoezo?’ ‘Hij schoot meteen in actie. Meestal werkten zijn oplossingen.’  ‘Lijkt me mooi om met zulk een man samen te zijn.’ Ze trok haar wenkbrauwen op. ‘Zijn jullie samen?’ vroeg ze. ‘Nee’, zei ik, ‘we waren ooit wel…’ ‘Wat is er dan zo mooi aan?’ onderbrak ze me. ‘Ik weet het niet, dat je op iemand kan rekenen, of zo, dat iemand je helpt.’ ‘Wat een kutwoord is dat toch,’ onderbrak ze me weer. ‘Welk woord?’ ‘Helpen.’ ‘Wat kan daar mis mee zijn?’ ‘Sinds ik mijn man buiten gewerkt heb, krijg ik een hoop hulpverleners over de vloer. Kijk, de zon zakt al, straks is thuiszorg daar.’ ‘Mooi, toch?’ ‘Ze snijden kiwi’s, stoppen je vroeg in bed en wassen je als je nog proper bent.’ ‘Toch beter dan niks?’ opperde ik, ‘of heeft u liever dat we u hier laten staan?’ ‘Doe niet gek, natuurlijk heb ik jullie nodig, net zoals ik thuiszorg nodig heb,’ zei ze. ‘Gelooft u dan niet dat iemand gewoon graag iets voor u doet?’ vroeg ik. ‘Ze helpen je om niet met hun eigen zaken bezig te zijn. Het is lafheid, dat helpen,'  zei ze.  Ik besloot om er niet verder op in te gaan. De rest van de weg zat ze kaarsrecht op haar defecte vehikel. We kwamen bij haar huis aan. Nino maakte de kabel los en duwde de scootmobiel zo dicht mogelijk bij de voordeur. Ze gaf ons de sleutel. ‘In de gang staat mijn rollator’, zei ze. Nino en ik namen haar elk bij een bovenarm en trokken haar de drempel over. ‘Zo gaat het wel’, zei ze. In haar donkere woonkamer stonden bijzettafels met boeken, kaders en facturen. Waarschijnlijk waagde niemand het om die op te ruimen. ‘Hoe bent u eigenlijk, als ik vragen mag…,’ begon ik aarzelend. ‘Van de ladder gedonderd toen ik de eik wou snoeien,’ zei ze, ‘Slecht terecht gekomen.’ Ik beeldde me in hoe ze bewegingsloos in het gras lag met de nog razende kettingzaag naast haar. Had ze haar man geroepen? Het was vast een hartelijke kerel, en hartelijke kerels hebben in mijn verbeelding altijd een snor en een buikje. Hij was waarschijnlijk op haar toegelopen, had de hulpdiensten gebeld toen bleek dat ze haar benen niet voelde. Nadat ze het ziekenhuis had verlaten, bracht hij haar thuis maandenlang eten op bed. Maar hij had niet willen toegeven dat het haar fout was.  ‘Wat een treurige vrouw,’ zei ik tegen Nino toen we weer in de tractor zaten.  Om zijn mond verscheen een monkellachje. ‘Ik vond haar nog wel stoer,’ zei hij.   Dit is een fragment uit mijn manuscript 'Nino'  

Pons
0 0

Bubbelstaren

Hoezeer leef ik in mijn bubbel? Dat vraag ik me af bij enkele romans en films van het moment. In “Intermezzo” van Sally Rooney voelt Margaret zich ongemakkelijk over haar jongere geliefde Ivan. Zij is 36 jaar, hij 22. Wat zullen de mensen zeggen? Zal hij wel bij haar blijven? Peter, de broer van Ivan, voelt zich verscheurd tussen zijn vrouw Sylvia, die na een ongeluk geen seks meer kan hebben, en Naomi, een studente die in een kraakpand woont. Bij haar bloeit Peter fysiek open maar mist hij de geestelijke connectie die hij met Sylvia heeft. Met pillen en drank probeert hij zijn onrust te bezweren. (Spoiler-alert !) Hij zit zich dus pagina’s lang op te vreten, zijn fantastisch neergeschreven stream of consciousness stopt nooit. Wat blijkt: Sylvia en Naomi zien weinig graten in de driehoeksverhouding. Ze zitten met elkaar in, delen een kop thee in Peters appartement, doen wat lacherig over zijn getormenteerde gedoe. Mochten ze niet zo lief en begrijpend zijn, je zou er twee heksen in zien die samenspannen om de arme man te kraken. Walk-in-the-park Midden in het boek wou ik hem een bericht sturen: Lieve Peter, dit heeft de Vlaamse acteur Herbert Flack je jaren geleden al voorgedaan. Toen zijn vrouw Mimi dement werd, hield hij er met haar medeweten een minnares op na. Dag Allemaal had er een kluifje aan, maar de publieke opinie leek er niet van wakker te liggen. Toch niet voor zoverre ik dat als tienjarige kon inschatten. De gezondheidstoestand van Mimi wekte begrip op voor de situatie. Ook in Intermezzo is de aanleiding voor de polyamorie niet pure verveling of een onvermogen tot monogamie, maar het auto-ongeluk van Sylvia. Zij heeft vaak pijn en vindt het stresserend om een volwaardige relatie met Peter te onderhouden. Ze vindt het prima dat hij ook bij Naomi terecht kan. Wat kan je daar tegen hebben? En zijn leeftijdsverschillen in relaties niet al lang aanvaard? Mia Doornaert, koning Filip, Lize Spit, de Macrons, ze draaien er hun hand niet voor om. Wat is een decennium (of twee) als je de liefde van je leven vindt? Al kloeg actrice Tine Embrechts onlangs nog over slechte reacties op haar relatie met de jongere Guga Baúl. Is het dan toch anders als de vrouw de oudste is? Daar ken ik in mijn onmiddellijke omgeving nochtans een paar voorbeelden van. Enerzijds komt de thematiek in Intermezzo me wat achterhaald over, anderzijds mis ik soms realiteitszin. De driehoeksverhouding eindigt als een idyllische walk-in-the-park. Er is geen jaloezie, geen ongelijkheid. Elk van de drie partijen kiest bewust voor deze constellatie. Niemand doet het louter om de andere te plezieren. Het is de polyamorie zoals ik ze lees in pleidooien van mensen die al lang getrouwd zijn. Een wensdroom zonder scherpe kantjes. In een liberalere bubbel ken je ook de nadelen van die open relaties, bekijk je het met meer nuchterheid. In de podcast Boeken FM zei ook dichter Ellen Deckwitz dat ze het allemaal nogal goed vond eindigen. Zelf had ze na een dergelijk experiment zin om de andere partijen uit de weg te ruimen. Oerschreeuw In de film ‘Babygirl’ durft Romy, gespeeld door Nicole Kidman, al twintig jaar niet aan haar man zeggen wat ze leuk vindt in bed. Nu dacht ik dat seksuologe en tv-presentatrice Goedele Liekens dit in de jaren negentig al voor ons geregeld had, en ik dacht omringd te zijn door mondige vriendinnen. Maar kijk, artikels over de orgasmekloof schieten uit de grond als vers gras na een regenbui. Romy wil graag gedomineerd worden in bed, daar schaamt ze zich kapot voor. In mijn kindertijd kwamen eroticabeurzen op waar de slager van achter de hoek en zijn vrouw, in zwart latex en met een zweepje onder de arm, de maat namen van de laatste dildo’s. Desondanks trilt Romy anno 2025 van paniek om haar perverse fantasieën. En dit bij een man die haar zozeer vertroetelt dat hij toch oor moet hebben naar haar noden. Het lijkt wel of haar eigen concept van vrouwelijkheid haar in de weg zit. Dat is letterlijk rimpelloos, ze laat zich botoxen, en doet haar best om een onaantastbare bedrijfsleider te zijn. Iets smoezeligs als seks heeft daar weinig plaats in. Misschien moet ze eerder zelf uit haar ei breken dan dat mannen of de maatschappij haar plezier ontzeggen. De film biedt één groot argument tegen hetgeen ik hier verkondig: de manier waarop Romy klaarkomt. Haar orgasme is geen ritmisch gepiep, zoals in veel andere films of porno, maar een soort oerschreeuw. We zien het te weinig. Dank daarvoor, Nicole Kidman. Kon ik me voor de rest ook maar wat meer met je personage identificeren. Hormonale tsunami In het hilarische, goed geschreven ‘All fours’ van Miranda July vertrekt een 45-jarige semi-bekende kunstenaar alleen met de auto op reis. Haar man en kind heeft ze nooit langer dan een week achtergelaten. Ze heeft zich zo geconformeerd aan de nuchterheid van haar man Harris, aan de regelmatige en fatsoenlijke vrijpartijen, dat ze eenmaal de kooi uit, al snel van het paadje rijdt. Op een half uur van huis strandt ze in een motel, richt haar kamer in tot een luxeflat en begint iets met een getrouwde man. Het boek zou illustreren hoe de menopauze of midlifecrisis je leven herijkt. Ik heb het nog niet uit, maar dacht na een paar hoofdstukken aan mijn bereisde vriendinnen die meermaals, in gezelschap of alleen, de oceaan hebben overgestoken, lang voor hun veertigste. Die in hun busje naar een surfgebied rijden. Heb je dezelfde nood om uit te breken als je langere relaties afwisselde met periodes als single? Als je die zelfontplooiing waar anderen in hun midlifecrisis naar hongeren, over je hele leven hebt uitgesmeerd?  Is onze levensloop een golfbreker tegen de hormonale tsunami?  Ik zal het u over enkele jaren weten te zeggen. Ik wil zeker niet hooghartig neerkijken op mensen die een lange, stabiele relatie onderhouden of zich graag wijden aan het ouderschap. En eenieder mag zijn plek innemen op het spectrum van de vrouwelijkheid. Is bloemschikken je ding, doe gerust. Alleen mis ik de laatste tijd wat vrouwelijke personages à la Patti Smith of PJ Harvey, Jacotte Brokken of Daphne Agten. Niet de vrouwen die zich moeten bevrijden van zaken die in mijn verdorven bubbel evident zijn. Wel de wat meer gepokt en gemazelde, zelfstandige, eigenzinnige, gepassioneerde vrouwen die misschien net daarmee in de knoop raken. Zie mij hier die literaire kaskrakers fileren. In mijn manuscript paste ik na feedback ook al een paar ‘te fletse’ gebeurtenissen aan. ‘Kussen met een vrouw, deed ik als student elke week’, zei een schrijfgenote. Het is echt geen sinecure om een spannend én geloofwaardig boek te schrijven. Personages met wie je je kan identificeren, maar die niet saai zijn. Weten wat de norm is en wat daar net van afwijkt, is een belangrijke denkoefening. Je moet je eigen bubbel en die van anderen kennen. De hele limonade. Of cava. Waarschijnlijk houden de thema’s uit de laatste bestsellers me daarom zo bezig.        

Pons
0 0
Tip

Django

‘U heeft kinderen’, zegt de waarzegster in het Frans. Ik lunch op het terras van een restaurantje midden in de vlooienmarkt van Saint-Ouen, ze staat naast mijn tafel. Onder haar bontmantel, waarvan ze de weerbarstige pels in de plooi streelt alsof ze een levend dier aait, is een strook van haar groene rok zichtbaar. Haar donkergrijze haar, bijeengehouden door een haarspeld, bevat witte draden. Bij de vrouw hoort een jongetje van een jaar of vijf. Zijn hoofd komt net boven de tafel, zijn ogen spieden in mijn bord, over de kruimels en het servet naar mijn gezicht. Ik schud mijn hoofd. Hij kijkt weg. ‘Nee, ik heb geen kinderen’, zeg ik terwijl ik nog wat sla op mijn vork prik. De ogen van het jongetje volgen de sla tot die in mijn mond verdwijnt. ‘U zal er twee krijgen, zeker en vast’, zegt ze. Haar licht getaande gezicht is eerder getekend dan gerimpeld, in haar voorhoofd heeft de rust geen horizontale lijnen geërodeerd, daar is ze te gretig en geagiteerd voor. ‘Twee kinderen’ herhaalt ze, ‘een meisje en een jongen’. De keizersdroom, maar ik zie slaapgebrek voor mij, en duizend duplo-blokken uitgespreid over de vloer. Ik hark wat geraspte wortel bij elkaar. ‘U bent verliefd en dromerig’, gaat ze verder. Ik grinnik. Ze piert naar me, om te zien of haar woorden het gewenste effect hebben. Haar dikke wenkbrauwen vormen een front dat haar volgende inval verdedigt. ‘En u wordt 90 jaar’. Ze zet grote ogen op om me te overtuigen. Aan het tafeltje naast me begint een vrouw te lachen. Negentig worden en dan pijnloos wegdeemsteren tijdens de middagdut. Fransen gebruiken wel eens de uitdrukking ‘je suis programmé’, wanneer ze van iets overtuigd zijn. Nu deze vrouw mijn lange leven heeft voorspeld, ben ik geprogrammeerd om negentig jaar te worden. Zo zal het zijn tot ik er een andere ontmoet die mijn voortijdige dood voorspelt. De waarzegster vindt dat ze me genoeg perspectieven heeft geboden voor de luttele vijf euro die ik haar betaald heb. Ze laat de achterkant van haar mantel zien, er hangen wat pluizen in de pels. De buren die net nog naar het hobbelpaard en de juke-box keken, zodat hun oor in de goede richting stond om de profetieën te volgen, worden selectief doof als ze hen vraagt of ze hun toekomst mag voorspellen. Daar staat ze nog even, een vreemde paradijsvogel uit de tijd dat deze vlooienmarkt bestond uit voddenverkopers. Zigeuners, toen ze ‘tziganes’ heetten in plaats van ‘Roms’. Een van die tziganes was Django Reinhardt. Django de Sinti, Django de Belg, Django de Corsicaan, Django de Noord-Afrikaan, en uiteindelijk Django de Parisien. Maar bovenal, Django met de banjo, de gitaar en de viool. Tot zijn twintigste kon ie geen letter lezen. Bepaald niet makkelijk wanneer je na een woningbrand, enfin, een woonwagenbrand al twee jaar in het ziekenhuis ligt. Django. Je was achttien en je hele linkerkant lag aan flarden. Ze wilden je been amputeren, maar je weigerde. Je maakte je het meeste zorgen om je hand. Ze zeiden dat je geen gitaar meer zou kunnen spelen. Je broer moest je gitaar brengen en daar ging je als een bezetene tekeer in die koele ziekenhuiskamer. Wat dachten de andere patiënten? Waren ze je gepingel snel beu, te moe om die energie te verteren? Of waren ze blij dat ze die jonge gast weer zagen lachen, dat hij hen meevoerde naar de bals die hij geanimeerd had toen zijn snorharen nog ergens ver verstopt zaten. Het cafeetje waar je vroeger optrad, zit geprangd tussen de sjieke antiekmarkten en de barakken met sjofele matrassen. Een beetje zoals jouw leven. Je trad op, hier in dit cafeetje waar de toog meer plaats inneemt dan de rest, en in de grote zalen in het verre Amerika. Duke Ellington was een autoritaire ijdeltuit die zijn zus huisarrest oplegde. Dat vond je spijtig. Maar on stage waren menselijke gebreken bijzaak, jullie improviseerden erop los, broeders van de muziek. Toch bleef je het kleine broertje, de attractie die op het einde van het concert een meesterlijke improvisatie geeft, maar nooit echt bij de groep hoort. Ach, een manouche blijft nooit lang. De discipline van die Big Bands kon je toch al niet bekoren. Je miste het chaotische feest van de Puces de Saint-Ouen. Je was aan de nazi’s ontsnapt, ze vonden je te goed om je naar de kampen te brengen, aan de Amerikaanse muziekhandel zou je ook wel ontkomen. Je zag in Parijs een vreemde Vlaamse vogel, een kunstfluiter. Hij stond op een tafel in een café, de authentieke ambiance was net wat je nodig had na dat Amerikaans avontuur. Die jongen had talent. Je begeleidde zijn volkse deuntjes en je kreeg alweer gelijk: Bobbejaan Schoepen, de naam had je nooit goed kunnen uitspreken, werd een hit. Je vond je spitsbroeder terug, Stéphane Grappelli, en je glimlachte toen je dacht aan de tijd dat hij je leerde lezen, daar in het ziekenhuis. Je hield je gitaar vast alsof het een baby was die je suste, dicht bij je schouder, net niet te dicht bij je brandende sigaret. Het was goed zo, zo goed dat je op je veertigste de rust vond om te schilderen en te vissen, in een dorpje dat bij je romantiek paste. Samois-sur-Seine, waar het water de ster is. Het was toen je op de beet van een snoek wachtte, dat het gevaar je van binnenin overspoelde. Je was pas drieënveertig toen de hersenbloeding je klein kreeg. Vond je het spijtig dat je er geen negentig was geworden? In jouw stamcafé drink ik mijn dure Leffe leeg terwijl Tchavolo Schmitt jouw nummer speelt. Ik loop langs de marché Vernaison waar ik ooit een platendraaier kocht. Naast de specialisten in Oriëntaals antiek staan de matrassenverkopers. De vlooienmarkt heeft een eigen stadswal van sportschoenen en leren jekkers, het ene standje naast het andere. Net voor ik door die muur wil lopen, een ander universum in, zie ik de waarzegster voor me. Haar werkdag zit erop, ze zet er goed de pas in. Haar benige schouders doen haar bontjas op en neer gaan. Het kind sjokt achter haar aan. Hij stopt en steekt zijn hand uit naar een blinkende ceintuur. Dan ziet hij me, kijkt me aan met die riem in zijn hand. Krijgt hij ook die niet? De waarzegster draait zich om. Haar pels hangt open, perfect nonchalant. Ik ben van geen belang. Ze buigt zich naar het kind en schreeuwt: ‘Allez viens, Django!’

Pons
58 4

Zwemles

We gingen naar het zwembad, Paul, Felix en ik. Dat deed Felix graag. Paul had me uitgenodigd voor een tweede date met zijn zoontje. De chloorgeur herinnerde me aan de sportkampen die mijn moeder amper kon betalen. Zo behoedde ze me voor eenzame weken in de zomervakantie, toen zij in de bar werkte. ‘Geld verdienen om in de winter van te genieten, zoals eekhoorns eten verzamelen in de zomer,’ zei ze me. Met haar roodblonde krullen en sproetjes had ze wel iets van een eekhoorn. ‘Op kamp maak je tenminste vriendjes,’ zei ze. Mijn groep in het tenniskamp bestond uit blonde minivrouwtjes met een zonneklep en sponzen polsbandjes, al scheen de zon niet en zweetten we amper. Ze renden de gravel overhoop in een spelletje tegen de monitor. Ik speelde tegen Gijs, een dikke jongen die het tenniskamp ook niet had uitgekozen. De bal strandde gemiddeld na drie slagen. ’s Middags at ik de boterhammen die mijn moeder had belegd met kiri-kaas. In de oorverdovend luide refter zeiden Gijs en ik niks tegen elkaar. De meisjes gilden heen en weer over acteurs die ze knap vonden. Op dag twee van het tenniskamp regende het pijpenstelen, net als op dag vier en dag zes. Dan moesten we naar het zwembad. Ik tekende met mijn vingers halve cirkels in het water en stapte verder, tot ik de grond niet meer raken kon. In de verte plonsden de andere meisjes in het diepe water. Ze hadden leren zwemmen op vakantie, ergens in een zonnig land. Toen een monitrice ontdekte hoe slecht ik het zwemmen fakete, stelde ze zich tot missie om het me te leren. Ze stopte me een drijfbordje in mijn handen. ‘Armen gestrekt,’ zei ze. Zonder me te waarschuwen, tilde ze mijn lichaam op tot ik in het water dreef. Net als de schildpadden uit natuurdocumentaires krulde ik spontaan mijn nek en stak mijn neus in de lucht. ‘Je moet je kont hoog houden,’ zei de monitrice, ‘anders blijf je nooit drijven.’ Ze greep me bij mijn kruis en duwde me omhoog. Mijn kin zakte in het water, langs mijn neus liep het mijn keel binnen. Ik hoestte tot het pijn deed aan mijn ribben. ‘Ach, dat is het, je bent bang om water binnen te krijgen. Dat moeten we gewoon overwinnen’, zei de monitrice, ‘daar is niks ergs aan.’ Ze haalde diep adem, kneep haar neus dicht en dook onder. Ze bleef er een minuut lang en ik wachtte, zoals ik thuis op mijn moeder wachtte die uit werken was. Toen de monitrice weer boven kwam, leek haar fijne haar versmolten met haar hoofd. Het water stroomde in bliksempatronen over haar gezicht. ‘Nu jij,’ zei ze. Ik haalde adem, sloot mijn mond, zette mijn vingers op mijn neus en dook onder. Het water drukte tegen mijn hoofd. Ik kneep alle openingen toe, mijn neus, ogen en mond. Langs mijn oren donderde het water mijn hoofd binnen. Ik voelde mijn kaken opbollen, stak mijn kop weer boven. ‘Nog een keer,’ zei de monitrice. Ze tikte op mijn hoofd, ik dook te snel onder, nam een hap water en spuwde die uit. Uit mijn neusgaten spoot water. ‘Je wil toch geen schrikkepuit zijn, zeker?’, zei de monitrice, ‘Kom, opnieuw!’ Na de vierde keer kopje onder, stroomden er warme tranen over mijn gezicht. ‘Het is toch helemaal niet zo erg?’ Ik verdronk mijn tranen in het zwembadwater en beeldde me in hoeveel verdriet er in een zwembad ronddreef. ‘Ach, laten we er maar mee stoppen voor vandaag,’ zei ze. De zwarte wijzers van de grote klok waren nog maar drie partjes van vijf minuten opgeschoven. Ik rilde tot de wijzers nog vier partjes verder waren. De monitrice blies op haar fluitje, alle kinderen renden lachend en schreeuwend naar de douches. Ze riepen elkaars naam over de wanden van de kleedhokjes. ‘Alweer niet kunnen tennissen?’ vroeg mijn moeder toen ik met mijn natte haar in de auto kroop. ‘Spijtig van dat geld, toch,’ zei ze. ‘Kom, we drinken een warme chocomelk in de bar! Ik had beter moeten weten, de eerste week van juli regent het vaak. Fijn dat je nog kan zwemmen.’ De chocomelk proefde naar chloor en raakte amper voorbij mijn keel. ‘Voor mij een koffie. Zwart, zonder melk’, zei een man tegen mijn moeder. Dit is een fragment uit mijn manuscript ‘Gaartijd’ 

Pons
1 0

Jouwen we even samen? (3de plaats bij 'Hooray for the essay')

Toen ik nog voor de klas stond en een leerling op spieken betrapte, antwoordde die: ‘Maar mevrouw, zij was ook aan het spieken.’ In plaats van schuld te bekennen, wees de leerling een klasgenoot aan die dezelfde fout maakte. Hij legde de vinger op de grootste wonde van een startende leraar: ik was niet consequent. Ik zag de fout wel bij hem, maar niet bij die andere. De leerling bracht me in een lastig parket. Wat moest ik doen? Hem straffen, en de andere leerling van wie ik het niet had gezien ook? Die laatste ontkende natuurlijk staalhard dat ze gespiekt had. Of zou ik alleen de leerling straffen die ik wel had betrapt, en riskeren dat ik geen rechtvaardige rechter was?  Veel bedenktijd heb je niet op zulke momenten. Mijn geest zocht in sneltempo naar een oplossing. Uit de diepste krochten van mijn database borrelden er frasen naar boven die ik als kind had gehoord. ‘Leg uw polleke eerst op uw eigen hoofd, en kijk wie eronder staat’, zeiden mijn kleuterleraren als we klikten. Ook populair: ‘En als de ander in de Dender springt, doe jij dat dan ook?” (In andere regio’s bestaat die formule ook, vernam ik later. Je vervangt de Dender gewoon door de plaatselijke rivier.)  De hedendaagse leerling schudt meewarig het hoofd bij zulke stichtelijke antwoorden. Maar mijn kleuterjuffen hebben me kennelijk goed geïndoctrineerd; het jeukt nog steeds verschrikkelijk als mensen het ene kwaad proberen opheffen met een ander kwaad. Als ze niet naar zichzelf willen kijken of hun verantwoordelijkheid ontlopen. De jeuk heeft een naam. ‘Two wrongs make a right’ is een veelvoorkomende drogreden in discussies. Denk aan argumenten als: ‘Wij stoten misschien veel CO2 uit maar China nog veel meer’, waarbij je het probleem in eigen land relativeert door naar een land te verwijzen dat hetzelfde doet, maar nog erger. Op dezelfde manier kan een spreker vergoelijken dat onze begroting in het rood gaat, want die in andere landen ook. Het is aanvaardbaar, want de andere doet het ook. Iedereen rijdt wel eens met een glaasje op, toch? Naaste familie van ‘Two wrongs make a right’ is het bekendere ‘whataboutism’. Dan vergelijkt de spreker het ene kwaad met een andere misstand. Denk aan discussies waarbij beschuldigingen over ‘censuur’ van Vlaams-Nationalisten en ‘cancel culture’ van zogenaamde wokies tegen over elkaar gesteld worden, zoals Mia Doornaert hier doet: “De linkse filosoof en vakbondsman Robrecht Vanderbeeken ziet in zijn recente opiniestuk (DS 4 april) niets dan censuur en “slaafsheid” in Vlaanderen. Dat komt doordat de Vlaams-nationalisten “de VRT aan de ketting leggen” en de cultuur censureren. Je moet maar durven. De afgelopen decennia is de cultuurwereld juist slaafs in de pas gaan lopen van een ‘links’ dogma, van een taalpolitie, van een boycot (alias cancelcultuur) van foutgelovigen.”  In een opiniestuk over politieke hygiëne schreef lector Verkeerskunde Kris Peeters: ‘Kwaad zijn over de oplopende kosten van het energie-eiland, maar niet over die van de Oosterweelverbinding? Sommigen kunnen dat”. En arbeidseconoom Stijn Baert stelde in De Afspraak dat we verontwaardigd zijn over de extreemrechtse burgemeester Guy D’Haeseleer in Ninove, terwijl we amper spreken over Molenbeek, “waar Vooruit een coalitie lijkt te vormen met drie partijen die voor een stuk geloof voor verlichting stellen. Catherine Moureaux van de PS die vraagt of we een plaats kunnen inrichten waar exclusief meisjes met elkaar in contact kunnen komen, of Team Ahidar dat onverdoofd slachten heroverweegt, bijvoorbeeld. Ik denk dat dat tot ingrijpendere ontwrichtingen van de maatschappij kan leiden dan dat men in Ninove misschien Vlaams zal moeten spreken in een sportclub.” In beide gevallen drijft de boot weg van het oorspronkelijke onderwerp. Peeters blijft niet bij de oplopende kosten van het energie-eiland, Baert leidt af van de mogelijke impact van Guy D’Haeseleer.  Het jeukt nog erger wanneer ik vaststel dat ik zelf die spiekende leerling ben, en in de val trap van de vergelijkende vingerwijzing. Na de column van Herman Brusselmans werd er terecht op gewezen dat je niet elke Jood verantwoordelijk kan stellen voor de oorlog in Gaza. Maar waarom vroegen we dan in 2001 en 2016 wel dat elke moslim afstand nam van de aanslagen, gepleegd door enkele terroristen? Een vriend stelde mijn beeld bij. Ook toen waren er betogingen van mensen die het opnamen voor moslims. Het was niet zo zwart-wit als ik het me herinner. Misschien is dat ook een eigenschap van deze drogredenen. De nuance wordt van de vergelijking gevijld. Een drogreden is een schema, eerder dan een complexe wereld.  En toch ben ik niet de enige die als een gek op inconsequenties jaagt. O wee als je een rijke socialist bent, een christendemocraat met een maîtresse of een ecologist met een verleden als vliegende reporter. Je gesprekspartner kan die eigenschappen uitvergroten, waardoor men geen oren meer heeft naar je inhoudelijke argumenten. Hier gaat het om de tu quoque-variant, of ‘jij ook’ voor wie het Latijn minder machtig is. Die specifieke vorm van de ‘two wrongs make a right’ wordt ook wel de jij-bak genoemd, of in het volkslatijn: de pot verwijt de ketel. Bijvoorbeeld, een spreker wijst erop dat vlees eten slecht is voor het klimaat, en jij werpt tegen dat je hem onlangs met smaak een steak zag verorberen. Maar is het dan echt niet geoorloofd om hypocrisie aan te klagen? De twee maten en twee gewichten, weet u wel. Die moet je toch blootleggen? In haar column ‘Er is niks mis met een drogreden’ fulmineert wijlen Beatrijs Ritsema tegen wat ze ‘het zoveelste vrome preekje tegen het tu quoque-argument’ noemt, een column van Suzanne Wuesten. ‘Als vergelijkingen met overeenkomstige situaties taboe verklaard worden, kun je helemaal nergens meer een discussie over voeren’, betoogt Ritsema. Als voorbeeld haalt ze de airconditioned mansion van ‘profeet van de planeet’ Al Gore aan. ‘Zelfs als je níet Al Gore persoonlijk wil aanvallen, geeft het argument alsnog inzicht in de al te menselijke kloof tussen idealen en de dagelijkse praktijk, toch zeker relevant voor de klimaatkwestie.’ Ritsema beschouwt de retorica als een kunstvorm, waarin alle argumenten in een redenering erop gericht zijn om het gehoor te overtuigen en mee te slepen. ‘Een gloedvol spreker gooit zijn hele hebben en houden in de strijd en het publiek bepaalt zelf waardoor het zich laat begoochelen. Wie het er niet mee eens is, roept altijd: drogreden!’ Ze heeft ergens een punt: het is wat geconstipeerd debatteren als je de hele tijd beducht bent voor drogredenen. Misschien is het wel iets diepmenselijks om tegenstrijdigheden te detecteren. Toch jeuken de tu quoque (het is best een mooie naam voor een kriebelig beestje, de toe-kwokwee) en de andere drogredenen, vooral wanneer de spreker er zijn passiviteit mee wil rechtvaardigen. Ik hoef niks goeds te doen, want die andere doet ook niks goeds. Maar dan komt de spiekende leerling me weer voor de geest, met zijn treiterige glimlachje, en hij fluistert me in: “mevrouw, u doet het toch ook wel? Bent u niet net zo kleingeestig als ik wanneer u hypocrisie aanklaagt? Of denkt u echt dat uw rechtvaardigheidsgevoel dan spreekt?” “Je bent een hardleerse tu quoque-ist”, zeg ik hem, maar ik gun hem wat terrein. “Misschien mag het wel, als iemand echt een morele autoriteit is en zich daar niet naar gedraagt. Maar ik wil gewoon dat debatten om inhoud draaien, is dat dan zo erg?” “U krijgt weer rode vlekken in uw hals”, antwoordt hij me. Voor ik het weet, krab ik me.  Ritsema wijst in haar column op een kil aspect van mijn rechtvaardige logica. ‘Het kind dat roept “wat je zegt ben je zelf’ gaat geen inhoudelijke discussie aan, maar kaatst simpel terug. […] Er is niets op tegen om die gevoeligheid of angst te exposeren.” Zonder het zo te benoemen, raakt ze aan wat Freud projectie noemde: men schrijft onderdrukte gevoelens of verlangens onbewust toe aan een externe bron. De verliefde leest aspecten van zichzelf in haar liefdesobject, de pestkop valt de kwetsbaarheid van zijn slachtoffer aan. Terwijl hij zijn eigen kwetsbaarheid wegduwt. En wie een ander van zedeloosheid beschuldigt, laat misschien zijn eigen seksuele verlangens niet toe. Jezus wees al op dit mechanisme in het Nieuwe Testament: “Waarom kijkt u naar het splintertje in het oog van uw broeder en besteedt u geen aandacht aan de balk in uw eigen oog?” Zo, de tu quoque is een psychologisch verdedigingsmechanisme. Verslijt de spreker dus niet voor een huichelaar, zoals Jezus deed, maar breng begrip op voor zijn onderliggende onrust. Is dat geen fijn krabben tegen de jeuk? Maar wat als het om bewuste afleiding of misleiding gaat? In de VS win je verkiezingen als je zegt dat je tegenstander in de cel hoort, terwijl er rechtszaken tegen je lopen. Of als je beweert dat je tegenstander dom is, terwijl je eigen argumenten soms kant nog wal raken. Daartegenover is begrip toch wat naïef.  Moeten we niet alle zeilen bijzetten om die drogredenen te ontmaskeren, misschien met AI die ze instant rood kleurt in een tekst of het geluid dempt in een video? Ook in opiniestukken van weldenkenden, en liefst nog voor de publicatie. Misschien is dat te betuttelend. En is het hard opboksen tegen het commerciële succes van die redeneringen, tegen de herkenbaarheid en de populariteit van het retorische kunstje.  Op zoek naar een nog gepastere zalf tegen de jeuk, ging ik te rade bij de virtuele apotheker. ChatGPT. Vindt u dat een essayist onwaardig? Ach, ik durf wedden dat u ook al een keertje bij ChatGPT aanklopte, misschien wel om slimmer te lijken dan u bent. O, die verdomde jeuk, daar brandt ie weer.  ChatGPT geeft je meteen een masterclass. Maak de drogreden expliciet, breng de discussie terug naar het oorspronkelijke punt, gebruik feiten en framing, blijf kalm en professioneel, vat samen en stel een directe vraag,… Goede tips, maar je moet er al een geoefend journalist of gehaaid politicus voor zijn. En je spreker zal ongetwijfeld geïrriteerd reageren als je hem publiekelijk van een drogreden beschuldigt.  Misschien ligt het beste krabben wel in de gelijkheid. Want de two wrongs en tu quoque onthullen dat we fouten van dezelfde orde maken en dezelfde dingen ondergaan. Kortom, dat we op elkaar lijken. Enkele weken geleden stonden er twee politica’s voor het Gentse stadhuis, die elkaar zeer goed hoorden.  Desondanks riep de ene: “Wij werden uitgejouwd. Door jullie aanhangers.’ Waarop de andere iets zei als: ‘Maar wij werden ook uitgejouwd. Door jullie aanhangers.’ Toen de camera’s weg waren, besloten ze:  “O, dan werden we allebei uitgejouwd. Goed dan. Jouwen we nu even samen?”                                

Pons
48 0

Krater

Waren we niet op weg naar een begrafenis en lagen de voorbije jaren niet als een spijkermat tussen ons heen, dan was Nino’s plan even geniaal als onze fietstocht naar Amerika destijds. ‘Ik kan je meenemen naar Colorado, als je wil!’, had hij voorgesteld toen we wat doelloos rond fietsten. Uit nieuwsgierigheid ging ik mee in zijn spel en reed hem achterna. Nino’s tocht leidde eerst steil omhoog over het rimpelig asfalt van een drukke weg. Er was geen fietspad en de auto’s reden ons rakelings voorbij. Ik stampte hard op de trappers maar raakte amper vooruit. Behendig fietste Nino in een boog rond me heen.  ‘Voor Amerika moet je wat over hebben’, lachte hij.  Hij stapte af en duwde me terug op gang.  ‘Zo meteen gaat het naar beneden!’  Hij had gelijk, na een kort plateau denderden we langs een steile kasseiweg door een bos. Ik probeerde even snel als Nino de helling af te fietsen. Hij keek om: ‘Ca va?’ Ik riep ‘ça va’ en mijn a’s trilden op het ritme van de kasseien. We begroetten een vrouwtje dat voor haar bungalow een kleurrijke lap breide.  ‘Salut Louise!’, riep Nino, ‘on part pour l’Amérique!’  ‘Bonne chance!’ schreeuwde ze in de vlucht.  Uit mijn ooghoek zag ik haar glimlachen, een fractie van een seconde, toen was ze weer weg. De kasseiweg was omgeven door bomen die een donkere tunnel vormden. Mijn hoofd werd licht van de snelheid waarmee de wind langs mijn oren suisde. We spurtten naar het gat waar het bladerdek stopte en de volle zon de wereld aan ons toonde. Die was immens, Nino had gelijk. Langs de weg lag een enorme krater, zeker honderd meter diep. Kleine tinnen mannetjes liepen op de bodem en maakten de Canyon nog groter. ‘Van hier gaan we te voet’, zei Nino. We stalden onze fiets in de berm.  ‘Dit is Amerika’, fluisterde ik. ‘Helemaal’, zei Nino. De wanden van de krater waren niet roestkleurig zoals bij de Grand Canyon, maar van grijsblauwe steen. ‘Porfier’, zei Nino De enorme rotswanden waren zo grillig als versplinterd hout, de krater maakte een gigantisch gat in het vlakke landschap. Ik keek over de rand en tuurde de diepte in.  In de wand waren trappen gehouwen, maar over enkele meters was er geen reling. ‘Mevrouw, bent u klaar om de Grand Canyon te verkennen? Ik ben Nino, uw gids voor vandaag.’ Ik keurde elke trede van die ruwe trap, mijn adem stokte. ‘Ik geloof dat ik hoogtevrees heb.’ ‘Erg onhandig als u canyons bezoekt.’, zei hij en stak zijn hand uit. Ik veegde mijn zwetende handpalm snel af aan mijn t-shirt, wat Nino meteen imiteerde. ‘Voilà, nu we proper zijn, kunnen we gaan.’  ‘Je knijpt’, zei hij toen ik mijn hand om de zijne knelde. ‘Loop door!’, gierde ik. We bereikten een plateau vanwaar we de werken konden overzien. Oranje mannetjes bestuurden heftrucks en drilboren, vonden ze ons vervelende bezoekers? Ik maakte me klaar om de trap zo snel mogelijk op te lopen, in het geval we hier niet gewenst waren. Nino tuurde naar het landschap alsof we onzichtbaar waren, of zo gewoon als de begroeiing hier, maar de werkmannen schreeuwden zijn nonchalance aan flarden. ‘Nino, c’est ta copine?’. Hij fezelde iets in de aard van ‘gewoon een vriendin’ en de mannen bulderlachten dat hij maar veel vriendinnen moest maken. Ze beklommen de trap zonder een zweem van hoogtevrees, alsof ze in deze krater geboren waren. Elke pas hadden ze al honderd keer eerder gezet, net als Nino. Ik tastte met mijn schoenpunt de bodem af, gleed even weg op kleine steentjes en kneep nog harder in Nino’s hand. Langs mijn slapen parelde een druppel zweet en ik werd duizelig, mijn benen trilden en ik voelde me belachelijk. Wie was dit lichaam dat meer emoties had dan ikzelf?  Nino wees naar een reiger die over de bouwput vloog, en ik bewonderde de S-vormige hals van het beest, hoe zijn bek en zijn poten op een perfecte lijn het luchtruim doorkliefden, zoals wij mensen op het water dreven. ‘Kijk jij of er nog meer reigers zijn?’, vroeg hij me. Het trucje werkte: door me op de hemel te concentreren, kon ik in de krater afdalen.  ‘Heb je honger?’, vroeg hij. Mijn maag grolde boven het gekap en de drilboren uit. Nino nam mijn hand en loodste me langs de kloof terug naar onze fietsen. In het dichtstbijzijnde dorp kochten we een broodje met olijven bij een bakker die Nino begroette alsof hij familie was. Nino stelde me voor, maar de bakker sprak zo snel dat ik hem niet begreep en me schaamde omdat ik geen antwoord gaf. ‘Ze spreekt Nederlands’, zei Nino. ‘Ah, une flamande. Oe gaat et?’, zei de bakker. ‘Très bien, merci, et vous.’, antwoordde ik. ‘Oh, tu peux me tutoyer, ik ben de koning niet’, lachte hij.   Ik dacht dat Nino’s behulpzame uitstraling en zijn goedhartig karakter hem geliefd maakten. Een paar weken later ontdekte ik dat de begroetingen niet alleen voor hem waren, maar ook voor zijn vader. Een arbeider die omkwam door de berg steenpuin die hij zelf met zijn graafmachine had opgehoopt. De oranje mannen bij de steengroeve hadden de berg tot leven zien komen, eerst wat stoffige golfjes, dan één grote, onstopbare lawine. Nino’s vader werd in zijn cockpit bedolven onder zijn eigen werk. Iedereen was ontzet, daarom zorgden die werkmannen samen voor Nino, zonder er grote besprekingen over te houden. De ene kwam langs om een kapotte dakgoot te herstellen, de andere nam Nino mee op een uitje met zijn kinderen. Ik gruwde van het beeld dat Nadia op fluistertoon tot leven bracht, in het café van Bubu, terwijl Nino een nieuw vat bier en wat bakken cola uit de kelder haalde. Nadia voelde zich verplicht me wat achtergrond te verschaffen, aangezien ze wist dat Nino dat niet uit zichzelf zou doen. Maar Nino werd er nog vager van.  Dit is een fragment uit mijn manuscript ‘Nino’. Twee ex-geliefden reizen op een tractor naar de begrafenis van een oude vriend. Tussen hen in ligt een pak onverwerkt verleden, dat met mondjesmaat komt bovendrijven.

Pons
1 0

Fijn gluren in Amiens

Het Musée de Picardie was maar lijstduwer op mijn wishlist ‘weekendje Amiens’. Bovenaan stond een bezoek aan de binnenstad en haar kanalen, de wijk Saint-Leu en het huis van Jules Verne. Maar omdat het wat miezelde, waaiden we tegen elven aan in de binnentuin van het museum. Peter zette zijn schouder tegen de houten poort, om dan vast te stellen dat de ingang zich aan de zijkant van het gebouw bevond. Een automatische schuifdeur. Ik verwachtte een vrij klassiek museum. Denk: heldendaden op groot formaat en personages die amper doorbloed zijn, zo bleek en wit dat je begrijpt dat sommige mensen er het woord blank niet voor willen gebruiken. De eerste zaal na de kleurrijke ingang leek die verwachtingen te bevestigen. Toch vestigde Peter mijn aandacht op de legendarische Lady Godiva, die in Coventry naakt op een paard zou hebben gereden, enkel opdat haar man de belastingen zou verlagen. Die Leofric liet zijn vrouw begaan op voorwaarde dat niemand naar haar zou kijken. Alleen ‘peeping Tom’ gluurde en werd daarmee de beroemdste voyeur. Schilder Jules Lefebvre haalde zijn ladder boven om de legende zo monumentaal mogelijk vast te leggen. De Tsjechische Tereza Lochman (1990) persifleerde dat verhaal schitterend met haar mixed media van hout en pigment. Ze verwijst naar het verzet van Femen en naar de invloed van pesticiden op het lichaam. Godiva kreeg het hoofd van Tilda Swinton. Lochmans bevreemdende werken zijn de perfecte remedie tegen museale dufheid. Ze triggeren en passen wonderwel bij de draken, engelen en volkse gezichten op de retabels even verderop. Ik was minutenlang vastgekluisterd aan een klein werk in ivoor uit 880. Ongelooflijk hoe fijn Saint-Remi en zijn volgelingen afgebeeld zijn. Die drommen mensen op de retabels lijken dooreen geschud door een klimaatgestoorde orkaan, ze wringen en ze duwen, maar blijven tegen wil en dank bij elkaar. Zo druk als het is op die sculpturen, zo kalm was het in de gangen van het museum. En dat is doodjammer. Al opgetogen door het fijne werk op het gelijkvloers, schoot ik haast vol op de eerste verdieping. De Francissen, Bacon en Picabia, tekenden present en er hing warempel een Picasso. Maar de ware ontroering schuilde in de selectie van werk dat beklijft, zoals het portret van de eigenzinnige kleuter Maurice Lefebvre, de zoon van de monumentale schilder. En zelfs secties waar ik normaal haastig doorloop, zoals de archeologie, bleven me boeien. De januskop tegen een spiegeltje, het zwarte varkentje uit de eerste eeuw na Christus, identieke postuurtjes van farao’s. Seriewerk uit het Oude Egypte. Kortom, dit museum verdient meer bezoekers. Het revitaliseert uw verbeelding. Konden marketeers en influencers dat maar even goed aan de man brengen als een potje yakult.Na een Indische maaltijd in een restaurant dat met een beoordeling van 3,5 opgescheept zit op Tripadvisor, voornamelijk door klanten die er niet naar het toilet mochten twee dagen nadat ze er hadden gegeten, of hun ene hoofdgerecht niet mochten delen onder hun drieën, trokken we naar het huis van Jules Verne. Die vond in Amiens de vrouw van zijn leven na een hele reeks blauwtjes te hebben gelopen. Met drie succesvolle boeken op zijn palmares sloeg hij een jonge weduwe aan de haak, en vestigde zich in een prachtig hoekpand. Hoewel het huis vier verdiepingen aan ruime kamers telt, schreef Jules Verne onwerkelijke reizen uit in een krap bureautje. Alsof die grote binnenwereld het meeste gebaat was bij een kleine ruimte. Achter zijn schrijftafel staat een bed waar hij misschien indommelde tussen het schrijven door. ‘De reis om de wereld in tachtig dagen’ werd een hit, alleen al van de merchandising kon Verne rentenieren. Thomas Cook organiseerde in de nasleep van de roman toeristische reizen om de wereld, terwijl Verne tot gemeeenteraadslid werd verkozen in Amiens. Een stad op een steenworp van Parijs maar met minder kabaal, zo schreef hij. Zijn personage Phileas Fogg vraagt zich af wat het reizen hem nu heeft opgeleverd. Zijn liefhebbende vrouw, besluit hij, je zou voor minder de wereld afschuimen. Alsof Verne daarmee de reislust wou temperen die hij bij zijn lezers had aangewakkerd. Oost west, thuis best. Al is Amiens ook niet slecht. 

Pons
0 0

Nieuwsgierigen, blijf weg

Alsof we moesten kiezen tussen sterk zijn of gek worden, lazen we Chateau fort en Chateau de la folie op twee pijlen die elk een andere richting uit wezen. We speelden blad steen schaar en Nino won, dus trokken we naar de versterkte burcht. Die deed met zijn spitse toren en rode luiken minder Middeleeuws aan dan verwacht. Op de binnenkoer trok een man onkruid van tussen de kasseien en gooide het meters verder in het gras. Hij droeg een pet voor grootvaders of hippe stedelingen. Zijn ogen waren van zulk een warm bruin dat hij aan de aarde ontsproten leek. Nino zei bonjour tegen iedereen die zijn pad kruiste, terwijl ik dat steeds vergat. ‘Bonjour’, echoode de man, en ik na hem. Blij met ons onverwacht bezoek toonde hij ons de kasteeltuin, een droge bedding waarin enkele kalkoenen rondscharrelden die ons algauw even nieuwsgierig gadesloegen als wij hen. ‘Woont u hier?’ De man knikte. ‘Een erfenis waar je arm van wordt’, lachte hij. Hij wees naar de gevel, prevelde iets over de graaf van Henegouwen in de twaalfde eeuw en over een tunnel. Op zijn onderlip kleefde het tipje van zijn sigaret, die balanceerde op het ritme van zijn woorden zonder uit zijn mondhoek te donderen, een kunstje dat jaren ervaring verried. Nino vroeg hem wat over de steengroeves in de buurt. De man zei dat die nu gevuld waren met water en dat er tot op enkele jaren geleden in werd gedoken. Maar het water was zo duister dat een zestal duikers niet meer boven waren gekomen. Toen werd het duiken afgeschaft. Nino bleef er opmerkelijk emotieloos bij. Misschien had hij aanvaard dat de steengroeve almachtig was en mensen opslokte die zich te diep in haar buik waagden. De man wou ons nog de wapenzaal van het kasteel tonen, maar we bedankten vriendelijk en zetten onze tocht verder.  ‘Alweer iemand die ik niet licht vergeet’, zei ik. ‘Dat komt omdat hij op Bubu lijkt’, zei Nino.  ‘Je hebt gelijk’, zei ik, ‘Goed dat er meer dan één Bubu rondloopt.’ Ze waren wars van hypes en toch hadden ze charisma, omdat ze zich nergens wat van aantrokken. Ik vroeg me af op welke leeftijd ik het Bubu-schap zou bereiken.  Op het marktplein hielden we halt bij wat leek op de snel woekerende plant uit Jaap en de Bonenstaak. Ik haalde mijn gsm boven en opende een app om planten te determineren. ‘Anna Paulownaboom’, zei ik, ‘een sierboom uit China’. Nino lachte, omdat de bladeren gaten hadden en bruine randen, en dus geen recht deden aan de sjieke vrouwennaam en het label sierboom. Hij stak de draak met me omdat ik de natuur wilde kennen via een app. ‘Ik geniet van de namen’, verdedigde ik me. ‘Zilverschildzaad, Schietwilg, zwavelzwam’.  ‘Je houdt nog steeds meer van woorden’, zei hij.  Een lege batterij met een rode streep verscheen op mijn scherm. Twee procent had ik nog. ‘Wat is er?’, vroeg Nino. ‘Niks, waarom?’ ‘Je staat zo gebogen. Maak je je zorgen?’ ‘Ik wil graag verder rijden’ Even verder blonk een zwarte oldtimer op de oprit van een bungalow. ‘Arthur Haily’ was het automerk waar ik nog nooit van gehoord had. Op de voorruit prijkte een papier met een gsm-nummer en het order ‘Curieux, ’s abstenir’. Nieuwsgierigen, blijf weg. Het stak af tegen de frivoliteit van de wagen. Zeker nu nieuwsgierigheid een misdrijf bleek, zocht ik op mijn bijna platte gsm wie Anna Paulowna was. ‘Een Russische grootvorstin en de echtgenote van Willem II van de Nederlanden.’  ‘Maar wat heeft ze met die boom te maken?’, vroeg Nino. ‘De Duitse botanicus Philipp Franz von Siebold had deze boom uit China naar Europa gebracht en vernoemde hem naar Anna Paulowna als eerbetoon, omdat ze zo invloedrijk was in Europa.’ ‘Ik had nog nooit van haar gehoord’, zei Nino. ‘Elke vraag roept weer een andere op. Wie is die Duitse botanicus, en waarom was hij gefascineerd door de Nederlands-Russische keizerin? Hadden ze elkaar goed gekend, hadden ze een affaire?’ ‘Dus je zoekt dingen op die je telkens naar andere leiden, zoals een boom zich vertakt’, zei Nino.  ‘Wist je dat die boom vuurbestendig is? En dat ze er ski’s van maken?’ Nino lachte. ‘Dit valt onder verslaving.’ De batterij lichtte weer op, en doofde uit. Weg met de nieuwsgierigheid.  ‘Nu ben je alleen met jezelf’, zei Nino. ‘En met mij.’ (Dit is een fragment uit mijn manuscript 'Nino')

Pons
10 0

De laatste puzzel van Célestin

Een paar kilometer verder wees hij naar een verlaten boerderij. De tijd vrat stukjes uit de witgekalkte muren. “Wie woont hier?,” vroeg ik. “Célestin,” zei Nino, “maar die is er al twee jaar niet meer. We mogen zijn huis gebruiken.” Ik vroeg niet wie daar toelating voor had gegeven. Nino kende hier alles, iedereen was hem goed gezind. We gaven onze fiets een plaats op het erf. De regenput met de rode smeedijzeren hendel was overwoekerd door onkruid. Een kat twijfelde tussen argwaan en nieuwsgierigheid toen ze ons zag. Ik boog voorover en liet haar mijn hand ruiken, waarop ze spaarzaam snoof en terugdeinsde. De kasseien op het erf lagen oneffen. Nino en ik trippelden steen per steen naar de deur. Hij hief ze hoog in de hengsels en zette er heel zijn gewicht tegen, tot ze bruusk en onder luid gekraak open schoof.   “Mevrouw, u eerst,” sprak Nino. Hij legde zijn hand op mijn schouder. Even vreesde ik dat we op een bende drugsverslaafden zouden botsen. Ik overwoog om terug te gaan, maar mijn liefde voor Nino, die door geen enkele tegenslag gefilterd was, overtuigde me. In de smalle gang van het huis hingen een paar jassen aan de kapstok. De bewoner moest plots vertrokken zijn, want zijn hele inboedel stond er nog. Porseleinen herders speelden fluit voor geitjes en gele vogeltjes, houtblokken lagen klaar naast de haard. “Célestin stierf een paar jaar geleden,” zei Nino. Ik vroeg niet of Célestin dan geen kinderen had. Naast de haard lag een stapel puzzels: Zwitserse bergen, een woestijnlandschap met een karavaan kamelen, de Taj Mahal. Célestin puzzelde de wereld bij elkaar in zijn boerderij. Ik bladerde even door een schriftje dat op een bureau lag. Het stond vol berekeningen en dagtaken van een mens die er niet meer was. De eettafel was proper, alsof Célestin deze ochtend de kruimels had weggeveegd met zijn hand. “Heb je gepoetst?,” vroeg ik Nino. “Ik kan je toch niet ontvangen in een vuil kot.” “Dan bracht je water mee?” “Er is een regenton,” zei Nino bescheiden. Ik omhelsde hem.   “Kom,” zei ik, terwijl ik hem naar de zetel leidde. We haakten in elkaar als puzzelstukjes, ergens in de benedenhoek van een groot tafereel, waar niemand acht op ons sloeg. Nino masseerde me onder mijn truitje. Hij rolde het steeds een paar centimeter verder omhoog. “Wat ben je leep,” lachte ik. Ik speelde met mijn vingers langs de rand van zijn broek, dook de diepte in met mijn hand. Ik kneep in zijn bil, hij lachte en beet als weerwraak in mijn nek, net hard genoeg om de spanning door mijn hele wezen te jagen. Hij opende mijn bh met de elegantie van een juwelier die iemand een halsketting afneemt, aanschouwde vol ontzag mijn borsten en kuste ze voorzichtig. Onstopbaar als de berg puin die zijn vader vermorzelde, dreef mijn gevoel me naar Nino. Ik trok zijn T-shirt over zijn hoofd en gooide het in een schommelstoel. Onze slipjes belandden naast elkaar op de grond. Ik schrok van zijn waggelende lid dat de steun van zijn slip miste en nam het haast automatisch in mijn hand. Hij sloot zijn ogen en snoof gelukzalig.  Het roze topje van zijn eikel leek erg teer, maar daaronder was zijn lid onbuigbaar hard, alsof het helemaal niet bij Nino hoorde. Nino voelde mijn bezorgdheid en omhelsde me. Zijn on-Nino-achtige penis duwde tegen mijn buik. Vastberaden legde ik mijn hand erop. Hier verlangden we al dagen naar. Nino streelde over mijn heuveltje tot bij mijn vagina, bracht een vinger naar binnen en woelde moeizaam rond. Ook ik was van een stugheid die ik niet van mezelf herkende.  Nino grabbelde met een hand in de broekzak van zijn broek die op de grond lag. Hij overhandigde me een glinsterend vierkantje. Door de verpakking voelde ik een ring die bewoog. Ik scheurde het papiertje open. De geur van rubber drong in mijn neus en de vloeistof plakte aan mijn vingers. Waarom rook seks naar een benzinestation? Het condoom had een doorzichtige tepel als van een mini melkfles. Het ding riep op wat het voorkomen ging. Ik zette het op Nino’s penis, een woord dat me veel te biologisch klonk, net als vagina. Nino schrok even, maar ontspande toen ik het randje naar beneden rolde. Het geheel leek op een strak verpakte worst. Ik zat op mijn knieën in de zetel. “Ca va?,” vroeg Nino. “Ja, ik moet even wennen, da’s alles.” “Zie je het nog zitten?,” vroeg hij. “Ja, ja, tuurlijk.” Ik kuste hem, op zoek naar de spanning die we al dagen opgestapeld hadden, en loodste hem bij me binnen, langs mijn schaamlippen die hem steeds leken uit te spuwen, als een humeurige peuter die een stuk brood op zijn lippen balanceert tot het op de grond valt. Wie die schaamlippen zo genoemd heeft, verbloemt de realiteit ten minste niet. Nino kuste mijn rode kop. Ik strekte me, trok hem naar me toe. “Kom,” zei ik vastberaden. “T’es sûre?” “très sûre.” “Ben je zeker?” “Heel zeker.” Het ontroerde me dat hij het als een veiligheidsagent in twee talen vroeg. Hij duwde zijn harde lid een paar centimeter diep. De pijnscheut was gloeiend heet en deed mijn hoofd bonzen. Ik gaf een gil, ademde trillend mijn longen vol. Nino troonde boven me uit. “Gaat het?” “Jaja, ga verder!,” beval ik hem. Een lans boorde zich dieper in mijn buik en liet mijn benen trillen. “Nog een keer,” zei ik onverbiddelijk. Nino sloot zijn ogen en duwde tot hij bruusk toegang kreeg, net zoals hij een half uur geleden de deur van het huis had weten open te breken. Het deed veel pijn, en toen werd het draaglijker. Nino paste bijna helemaal in me. Ik had hem in mijn greep als een wurgslang. “Ontspan een beetje,” fluisterde hij.  ”Ik ben ontspannen!,” zei ik, maar een deel van me was een strakke elastiek uit goedkope kledij. Nino kwam en ging voorzichtig in me, terwijl hij tegen me sprak. ‘Tu me le dis si tu veux arrêter.” Ik wou dit, genoot er zelfs af en toe van, maar dan gaf de pijn me weer een venijnige steek, als om me tot de orde te roepen. Nino wreef zijn wang langs mijn borsten en streelde mijn dij. Hij kreunde ingehouden. “Ik kan niet meer stoppen,” zei hij.  “Stop dan niet.” Hij versnelde en ik zette me schrap omdat ik het hem gunde. Hij haastte zich voor me. Met open mond en gesloten ogen fronste hij van de intensiteit, van alle inspanning die nodig was om te genieten, tot hij schokkend tot stilstand kwam. Hij steunde op zijn armen, krulde zijn borstkas naar boven alsof hij naar het wateroppervlak zwom. Ik legde mijn handen om zijn tepels en stuwde hem mee de hoogte in. Wat was hij prachtig. Toen zeeg hij neer en hijgde in mijn oor. Ik streelde over zijn rug,  voelde iets warms in me dat niet door het rubber van het kapootje kwam. Langzaamaan werd zijn lid zachter en kleiner in me, tot hij helemaal aan mijn greep ontsnapte. “Merci”, fluisterde hij. “En jij dan?” Ik draaide me om, legde zijn hand op mijn venusheuvel en mijn hand op de zijne. Ik wreef zijn hand over mijn kutje zoals ik het thuis soms alleen deed. Hij drukte zijn borst tegen mijn rug en kuste mijn hoofd. Het ging trager dan wanneer ik het alleen deed, en ik vond het wat gênant dat het zo lang duurde. Maar eenmaal ik de juiste frequentie had gevonden, kreeg ik een bekend, tintelend gevoel. Ik stuurde Nino’s hand en ging door tot ik schreeuwde. Hier moest ik niet stil zijn voor mijn ouders. Nino’s warmte bande alle stugheid uit mijn lijf. In een roes bleven Nino en ik liggen op die blauwe sofa. We zoenden elkaars tintelende lijf. We zochten minimensjes in het condoom vol witte mist. We zweerden voor altijd bij elkaar te blijven. Nadat we die evidentie hadden uitgesproken, raapten we onze kleren op en trokken ze over elkaars hoofd. Net voor we weg gingen, nam hij een houten kistje van het rek. Toen hij het opende, zag ik dat er juwelen in lagen. Hij koos er een ketting uit waar een gouden vogeltje aan bengelde. “Parce que tu me donnes des ailes,” zei hij terwijl hij me de ketting omdeed.  ”Is die niet van iemand?” vroeg ik Nino schudde zijn hoofd.  ”Als jij het niet draagt, blijft die vogel voor altijd in dat kistje.”  “Ok dan.” Ik kuste hem vol op de lippen, “merci”. Hij drukte me tegen zich aan. Ik wou nergens anders aan denken dan aan hem. “Allons-y,” zei hij kordaat. We namen onze fietsen die tegen de muur leunden alsof ze ons hadden afgeluisterd. Onder het fietsen pikte het gouden vogeltje in mijn huid.

Pons
9 0