Pons

Gebruikersnaam Pons

Opleiding

Master Romaanse Talen (UGent), Lerarenopleiding en Master journalistiek (EHB/VUB)

Teksten

Au Café de la Paix - Het meisje met de bijl

Het meisje met de bijl kan zo mee op sprokkeltocht voor Halloween. Zestien was Jeanne ‘Hachette’ Laisné toen ze op de stadswal van Beauvais klom om te beletten dat de Bourgondiërs er hun vlag planten. Zwaaiend met haar hakbijl, een meute woeste vrouwen in haar kielzog, verdreef ze het leger van Karel De Stoute. Veertig jaar na Jeanne d’Arc, in 1472, had Beauvais zijn eigen heldin. Ze staat nog steeds op het plein dat naar haar werd vernoemd, al strijdt ze tegenwoordig tegen borstkanker. Tijdens roze oktober draagt ze een lint. Aan de overkant van het plein kleurt het stadhuis van Beauvais ‘s avonds roze. Achter de vechtende Jeanne Hachette springt ‘La Paix’ in het oog, het uithangbord van ons begeerde café. Net zoals je een duik wil nemen zodra je de zee ziet, willen we het Café de la Paix binnenstormen om ons te warmen aan de sfeer. Maar het gaat pas morgen open. We zijn dus genoopt om andere gelegenheden in Beauvais te verkennen. Het café van hotel Victor, bijvoorbeeld, met rode banken en een goudkleurige leuning rond de houten toog. De lampen knipogen met hun staafjes en parels naar de art nouveau, net als de plantenmotieven van drie soorten behangpapier. Aan de muur hangt een vintage reclameposter van Campari. Al dat nep-oud brengt toch sfeer. Ondanks de lage score op Tripadvisor kunnen de andouillette van eend en de mosselen ons wel bekoren. Zeker omdat we nog een streep herfstzon meepikken op het terras. In het stadscentrum heeft een vlegel met zijn bloedende hand tegen de ramen geleund. Oude lakens zijn tot spoken geknoopt. Veel te oranje pompoenen van plastic redden de echte van voedselverspilling. Op café riskeer je per abuis een gesprek met een gillend masker te beginnen. Halloween is niet meer weg te denken uit Europa. Via Amerikaanse soaps sloop het Engelse feest onze contreien binnen. Mijn reisgenoot vindt elk excuus om je te verkleden goed, ikzelf heb heimwee naar de tijd toen herfstbladeren en kastanjes nog de hoofdrol speelden.  Al die griezels verbleken bij de kathedraal Saint-Pierre. Het schip van de kerk is nooit gebouwd, het is een hoofd zonder romp. Maar het koor heeft wel het hoogste gotische gewelf ter wereld. De kathedraal reikt 48 meter de hemel in. Zelfs in een wereld vol attractieparken en 3D-simulaties, is de hoogte van de kathedraal duizelingwekkend. Stel je de Middeleeuwer voor, die hier in de dertiende eeuw door de kooromgang wandelde. Hoe nederig moet die zich niet gevoeld hebben ten aanzien van God. Buiten verbinden ijzeren trekstangen de vele luchtbogen. Het doet me denken aan de constructie van pennen en schroeven die artsen rond een ingewikkelde botbreuk bouwen. De kathedraal blaast dit jaar 800 kaarsjes uit, maar moest zich al vaak laten verplegen. Hoogmoed kwam letterlijk voor de val: de bisschop van Beauvais wou de kathedralen van Amiens en Bourges overtreffen. De bouw van zijn kathedraal startte in 1225 en duurde bijna een halve eeuw. In 1284, amper twaalf jaar na de oplevering, begaf een steunbeer het al. Een deel van de flank stortte in. De restauratie duurde tot 1340. Je zou denken dat de hubris van het bisdom daarmee wel beteugeld was.  Maar in 1500 werd de eerste steen gelegd van de toren, die 150 meter hoog moest worden. Twee en een halve keer zo hoog als het gewelf dus. Het duurde alweer een mensenleven voor die af was, in 1569. Om vier jaar later in te storten, net nadat de processie voor Hemelvaart de kerk had verlaten. Het dodental zou meegevallen zijn; ‘slechts’ twee gelovigen die te lang in de kerk waren gebleven, zouden omgekomen zijn. Maar wat een gedonder moet het geweest zijn. Tegen zulke horror kunnen wat valse spinnenwebben niet op. Zeker als je dacht met de toorn van God te maken te hebben.  Die historie indachtig, bieden de houten steunberen die binnen in de kathedraal de pilaren van het transept stutten, maar een akelige aanblik. Net als de metershoge stelling. Maar we wagen het toch om de astronomische klok uit 1868 te bekijken. Alweer een gevaarte van twaalf meter hoog en vijf meter breed. De slinger weegt 45 kilo, maar heeft dankzij een ingenieuze hefboomconstructie maar een aandrijfgewicht nodig van tien gram om haar beweging op gang te houden. Onze gids, een zestiger die herhaalt dat hij dringend naar een vergadering moet, rijgt enthousiast de weetjes aaneen. Toont hoe wat nagellak aangeeft hoe ver je de klok mag opwinden, en schijnt met een zaklamp in de diepe buik van de klok. We kijken bewonderend. ‘Snel, naar de voorzijde. Ik ben al te laat voor mijn vergadering,’ zegt de gids. Zelfs in een kathedraal ontsnap je niet meer aan de ratrace. De klok slaat drie uur. Christus komt zijn deurtje uit en doet teken aan de engelen om trompet te spelen. Een duivel duwt de ondeugd de hel in. Ondeugd is een naakte man met een slang, een verfrissende variant op Eva. (Zou het heiligschennis zijn, of net een boost voor de Katholieke Kerk mocht er ooit een ‘Masked Singer’ met deze personages georganiseerd worden? Vergeef me de gedachtesprong.) De anatomische klok kent alleen hemel en hel, en die zijn mooi van elkaar gescheiden. Rechts zie je doodshoofden, links mensen. ‘De hel ligt in Engeland’, gniffelt onze gids. Hij wijst op het schilderij van een Brits eiland op de rechterflank van de klok. En de hemel? ‘Dat is de Mont-Saint-Michel’, zegt hij schalks. ‘Daarom wil jij altijd maar naar Frankrijk’, besluit mijn reisgenoot, die al lang droomt van een reisje naar Engeland. Maar daar zijn geen Cafés de la Paix of Peace Bars. Kroegen heten er nogal vaak ‘The Kings Arms’. De hel kent geen vrede.

Pons
10 2

Au café de la paix (11) -Waarborg

‘Je suis un client, pas un danger’, denk ik als ik inhaak. Is het iemand die naar vrede streeft toegelaten om eens goed te ranten? Te zagen, aan te klagen? Ach, rechts wil de vrede garanderen met orde en veiligheid, links met activisme en verzet. Er is blijkbaar altijd wat strijd nodig om de harmonie te bewaren. Dus, hier gaan we!  Kortetermijnverhuur van appartementen zwengelt de wooncrisis aan. Daar ben ik heel erg mee begaan. Het is akelig dat sommige mensen geen thuis meer vinden, omdat anderen per se thuis willen zijn op reis. Niet zo’n duf hotel, maar je eigen stulp in een onbekende stad. Even doen alsof je een echte Parisien of Londenaar bent. Misschien is de illusie van die vele levens de aantrekkingskracht van Airbnb.  En toch boek ik heel soms een studio of appartement. Via Booking, deze zomer de koning van de oplichterij. Maar ik heb er Genius-korting! En vroeger hield Booking malafide eigenaars net wat onder controle, zo werd gezegd. Mijn eerste reservatie haalt al wat Airbnb- trauma’s naar boven. Ik dacht bij de term ‘aparthotel’ aan een receptie met een persoon van vlees en bloed, maar krijg twee toegangscodes opgestuurd, van de deur en de voordeur, en een lijst gedragsregels. Geen feestjes houden, niet roken, niet onderverhuren, je niet prostitueren. De ochtend van mijn vertrek valt er nog een bericht in mijn chatbox. Of ik de lakens van mijn bed wil trekken en samen met de gebruikte handdoeken aan de voet van het bed wil deponeren. En het afval in de vuilnisbakken in een zakje in de keuken wil zetten. En de ramen wil sluiten. Ik doe al het gevraagde, maar het zakje voor mijn afval vind ik niet, en ik moet nog ontbijten en naar het station. Ik stuur een bericht, de reactie is begripvol: het is al top dat ik de vuile was heb gesorteerd. Oef. In tijden van hongersnood en genocide is het uiteraard een kleine moeite om de lakens van je bed te halen. Toch vreet het aan mijn vakantiegevoel. Ik wil gewoon een beetje welkom geheten worden, niet alleen maar liefdeloze instructies krijgen. Ik ga op vakantie, niet op internaat. Naast de anonimiteit stoort het me dat de eigenaar weinig werklust toont. Ik doe als vakantieganger haast meer inspanningen dan de persoon die hier zijn geld mee verdient. Vaak zijn bedrijven het mikpunt van beschuldigingen, maar soms bakken particulieren het nog bruiner.  Nu zag ik de ‘belangrijke info’ over het hoofd, onderaan in mijn boekingsgegevens. Ik heb in Orléans een appartement met twee slaapkamers gereserveerd, voor mezelf en mijn reisgenoot die uit België komt afgezakt. Er dient een waarborg van duizend euro overgemaakt te worden, die ik de week na ons vertrek terugbetaald krijg. Als er niks kapot is, tenminste. Duizend euro, terwijl de prijs voor ons verblijf iets meer dan vijfhonderd euro bedraagt. Via de chat van Booking krijg ik een bericht van de conciërgerie waar de accommodatie mee samenwerkt. Ik moet mijn VISA- nummer invullen via een link naar het mij onbekende platform ‘Superhote’. De angst slaat mij om het hart. Is dit niet net de fraude waar ze op tv en in de krant voor waarschuwen? Kan mijn hele rekening zo geplunderd worden?  Ik kopieer het verdachte bericht in de Whatsapp-groep van mijn collega’s. ‘Da’s een scam, sowieso!’ en ‘duidelijk oplichterij!’ reageren ze. Ik bel de fraudelijn van mijn bank maar kom op zondag terecht bij een medewerker die amper iets weet. Ze zal mijn vraag doorspelen aan de bank. Ik bel de politie van Orléans om te weten of er zich wel een appartement op dat adres bevindt. De agent relativeert: de verhuurder blijkt een keten te zijn met accommodaties in verschillende Franse steden, de advertentie staat op meerdere sites, en het is in Frankrijk niet abnormaal dat je waarborg hoger is dan de prijs voor je verblijf. Inderdaad, bij het Café Vélo in Agen vroegen ze ook een waarborg van 1500€ voor de huur van een elektrische fiets.  Ik wacht dus nog even voor ik het leger erop af stuur. Ik deel mijn twijfels via de chat van Booking met de conciërgerie, bel de contactpersoon op. Ze benadrukt de angst van de opbrengsteigenaars dat hun appartement vernield wordt. Het is prachtig gerenoveerd, helemaal nieuw. Baldadige toeristen hebben eens een stoel aan diggelen geslagen in andere accommodaties. Verhuurders moeten zichzelf toch beschermen?  Ik begrijp het, maar wil de borg liever op haar bureau in Orléans regelen. Met een echte persoon voor me. Dat gaat niet, ze is niet ter plekke. Ze verstaat niet wat ik zo riskant vind aan die online waarborg. Ik begrijp niet waarom je niet naar kantoor gaat als je geld wil verdienen. Aan het zwembad herkauw ik mijn frustraties.  Hoe vaak moest ik de laatste tijd online uit mijn doppen kijken? De elektricien met goede reviews stelde me een bedrag van 165 euro voor om een lamp op te hangen. Fake interieurwinkels verkopen lampen van Alibaba door.  Vaak zijn het niet eens grote fraudeurs, maar gewone mensen die net iets te snel veel geld willen verdienen. Het online handeltje maakt ze overmoedig. Ze hoeven geen directe confrontatie aan te gaan. Zo groeit ons wantrouwen tegenover elkaar.  Als we die online bullshit eens achter ons lieten, als we allemaal op een eerlijke manier ons geld verdienden, dan zouden alle mensen misschien weer broeders worden. De volgende keer ga ik op hotel, zweer ik, net zoals ik mijn lamp in de goeie ouwe winkel kocht. Maar nu waag ik de sprong en voer mijn VISA in op Superhotes. Meteen krijg ik de toegangscodes voor het appartement in mijn mail. Ik baal alweer. Sleutel ophalen in een kluisje in de ene straat, dan naar het appartement dat op een kwartier lopen ligt.  Het mooie stadscentrum van Orléans is een troost, maar wanneer ik met de vier sleutels van het appartement eindelijk binnen geraak, valt de stress helemaal weg. Het is prachtig! Helemaal vintage gedecoreerd. Ik kan mijn kleren eens in de was steken! Na een zware bevalling de baby zien, doet je alles vergeten, zeggen ze.   

Pons
4 0

Au Café de la paix (10) - Ministerie van oorlog

Een tweepersoonsbed waar je met z’n vijven in kan. Kamerhoge gordijnen en een balkon. Een bad met goudkleurige handvatten. Beneden een inkom als een stationshal, art- deco overal waar je kijkt. De trap naar de verdiepingen past in een TV-show van de jaren tachtig. Je kan er zowel links als rechts in avondkledij afdalen om elkaar beneden weer te ontmoeten.  U denkt misschien dat ik ferm boven mijn stand leef, maar voor 90 Euro per nacht slaap je in het laatste ‘palace hotel’ van Vichy, genoemd naar luxe- hotelier Joseph Aletti. Je krijgt er nog een gratis ‘apéritif de bienvenue’ bovenop. En toch las ik op Booking slechte reviews: het hotel heeft geen airco, het water in het zwembad is ijskoud. Die mensen hebben zeker de oorlog nog niet meegemaakt. Dat heeft dit hotel wel. En hoe. Het werd het oorlogsministerie tijdens het Vichy regime onder maarschalk Pétain. Aangezien Vichy een goed telefoonnetwerk had en rond de vierhonderd hotels telde - Napoleon III had het al opgewaardeerd als kuuroord - verkoos de Franse regering het stadje boven Clermont-Ferrand als zetel van de nieuwe ‘état français'. Het Vichy-regime collaboreerde en werkte actief mee aan de deportatie van Joden. Het was wachten op Macron voor een Franse president dat expliciet uitsprak. François Mitterand argumenteerde nog dat die 'état français' onder Pétain toch niet echt de Franse Republiek was.  Het interesseert me vooral hoe zulke regimes tot stand komen. Want eenmaal het spel op de wagen zit en de maatschappij in ‘goeden’ en ‘slechten’ uiteen valt, wordt het toch een pak minder interessant. In zijn boek ‘Vichy. Vérités et légendes’ schrijft historicus Claude Quétel dat er tussen 1919 en 1940 maar liefst 44 Franse regeringen waren. Politici gaven zich over aan een politique politicienne die de natie deprimeerde. De Britse journalist Alexander Werth noemde hen ‘ondernemers van de politiek’. Klinkt dat akelig bekend? En de slagzin van le maréchal Pétain, de tachtigjarige oorlogsveteraan van WOI die het Vichy-regime leidde? ‘Refaire la France’, vatte hij zijn vage visie samen. Make France great again. De waarden ‘Liberté, égalité, fraternité’ verving hij door ‘Travail, Famille, Patrie’. Hij was in 1940 zo geliefd dat de menigte hem op zondag kwam begroeten op de stoep van Hotel du Parc, zijn nieuwe woonst. De jodenster vond geen ingang in de ‘zone non-occupée’, schrijft Quétel nog. De Fransen moesten er niet van weten. En toen hen in 1942 ter ore kwam hoe duizenden joden vijf dagen in het wielerstadion Vélodrome d’hiver werden vastgehouden, zonder eten of sanitair, om vervolgens gedeporteerd te worden, maakten de Fransen zich langzaam los van Pétains propaganda. Die bewogenheid over menselijk leed, voorbij alle vooroordelen, doet denken aan de wereldwijde verontwaardiging over de honger in Gaza of over de uitwijzing van migranten in de VS. Quétel beschrijft hoe boeren Joden hielpen onderduiken en een Franse lerares duizenden ‘faux papiers’ van de deportatie redde. Al haalt hij ook de mythe van het ‘résistancialisme’ onderuit. Dat zowat elke Fransoos het verzet steunde, is een legende. Bij ‘la rafale’, de grootschalige razzia in de Vélodrome d’hiver in Parijs, hadden Franse gendarmes de touwtjes in handen. Wat spoorwegmaatschappij SNCF betreft, heeft Quétel maar weet van een machinist die weigerde om Joden naar de kampen te vervoeren. De andere medewerkers deden niet meer dan af en toe briefjes aan familieleden bezorgen die Joden hen vanuit de goederentrein toe stopten. Hoewel ik in een podcast hoorde dat de Vichyssois hun voorgeschiedenis beu zijn, kan je er een wandeling maken langs de meest markante plekken van het regime. In het Hôtel de Séville aan de Boulevard de Russie werkte François Mitterand voor la Légion des combattants, een soort geheime dienst die ‘antinationalen’ opspoorde, zoals communisten en gaullisten. Na enkele maanden spitst hij zich toe op de opvang van gerepatrieerde krijgsgevangenen. Het toeristisch kantoor van Vichy noemt Mitterand een ‘vichysto-résistant’. Een van de personen die voor de Franse Staat werkten, bepaalde waarden van de maarschalk deelden, én in het verzet zaten. In 1943 richtte Mittérand een verzetsgroep op met ex- krijgsgevangenen. Hoe mensen zich toen positioneerden en waar de waarheid precies lag, is complex om op een paar dagen te doorgronden. Dat Mitterand voor zijn inzet als ambtenaar van Vichy een onderscheiding kreeg, is hem later nog voor de voeten geworpen. Hij was niet de enige die achtervolgd werd door Vichy. Keizer Napoleon III werd er verraden door een hondje. De viervoeter van zijn minnares reageerde er net iets te enthousiast op de huisvriend van zijn bazinnetje. Dat ontging de keizerin niet. Woedend verliet ze Frankrijk en dumpte Vichy voor Schwalbach, een kuuroord in Duitsland. Na een tocht langs volzette restaurants op zaterdag beland ik in Paris-Vichy, en eet er uitstekende ‘maigre’ of ombervis in filodeeg. Het is al de derde keer op reis dat mijn gerecht in filodeeg werd verpakt, het is misschien een ding van een influencer. Ik reken af, draai de hoek om en stoot op ‘onze’ Albert, roi-soldat. In lange jas en laarzen, zoals hij zijn soldaten in de loopgraven vervoegde tijdens WOI. Vichy heeft blijkbaar een pacte d’amitié met Spa in België.  Zondagmiddag sta ik voor het soort dilemma van mensen die alleen nog maar vrede hebben gekend: breng ik nog een paar uur aan het zwembad door, of ga ik in de opera naar een concert met werk van Gershwin. ‘Summertime’, weet u nog wel. Gebouwd in 1902, laat de opera als eerste het rood en het goud achter zich. Het behang is oker- en ivoorkleurig, het plafond is een grote art-deco fresco van bloemen, pauwen, lieren en de gezichten van grote actrices zoals Sarah Bernhardt. De Belgische architect Lucien Woog mocht de Franse Charles Le Coeur assisteren bij het ontwerp. Om redenen die ik later nog zal toelichten, ga ik toch voor het zwembad. En hoe zit het eigenlijk met dat Café de la paix in Vichy? Het is te zeggen, over de brug in de wijk Bellerive-sur-Allier? Dicht, van 4 augustus tot 1 september. De oude menu’s staan nog in krijt op het uithangbord: lundi - saucisse lentilles, mardi - paupiette de veau, mercredi - lapin à la moutarde,… Hier eet je wat de pot schaft, en altijd aan 17 euro. Behalve op zaterdag, dan gaat de entrecôte-frites voor 18 euro over de toog.  De stamgasten vind ik terug in bar Haka, schuin tegenover Café de la paix. Een overwegend mannelijk publiek. Ik krijg moeilijk toegang, op een paar schunnige opmerkingen na. ‘Ik woon boven het Café de la paix, kom maar eens kijken, ik kan al niet wachten’.  Alleen een man uit La Reunion die tijdelijk weer in Vichy is wegens gezondheidsproblemen, praat even met me. Om zijn hand zit een windel. ‘Alcohol maakt mensen agressief. Met het Café de la paix willen de eigenaren de nadruk leggen op rust’, denkt hij. Zijn gelaat is wat verweerd, maar hij articuleert keurig en enthousiast. ‘Vichy is een tikje burgerlijk, daardoor loop je als vrouw ‘s avonds weinig risico’s’, legt hij me uit. ‘Overal hangen camera’s’ Zelf drinkt hij geen alcohol, maar iedereen in La Réunion rookt marihuana’, zegt hij. ‘Daar word je kalm van.’ Voor hij met zijn vriend naar de auto loopt, plukt hij nog een peukje uit de asbak.

Pons
0 0

Au Café de la paix (9) - Is leven ontcijferen of verzamelen?

Uw scribent heeft gezondigd. In de buurt van Figeac zijn er twee cafés de la paix, en ik heb geen van beiden bezocht. Het kwam allemaal door die klant van het Hotel des Bains, die bij het ontbijt ‘summertime and the livin’ is easy’ floot. Was ik niet pas om half negen uit mijn bed gerold, dan had het terras nog vol gezeten met gedisciplineerde pelgrims op hun weg naar Compostella. Ze hadden me misschien aangestoken om de fietstocht van bijna anderhalf uur naar Livernon aan te vatten, een dorp van amper zeshonderd inwoners, maar mét bar/pizzeria ‘Café de la paix’. De wat saaie route langs steenwegen doet me twijfelen. Het tweede cafe de la paix in Saint-Cirgues steunt op het vrijwilligerswerk van association Chapeau en ziet er een alleraardigste bedoening uit. Maar helaas pindakaas, ze lassen even een zomerpauze in. Dus probeer ik de deuntjes van de fluitende man te herkennen op dat zalige terras van Hotel les Bains, waar trouwens geen enkel bad is. Maar tot 1957 was het een publieke badplaats. Lekker tegendraads, namen die iets beloven wat er niet is. Het Café de la Poste, in een gehucht waar de Post al lang geen loket meer heeft. Een Café de la paix in chaotische tijden.  Hoe kan je vredevol samenleven als je elkaars taal en context niet begrijpt? Jean-François Champollion, geboren in Figeac, studeerde Hebreeuws, Arabisch, Aramees, Koptisch, Ethiopisch, Sanskriet. Twaalf jaar lang beet hij zijn tanden stuk op Egyptische manuscripten voor hij in 1822 de Steen van Rosetta kon ontcijferen. De tekst op die steen is een dankbetuiging aan koning Ptolemaeus V in twee talen en drie handschriften: Egyptische hiërogliefen, demotisch schrift en Koinè-Grieks.  De originele steen, in 1799 ontdekt door troepen van Napoleon, kwam na de nederlaag van de Fransen in Alexandrië in Britse handen. Tot op vandaag kan je de steen bezichtigen in het British Museum. In Figeac liet de Amerikaanse kunstenaar Joseph Kosuth de tekst graveren op het plein voor het geboortehuis van Champollion. Een enorme granieten tegel heeft dezelfde grillige omtrek als de originele steen. Op de tuinterrassen errond groeien papyrus, tamaris en aromatische planten uit de tijd van de Egyptische farao’s. Zo wijst Kosuth op de band tussen een geschrift, een taal, de cultuur en de natuur van een streek.  Mijn schriftuur voor vandaag is een fietstocht langs de kronkelige wegen tussen Figeac en de dorpen Capdenac-le-Haut en Faycelles. Een lusje van anderhalf uur op de elektrische fiets, de app Komoot is mijn gids. Het leven mag makkelijk zijn in de zomer. De route die fietsenverhuur ‘La bicycletterie’ heeft samengesteld, loopt langs kleine paden en departementswegen. Tot Capdenac-le-haut geniet ik van de nog vrij groene heuvels. Het fietst lekker weg en Capdenac beloont me met Instagramwaardige steegjes. Ik eet een hartige pannenkoek bij crêperie l’Oltis. ‘A pannenkoek a day keeps de doctor away.’ En ze hebben een fantastisch panoramisch terras.  Om twee uur zet ik de tocht verder naar Faycelles, waarvan ik hoorde dat het nog mooier is dan Capdenac. Maar de temperatuur stijgt boven de dertig graden. De halve liter water die ik bij Oltis dronk, lijkt al na een kwartiertje verdampt. Ik heb nog water bij, maar droom van een lekker frisse cola in Faycelles.  Halverwege moet ik van de fiets  op de Bouclée de l’Hospitalet, een steil baantje met keien. Dat kort stukje te voet is de prijs die je betaalt om een mooi traject langs de Lot te kunnen fietsen. Ik glijd een paar keer weg, die Bouclée de l’Hospitalet heeft zijn naam niet gestolen. Mocht ik hier mijn been of pakweg mijn nek breken, dan kunnen ze in Faycelles wel nog iets met mijn organen. Wanneer ik het dorp twintig minuten later binnen fiets, spot ik er een bordje ‘Faycelles. Ambassadeur du don d’ organes’.  Het dorp is de definitie van doods: het enige café opent er pas om vijf uur. Daar gaat mijn frisse cola. Onder de pergola van het café wacht een vrouw uit een naburig dorp tot ze naar de kapper kan. Een Belgische die naar Compostella wandelt, schuilt er voor de hitte. ‘Ik zou hier moeten komen wonen, zegt ze. De rand van Charleroi is zo grijs. Ik ga de heuvels missen.’'Maar hier is alles uitgedroogd, zegt de andere vrouw. Dit jaar nog meer dan anders.’ Het gras is altijd groener aan de andere kant. Mijn groen gras is het zwembad van mijn nieuwe Chambres d’hôtes les Pratges. Ik kan niet wachten om erin te duiken en besprenkel me al alvast met water van de drinkfontein. Ik zet de fiets op ‘sport’ en zoef aan twintig per uur door het landschap. Geen zuchtje wind is er, de hitte maakt zich meester van je lichaam en je brein. De dame van de GPS moet haar instructies herhalen voor ik ze verwerkt krijg. Ik kan niet anders dan mijn allergrootste respect uitdrukken voor de pelgrims die mijn weg kruisen. Ondanks hun rugzak en hun afgrijselijk warme schoenen met kousen, begroeten ze me vriendelijk. Eindelijk zie ik een bordje ‘Figeac’, de kronkelige afdaling naar het stadje is nu echt ingezet. ‘Een citronade, alstublieft’, hijg ik aan de toog van het eerste café. In het koele water van het zwembad is the livin’ alweer wat easier. Althans voor mij. De eigenares Marie (hoeveel vrouwen draaien zich om als je in Frankrijk ‘Marie’ roept op straat?) is tachtig, al lijkt ze hoogstens zeventig. Ze is benieuwd naar al haar gasten, en vraagt ons aan de ontbijttafel naar onze job. Zelf heeft ze tot haar zeventigste als kinesiste gewerkt. Enkele jaren bestuurde ze een ziekenhuis, toen nog een mannenbastion. Ze overwon haar onzekerheid tijdens vergaderingen, leerde kordaat te zijn.  De Chambres d’hôtes zijn een project van haar man, die door een reorganisatie op zijn vijfenvijftigste zijn werk verloor. ‘Hij was heel sociaal en commercieel’, zegt Marie, ‘de bed and breakfast was echt zijn ding. Maar twee jaar geleden stierf hij aan een hartaanval. Een pijnloze dood, maar wel een waarbij je geen afscheid kan nemen,’ betreurt ze. Het schrijnt nog altijd, zie ik.  Toch houdt ze de zaak mooi in ere, met twee medewerkers. De bedden zijn opgemaakt als in een interieurwinkel, met een crèmekleurige sprei en daarover nog een groene fluwelen band. Onder twee gewone kussens ligt nog een lange worst van een kussen. Het is een heel werk om het bed van zijn decoratieve lagen te ontdoen, zodat ik erin kan slapen. ‘Ik hou van objecten’, zegt Marie, met een nuchterheid die afsteekt tegen het allegaartje aan souvenirs in de eetkamer: een gans in bikini, drie dodo’s uit Mauritius en twee poppen van showgirls, even groot als de dodo’s. ‘Je zou moeten zien wat er nog allemaal in de kelder staat’, zegt ze, ‘een heel leven bij elkaar.’ Ik overnachtte in de kamer van haar dochter, die nu een restaurant runt in het centrum van Figeac.  Nadat ik haar hondje Peps een laatste keer streel, trek ik de deur van les Pratges achter me dicht. Ik vraag me af welk heel leven er in mijn kelder zal staan op mijn tachtigste.   

Pons
0 0

Au Café de la paix (8) - Zonder tierlantijntjes

De dame van Saint-Sernin stond al minstens vierduizend jaar langs de weg, voor de vicaris haar opmerkte. Pas in 1888 interesseerde iemand zich voor de mooiste menhir van de Aveyron. Een paar lijnen schetsen haar strakke paardenstaart, haar gezichtstatoeages en juwelen. Haar borsten zijn twee cirkels, haar ogen stippen. Haar benen hebben geen knieën en elke teen is even lang. Ze is het pronkstuk van het Musée Fenaille in Rodez. In de wereld van de menhirs zien alle vrouwen en mannen er hetzelfde uit. De mannen dragen een ‘baldric’, een overlangse riem voor een wapen. Waren het helden, goden of hoogwaardigheidsbekleders? Het blijft een mysterie. Door hun eenvoud spreken ze me meer aan dan de gepolijste standbeelden uit de Grieks-Romeinse tijd of het classicisme. Bij de menhirs mag ik meer zelf invullen als kijker. Net als bij het houten Mariabeeld uit de dertiende eeuw. En het hoofd in kalksteen dat vroeger onder een balk aan een gevel hing, kijkt je zo indringend aan dat je je wil verbergen. Kunst zonder tierlantijntjes legt onze drijfveren bloot, net als een gesprek zonder protocol.  Geen wonder dat kunstenaar Pierre Soulages dol was op de ‘statues-menhirs’. Ze staan dicht bij de hedendaagse abstracte kunst. Soulages bewerkte het zwart zoals anderen de grond bewerken, zegt zijn goede vriendin Agnes Varda in de documentaire die ze over hem draaide. Zijn monumentale zwarte schilderijen lijken wel aangeharkt. Soulages was geobsedeerd door de reflectie van het licht op de zwarte verf. Maar ‘noir et lumière’ was toch maar een banale naam voor zijn tentoonstelling in Parijs. Daarom vond hij de term ‘outrenoir’ uit, letterlijk ‘het zwart voorbij’. Zoals ‘l’outre-tombe’, vraagt Varda hem plagerig in de docu. Het hiernamaals. ‘Zoals l’outre-mer’, antwoordt Soulages die het liever wat romantischer ziet.  Goede vrienden stellen elkaar netelige vragen, want ze weten dat ze elkaar mogen. Agnes Varda was liefdevol en laconiek. ‘Mijn films gaan over mezelf, maar vooral over de mensen die ik heb ontmoet’, zegt ze in haar film ‘Les Plages’. Ze groeide op in Brussel en kent de Belgische stranden als geen ander. Met repen pellicule bouwde ze een strandhuisje, en ze fotografeerde een typologie van de teenslipper bij elkaar. Wat een fijne verrassing, haar expo in het Musée Soulages van Rodez. In het museum van haar goede vriend. Is er een mooier eerbetoon?  Rodez betekent letterlijk marktplaats van de Rutenen, het Gallische volk dat de stad stichtte. Het relaas van mijn geestige stadsgids is doorspekt met intriges. In de vijftiende eeuw huwde Jean d’Armagnac, ook graaf van Rodez, zijn zus. Ze kregen samen een kind. De paus was woest en vroeg het koppel hun incestueuze huwelijk te ontbinden. Waarop ze nog twee kinderen kregen. Jean d’Armagnac zette een complot op met de Engelsen om zijn soeverein graafschap te beschermen tegen koning Lodewijk XI, maar werd uiteindelijk door diens troepen vermoord. Conflict boeit, vrede minder. Die avond in het Café de la paix nodigen vier stamgasten me uit aan hun tafel. ‘Hij was hier deze ochtend al!’ barst een van hen uit als hij de andere ziet op mijn foto met cafébazin Marie. Binnen praat ik nog met een arbeider die ooit wijn verbouwde. Een ex-Hells Angel aan de toog vindt mijn accent rock ‘n roll. Het terras zit vol, zus Emilie loopt zich de benen vanonder het lijf. Maar ook zij praat graag over de streek. Ze is gepassioneerd door genealogie.  Het enige minpuntje van dit café: het toilet bevindt zich in de kelder, op het einde van een smalle gang. Het is een hurktoilet. ‘Bon courage!’ zegt de vrouw die er net buiten komt. Ik hou mijn adem in, trek mijn broekspijpen op en doe mijn broek naar beneden, hang in positie. En dan floept het licht uit. ‘De kermis is een geseling waard’, denk ik wanneer ik nog half hurkend op de tast de schakelaar zoek.

Pons
0 0

Au Café de la paix (7) - Moord op een caféterras

Het Café de la paix in Rodez heeft zijn naam niet te danken aan de bevrijding, vertelt Marie me. Ze runt het café al 14 jaar met haar zus Emilie. ‘Na de Tweede Wereldoorlog werden veel cafés zo herdoopt. Maar deze plek bestaat al sinds 1890. Dit was het plein van de vrede, en daar was la rue de la paix. Tot Jean Jaurès werd vermoord, en het plein naar hem werd vernoemd.’ Het was op een caféterras, in Parijs, dat de socialistische voorman in 1914 door het hoofd werd geschoten. De moordenaar, een nationalist, wilde oorlog met Duitsland. Jaurès probeerde die oorlog te voorkomen met een internationale arbeidersstaking. Hij had voordien kerk en staat al helpen scheiden en promootte het Esperanto. Dat het ‘café de la paix’ op zijn plein ligt, zal hij niet erg hebben gevonden. De houten gevel van het café is bordeaux geverfd, de letters boven de deur zijn zwierig. Achter de ramen hangen kantgordijntjes en de plankenvloer is nog van 1890. ‘Hij heeft geen tegel gezien,’ benadrukt Marie. Het café ligt net buiten het centrum van Rodez, waar je in de steegjes fijn kan winkelen. Maar hier moet niks.  Toch niet voor de klanten. Marie laveert tussen de tafels met koffie’s. In haar zwarte top en donkergrijze jeans bekommert ze zich om elke klant. Ze vraagt de twee dames onder de luifel of ze al naar de expo over regisseur Agnes Varda gingen in het Musée Soulages. Dat deden ze, maar Marie zelf nog niet. Wel was ze al in België. Gent en Oostende waren haar favoriete steden. En in Brussel ontdekte ze met haar moeder een fantastische kroeg. Binnen stroomt uit vijf van de zeven tapkranen Belgisch bier: Jupiler, St. Stefanus, Blanche des Neiges, Guillotine en Kwak. Aan de muur hangen neonlichten van Duvel en Delirium Tremens. Ik bewonder de handvaten van de tapkranen die een houtbewerker uit Conques heeft gesneden. De zeemeermin, de fluitspeler en de priester, op drukke avonden komen ze tot leven als ze mee mogen tappen.  Ik bestel water met abrikozensiroop en ga buiten op een van de gevlochten stoelen zitten. Trosjes langwerpige bladeren van een pruimenboom beschutten me tegen de felle zon. Hun schaduw decoreert de tafel. Naast mij bromt een kind terwijl hij zijn speelgoedautootje door de lucht rijdt. Zijn moeder zegt dat ze zijn sapje zal uitdrinken als hij niet snel is. Het is het soort café waar je een hele dag je boek of krant zou kunnen lezen, waar je keuvelt met iedereen. In de verte hoor ik mensen op potten slaan, en ik denk aan een steunactie voor Gaza. Tot een groep Afrikanen in strooien rokjes om de hoek verschijnt. Ze maken promo voor het folkfestival dat die avond doorgaat. Terwijl ze op hun instrument slaan, stappen ze ritmisch verder. Het brengt me in verwarring: is dit niet net het stereotiep waar ze van af willen? Ze hebben me alleszins van het terras gekregen. ‘Je suis curieuse. Point’, heet de expo van Varda. Ik kan dat alleen maar beamen. Hoe heerlijk het café ook is, Rodez heeft nog veel meer in petto. ‘Tot vanavond’, zeg ik tegen Marie. ‘Dan is mijn zus er’, roept ze me na.

Pons
5 0

Au Café de la paix (6) - Soort zoekt soort

‘Binnenkort sluit het museum vijf jaar’, vertelt de suppoost met de vlinderbril en de bordeaux krullen me. Op de muur van een lege zaal spoot iemand ‘à bientôt’ in graffiti. In de andere muur zitten gaten. ‘Het wordt helemaal gerenoveerd.’  ‘Zoals het Centre Pompidou in Parijs?’, vraag ik. ‘En het Musée des Augustins in Toulouse. Dat is sinds 2019 gesloten’, zegt ze. ‘De musea moeten toegankelijker worden voor mensen met een beperking. En veiliger bij brand.’ Allemaal goede zaken, maar staan we de komende jaren dan vaak voor een gesloten deur in Frankrijk?  Kleine musea herbergen nochtans vaak pareltjes, zoals dit Musée des Beaux-Arts in Agen. Op het gelijkvloers bewonder ik stenen figuurtjes met holle ogen en een snavel. Ze komen uit Noord-Syrië en zijn minstens vierduizend jaar oud. Had het de makers bevallen dat hun werk nu in een Frans stadje tentoongesteld wordt?  Vreemd genoeg heb ik die gedachte helemaal niet bij het schilderij uit de entourage van Jan Breughel De Jonge of bij de massieve Vlaamse kast uit de zeventiende eeuw. Nog trotser ben ik op de reiskoffer van Truienaar Johan Creten. Ze is gevuld met mysterieuze beeldjes van doodshoofden die in dezelfde appel bijten, een bobbelige buste, een mannetje met kersen als hersenen. Het lijkt een reiskoffer uit het onderbewuste. Toch gaat de prijs voor de grootste ontdekking vandaag naar François-Xavier Lalanne, een kunstenaar uit Agen. Hij staat sinds de jaren ‘50 bekend om zijn bronzen bureaus in de vorm van een neushoorn, de ‘rhinocrétaire’. Lalanne trouwde met een andere Lalanne, voornaam Claude, en samen bouwden ze een dépôt sentimental uit. In de buik van een vis regent het en het geheugen van een neushoorn bestaat uit andere dieren, leren zijn etsen mij. Mijn tournee langs de cafés de la paix is niet alleen een voorwendsel om wijn te drinken, maar ook om wat minder bekende steden aan te doen. Agen kende ik zelfs niet van de pruimen, de specialiteit hier. In de rue Voltaire speelt een DJ bij een kaas- en wijnbar, tegen een decor van vakwerkhuizen. In rue Emile Sentini vind je Le Tchak, heerlijke keuken van het eiland Mayotte.  De vriendelijke suppoost van het museum stuurt me zondagmiddag naar Le Plancher des vaches, een fijn restaurant naast de zondagsmarkt. Eerst ga ik iets drinken op de patio van artcinema ‘Le montreur d’images’. Een plek waar ik kind aan huis zou zijn, mocht ik hier wonen. Het ‘soort zoekt soort’- effect speelt al na een paar dagen: ik trek naar dezelfde plekken als thuis. Dat is toch niet helemaal de spirit van ‘café de la paix’. Vogels met andere veren dan de mijne, daar moet ik op mijn volgende haltes maar eens mee aan de praat raken.  De echte vogels fluiten haast oorverdovend op een plein in het centrum. De zondagsrust die de meeste mensen hier zelfs op een mooie zomeravond binnen houdt, kennen zij niet.   

Pons
15 0

Au Café de la paix (5)- En nog een kilometer

Kilometers zeggen me niks, waardoor ik nooit goed kan kiezen tussen een wandeling van 8, 15 of 30 km. Ik weet niet wat ik aankan. Een kleine zeventig kilometer op de elektrische fiets, heen en terug naar Auvillar, een van de mooiste dorpen van Frankrijk volgens de medewerkster van mijn relais. Is dat doenbaar? Volgens Google is het een uur en vijftig minuten fietsen vanaf Agen, enkele reis. Moet lukken? Bij Café Vélo verzekeren ze me alvast dat de fiets het wel trekt, al kleuren maar vier van de vijf blokjes op mijn batterij zwart. ‘Vooral in ‘eco’ rijden’, raadt de ober me aan. Dus zit ik even later weer op het jaagpad naast het ‘Canal des deux mers’, ditmaal richting Toulouse.   Ik kom langs de woonblokken van de buitenwijken en neem foto’s van de lieflijke haven van Agen. Daarna zijn er nog drie lijnen: het kanaal, het jaagpad en de bruggen. Het is een ware bruggenparade van stenen en ijzeren bruggen. Ik fiets in een losse jumpsuit, mijn handtas over mijn borst. Wielertoeristen in sportieve outfits rij ik voorbij. Elektrische aandrijving, hé. Maar het wordt wel warmer, waarom heb ik toch geen fles water meegenomen? Op veertig minuten van Agen ligt een oud sluiswachtershuis waar nu gastenkamers en een bar zijn. ‘La poule à vélo’ lijkt er speciaal voor mij neergepoot.  Ik nestel me in een strandstoel met een limonade en realiseer me dat ik nog niet in de helft van mijn traject zit. De aankomst is voorzien om iets na een. Het zou fijn zijn mocht ik kunnen lunchen in het mooiste dorp van Frankrijk. Weer de fiets op, dus. De zomer doet alles om het me naar mijn zin te maken. Het is met 24 graden niet te warm, het water is mooi groenig, de bomen op de oever brengen wat lommerte. Maar na een uur op de fiets en nog een klein uur te gaan, wordt het jaagpad me wat monotoon. Misschien vreet ik liever kennis dan kilometers. Ik aanschouw de reizigers met vier fietszakken aan hun wielen vol bewondering. Dan rijd ik ze voorbij. Toch even in ‘turbo’-stand.  Onder een van de bruggen woont een dakloze. In plaats van een fles wijn en een rode neus, heeft deze persoon een muur aan zakken. Hij slaat iets gade alsof hij op wacht staat. Ik vraag me af hoe het zover is kunnen komen. Op Facebook kijk ik al maanden naar de filmpjes ‘Soft White Underbelly’ van zelfbenoemd journalist Mark Laita, de Paul Jambers van de VS. In zijn studio nabij de beruchte wijk Skid Row in Los Angeles interviewt hij drugsverslaafden, tienerprostituees of mensen met ernstige mentale problemen. Hij vraagt ze hoe hun jeugd was, of hun ouders in hun leven waren, welke drug ze gebruiken. Vaak vermelden ze emotioneel of seksueel misbruik. Laita’s werk situeert zich op het snijvlak van documentaire en sensatie, van journalistieke interesse en voyeurisme. Toch blijf je kijken, omdat we vaak te veel schroom hebben om deze personen zelf aan te spreken. Laita’s interviewees zijn vaak opmerkelijk coherent en diepzinnig.  Ik wil dus wel een praatje slaan met de dakloze man. Hem vragen waarom hij net deze brug heeft gekozen. Maar dan denk ik aan Julie Van Espen die werd vermoord door een dakloze bij een verlaten jaagpad. Ik fiets snel verder. Op zulke momenten wenste ik dat ik een man was. Auvillar komt dichterbij, dertig minuten worden er twintig, veertien, zes, twee. De zon brandt nu al. Ik leg even modus ‘sport’ aan om de heuvel op te raken. Meteen kom ik langs twee restaurants, maar ik wil eerst nog een glimp van het dorp opvangen. Mijn nieuwsgierigheid wordt bestraft: het eerste restaurant weigert mij. Het is half twee en de keuken gaat dicht. In het tweede kan ik wel nog bestellen: puree met worst, weliswaar statig in vier rechtopstaande stukjes gepresenteerd, met paarse bloempjes.  Na de maaltijd verken ik de cirkelvormige graanhal. De dorische zuilen en Romaanse rondbogen stammen niet uit de Oudheid, daarvoor is de constructie te nieuw. In 1831 werd de hal opgeleverd, lees ik op internet. Ook de kerk van Auvillar, de ‘tour de l’horloge’ en het panoramisch uitzicht lonen de moeite. Ik besef hoe verwend ik ben, want in Italië heb ik nog wel mooiere ‘borghi’ gezien. En die tempels in India dan. Wat kan je na jaren reizen nog bekoren? Het totaalpakket, besluit ik. De vrijheid om met een elektrische fiets langs een kanaal te sjezen. Om waar je ook gaat in Frankrijk, lekker te eten.  Ik heb nog twee blokjes batterij over voor de terugtocht. Ik besluit de onbeschutte stukken in de modus ‘tour’ te doen, de schaduwrijke in ‘eco’. Bij La poule à vélo eet ik een heerlijk ijsje en kan ik mijn telefoon opladen. Rampenscenario’s, zoals op mijn eentje aan de kant staan met twee platte batterijen, zijn vermeden. Op sommige punten is er trouwens een treinstation in de buurt. In geval van nood kan ik met de fiets de trein op. De Finnen zijn ondanks de oorlogsdreiging een gelukkig volk. Omdat ze goed voorbereid zijn, zeggen sommigen.  Mijn berekening is nipt, de ‘range’ van mijn fiets staat op nul als ik aankom bij Café Vélo. Ik heb geen marathon gelopen en de Mount Everest niet beklommen. Maar ik ben zo blij als een Fin met mijn prestatie.  

Pons
3 0

Au Café de la paix (4) - Misbegrepen

Op het terras van het café kruipt een jongetje een van de palen op. ‘Dessang!’, schreeuwt zijn grootvader. Het accent heeft iets Provençaals, hoewel we veel westelijker zitten. De cafébazin brengt twee glazen water met siroop naar de tafel van de grootouders en hun kleinkinderen: een met grenadine en een met cassis. De kinderen proeven van elkaars glas. Ik bestel een cola. De cafébazin doet alles alleen en oogt vermoeid. ‘Ik ga ondertussen wat in de keuken werken’, zegt ze tegen de habitués. ‘Doe maar’, stemt de oma in. Wanneer ik afreken, vertel ik de cafébazin over mijn project. Kennissen vonden het vaak een goed idee, reizen met het ‘café de la paix’ als rode draad. Maar deze vrouw reageert lauw. ‘Heette het café altijd al zo?’, probeer ik. ‘Dat weet ik niet, elke eigenaar kan de naam veranderen’, zegt ze. ‘Hoe lang heeft u het café al?’ ‘Sinds 1967’, zegt ze. ‘O, dan is het van uw ouders?’ ‘Ja.’ Ze keert terug naar de keuken.  Op de muur is een aandoenlijke fresco van Napoleon III geschilderd, sinds 1998 is het een beschermd monument. De keizer zit in rood-blauw uniform met gouden sjerp en epauletten op een even rijkelijk uitgedost paard. In zijn kielzog rijden twee officieren, de eerste draagt een boogvormige hoed, de tweede een hoge pet met een gouden pluim.  Gaat het in boeken en podcasts over Napoleon III, dan valt vaak het woord misbegrepen of niet geliefd. Daar zit zijn bloedige staatsgreep in 1852 voor iets tussen, zijn politiek gericht op orde, zijn kroning tot keizer en zijn nederlaag tegen de Pruisen in 1870. Zowel Victor Hugo als Emile Zola achtten hem verantwoordelijk voor de sociale miserie tijdens Le Second Empire. De roman ‘Germinal’ over het schrijnende leven van de mijnwerkers is het bekendste voorbeeld. Voorstanders werpen tegen dat Napoleon III op achttien jaar tijd het aanzicht van Frankrijk heeft veranderd. Wie in 1852 het land had verlaten, zou het in 1870 niet meer herkennen: elektriciteit, stromend water, het telegram, de grote parken in Parijs, het urbanisme van Haussmann, het eerste vaccin van Louis Pasteur, de pendule van Foucault: het begon allemaal onder het tweede keizerrijk. Ik hoopte dat het debat in het Café de la paix nog zou leven. Dat stamgasten er de nationale sport van Frankrijk zouden beoefenen: de discussie. De ene zou zeggen: ‘Wat een autoritaire kwast, vijfduizend doden heeft die staatsgreep gekost.’ Waarop een andere: ‘Ach nee, het waren er maar een duizendtal. Hij had gewoon meer tijd nodig om zijn hervormingen door te voeren, maar zijn ambtstermijn was afgelopen.”“Dat zeggen alle dictators.”“Hij werd gaandeweg veel liberaler.’‘Om het werkvolk uit te buiten, bedoel je? Hij speelde onder een hoedje met de zakenwereld.’‘Allemaal propaganda van Zola en Hugo, hij heeft net de zondagsrust ingevoerd. Hij stuurde zelfs arbeiders naar Engeland om de vakbond te bestuderen. Hij liet duizenden kilometers spoorweg aanleggen en moerassen droogleggen voor de landbouw. Je kan nota bene je toilet doortrekken dankzij die vent!’‘Allemaal ontwikkelingen die al aan de gang waren’, protesteert een andere. ‘Het was een groots staatsman.’‘Een kwast, dat was het.’ Toegegeven: het was misschien veel gevraagd. Maar de lege tafels met het servies voor morgen zwijgen, en ook de habitués op het terras vertrekken. Ze weten me nog te vertellen dat er die avond een wielerwedstrijd is in Bruch. En om 21 uur een feest. Vandaar het podium. De cafébazin is niet meer weg te slaan uit haar keuken. Ik koop nog een banaan bij de kruidenier en vat de terugweg aan voor het feest losbarst.

Pons
18 0

Au Café de la paix (3) - De race om rust

Het Café de la paix is gesloten op zaterdag en zondag, ontdek ik op vrijdagmiddag. Na de treinreis van Bordeaux naar Agen, wou ik nochtans wat lanterfanten. Maar maandag vertrek ik al naar de volgende stad. Het café ligt in het dorpje Bruch, op een uur fietsen van Agen. Om zeven uur ‘s avonds sluit het, er rijdt geen bus heen en ik heb nog geen fiets.  De bus naar het stadscentrum van Agen is al meer dan vijf minuten te laat. Hoe dat komt, weet de Zuid-Amerikaanse man in het bushokje niet. ‘Just wait’, raadt hij me aan. Maar dat staat mijn missie me niet toe. Ik besluit een kwartier naar mijn verblijf te wandelen. Mijn ogen op het blauwe pijltje van Google Maps gericht, sjok ik mijn koffer achter me aan op het smalle voetpad.  Ik raak snel in mijn verblijf, mijn huisbazin was zo voorzienig me de code van de voordeur door te sturen. De sleutel zit op de deur van mijn kamer. Een ongezellige aankomst, maar zo verspil ik geen tijd aan praktische rompslomp en info over de stad. Ik haast me naar Café Vélo, de fietsverhuurder en hersteller die ook nog eten serveert. Ik prijs mezelf dat ik dit adres vooraf heb opgezocht. Weer been ik het blauwe pijltje van Google achterna, langs de Garonne, recht door een skatepark, onder een aquaduct. Tot mijn grote vreugde zie ik het terras van Café Vélo opdoemen. Ik kan er snel iets eten en dan de fiets op naar Bruch.  ‘Fietsen verhuren doen we pas vanaf drie uur ‘s middags’, zegt de lieve ober van het Café- velo. Ik verslik me haast in mijn overigens heerlijke feuilleté au camembert. Waarom pas om drie uur en niet om twee? Het is een wetmatigheid waar niet aan te morrelen valt. Online spot ik nog een adres. Liever dan nog een uur te wachten, ga ik daar een kijkje nemen.  Het pijltje brengt me naar de passerelle over de Garonne, een brede rivier waarin lange wieren plooien voor de stroming. Op bruggen heb ik minder hoogtevrees dan in hoge appartementen of langs bergflanken, zelfs als de berg maar een heuveltje is, veel minder hoog dan deze brug over de rivier. Ik zoek nog een psychoanalist die dat kan verklaren. In het midden van de brug hou ik even halt om het landschap te fotograferen. Dan zet ik er weer stevig de pas in. Aan de overkant ligt een pleintje met twee fruitkramen. Het lijken lokale landbouwers die hun versgeplukte perziken op een tafel etaleren. Het soort charme waarvoor je naar het Zuiden trekt. Ik stap ze voorbij, bedwing mijn nieuwsgierigheid om de pianobar op mijn rechterkant te verkennen en val de fietsenwinkel binnen. ‘Nee, verhuren doen wij hier niet’, meldt de eigenaar mij, ‘alleen verkopen’. Even na drieën sta ik weer aan het Café Vélo, onderweg heb ik in mijn verblijf mijn jeans voor een kleedje omgeruild. Nu begrijp ik waarom de fietsverhuur pas om drie uur start: de ober van daarnet bemant het loket.  Hij glimlacht, ‘u wil nog steeds naar Bruch’.  ‘Ja’, zeg ik, in de mening dat hij me snel een fiets aan de hand doet. Maar hij draagt de nieuwe jobstudent op om me te helpen. Eerst geeft hij gekscherend wat instructies, plaagt de jongen die geen fiets kan ophangen aan een haak. Boven roept de kokkin of ze een koffie willen bij hun praatjes. Het is half vier. Mijn ooglid begint te trillen.  'Wilt u misschien een elektrische fiets, dan bent u er sneller?’, vraagt de ober. Ik kan zijn voeten wel kussen. Maar hij moet ervandoor, hij draagt al een hele tijd zijn fietshelm. ‘Help jij mevrouw aan een fiets?’, vraagt hij aan de student. De jongen kiest een fiets voor me, verstelt het zadel. Een helm kost 2 euro per dag, een verzekering 8 euro. Ja, goed. Afrekenen moet boven, zegt hij. Daar betaal ik elk onderdeel apart, ook de garantie. De mieren in mijn benen worden er nog onrustiger van. Iets voor vieren kan ik vertrekken. Op het kronkelwegje langs het café, leg ik de elektrische ondersteuning aan. Dat duwtje in de rug voelt hemels. De tweede keer die dag steek ik de Garonne over, via le ‘pont-canal’. Midden in de brug stroomt het canal de Garonne of ‘Canal des deux mers’, want het ligt op de fietsroute tussen Bordeaux aan de Atlantische kust en Sète aan de Middellandse Zee.  Een kanaal op een brug vind ik altijd ontzagwekkend. De ingenieur die water hoog in de  lucht laat stromen, tegen de wetten van de zwaartekracht in, is een magiër. Het lijkt wel een lange infinity pool waarin je baantjes wil trekken. Ik moet denken aan de laatste film van Wallace and Gromit, waarin het hoogtepunt zich op een brug als deze afspeelt. Tot slechteriken geprogrammeerde tuinkabouters duwen Gromit over het randje. Ikzelf bereik de overkant zonder problemen, iets na vieren. Nog een uur te gaan tot Café de la paix. Zonder halt te houden bij de charmante zomerbar ‘Le passage d’Agen’, schakel ik naar turbo.   Hoe verder langs het kanaal, hoe minder fietsers en voetgangers. Door de elektrische hulp voelt het alsof ik op cruise control rijd en kan ik mijn gedachten de vrije loop laten. Een ijsvogeltje let in het hoge gras op het kanaal.  Wanneer ik een uur later afdraai naar Bruch, klinkt er popmuziek. Langs rood-witte verkeerslinten rijd ik het dorp binnen, naast de weg bouwen drie mensen een klein podium op.  Het Café-restaurant de la paix, daar blinkt het, achter het verkeerslint. Ik zoek een gat in de afzetting en fiets tot bij het terras. Om vijf uur en zeven, twee uur binnen de tijd, stap ik de kroeg binnen.   

Pons
7 0

Au Café de la paix (2) - Lampenroetzwart

‘Une place pour chaque chose et chaque chose à sa place’, zei mijn opgewekte juf Frans vroeger. Haar woorden indachtig ruim ik mijn appartement op, voor ik op reis vertrek. De aanschaf van een nieuwe lamp zet een domino-effect in gang: dat prachtexemplaar komt pas echt tot zijn recht als ik mijn tafel vrijmaak. Maar de verftubes, balpennen, toneelkijker, verdwaalde paperclips, post-its en brochures moeten wel ergens naartoe. Mijn plastic ladenkastje met schildergerei zit propvol. Net als de boxen tegen de muur en het onderstel van de boekenkast. Een grondige opruimactie dringt zich op. Noem het herinrichten en het klinkt al een pak spannender. Ik ga voor een woonkamer zoals je die ziet in de weekendbijlage van de krant.  Een goed plan wanneer je er door de jaarlijkse feestelijkheden in de stad overdag wat wazig bij loopt. Of toch niet. In een poging efficiënt te zijn en dingen te verzamelen die op dezelfde plek horen, heb ik mijn handen vol voorwerpen die toch niet bij elkaar passen. Op de vloer groeien de hoopjes ‘weggooien’, ‘bewaren’ en ‘weethetnogniet’. Het ene moment rijg ik handelingen aaneen in een vloeiende beweging, het opbergen wordt bijna een dans. Het volgende moment vraag ik me af hoe ik de chaos ooit nog kan beteugelen.  In het kastje met schildergerei breekt een zakje zwart pigment open. Ooit schilderde ik met ei-tempera zoals mijn grote voorbeeld Norbert Schwontkowski. Lampenzwart of roetzwart is pure koolstof, gewonnen uit de verbranding van olie of hout. Je houdt een stuk metaal in de vlam en schraapt er het roet van af. De korrel is zo fijn dat het pigment in lawines langs de plastic wanden van de lades glijdt en zich aan elk voorwerp hecht. Om de vijf seconden moet ik het zwart van mijn vingers wassen. Op de vloer ontstaat een grijze laag. Ik ben met mijn pantoffels in het pigment getrapt. Mijn voetsporen gaan alle kanten uit, als iemand die ergens van wegvlucht maar ter plekke blijft trappelen. ‘s Avonds snuit ik een zakdoek vol lampenroetzwart.   Ik zet de tv aan om het routineuze werk te doorbreken. Zo, nu is ook de afstandsbediening ‘besmet’ met het zwarte spul. Op het scherm verschijnen uitgemergelde kinderen met te grote hoofden en ogen, een opgeblazen buik en stokkebeentjes. Hoewel we het allemaal al zolang weten, blijft het ondraaglijk en surreëel. Dat een kind met de proporties van E.T. nog leeft, en hoe zinloos het lijdt. Ergens op een klein stuk grond drinken mensen zout water opdat hun ingewanden niet zouden rotten. De honger is er onontkoombaar lampenroetzwart. Ik poets en orden wat ik kan ordenen. Na vier keer dweilen glimt de vloer leugenachtig. 

Pons
0 0

Au Café de la paix (1) - De voor

'Vrede is onze weg, ga door’, zongen we toen we zes waren. Aan weerszijden van de kooromgang stonden we in twee rijen, witte kleedjes achter elkaar, van klein naar groot. Onze diademen drukten achter onze oren. We waren jaloers op de meisjes die ‘wafeltjes’ in hun haar hadden laten stijlen bij de kapper. Ze leken op zangeressen en actrices. Ik geloof niet dat de nonnen het goed vonden. We deden ons best om niet te wriemelen.  De kadans van het lied kan ik nog steeds oproepen. Een lied over vrede dat klonk als een mars.  Elke heuvel moet geslecht elke bocht moet recht gedempt moet elke kuil en elke voo-oor Elk voor zich wordt ongedaan geen geweld zal nog bestaan Vrede is onze weg, ga door Ik vond het best eng: geslecht-recht-kuilen gedempt. Vrede is geen slordig hoopje aarde maar alles vlak. Geen fouten maken. Hebben mensen dan wel plezier? En wat betekende die voo-oor met de vier o’s? De juf had het uitgelegd, het was iets met een ploeg. Geen team, een ploeg uit de landbouw. Alleen de meisjes die op een boerderij waren opgegroeid, wisten wat ze bedoelde. We hadden eindeloos geoefend in de kerk: onze stem moest eerst de berg op en dan weer zakken. Voó-oor. Het moest goed zijn, onze ouders kwamen kijken. Trek een spoor van hoop op een nieuwe tijd  Vrede, recht en veiligheid, zongen we.  "We mogen dan wel niet in oorlog zijn, het is zeker ook geen tijd van vrede,” zei secretaris-generaal van de NAVO Mark Rutte in december vorig jaar. “De veiligheidssituatie in Europa is zonder twijfel de slechtste in mijn leven”, vond hij. De Europese Commissie adviseerde burgers een noodpakket in huis te halen waarmee je 72 uur kan overleven zonder hulp van buitenaf. Argentinië zou de beste plek zijn om een nucleaire winter te overleven, klinkt het bij preppers. Ik werd me bewuster van die 80 jaar vrede in Europa, zoals je pas na een goede griep weet wat gezondheid is.  80 jaar vrede, een oudje dat gezapig verder strompelt. Het van weed doordrongen peace and love. Of een café: in Frankrijk zijn er tientallen Café de la paix. Van een bar-tabac op het platteland tot een statig restaurant in Parijs. Café de la paix is nog iconischer dan café de la gare of café de la poste. De vrede geeft het iets gewichtigs, monumentaals. Maar ‘paix’ betekent ook ‘rust’ in het Frans. Ik stel me een kroeg voor waar elke minuut er vijf lijken, waar elke taak godslastering is. Waar je kan schuilen voor de loden hitte in de zomer, al hangt er geen airco.  Stamgasten prevelen er hoe ze de liefde misliepen, met een zware ziekte omgingen of lijden onder hun werk. De hoge facturen van het leven liggen er op tafel. Er is plezier en er valt al eens een scheef woord, soms zelfs een klap. Maar in een dorp of wijk heb je niet veel keuze: je keert terug naar die ene bar, in goede en in kwade dagen.  Uit het lied van mijn communiemis blijft me een mooi beeld bij : Ga dan op weg in een lange stoet. In mijn gedachten kwam onze rij los van het koor en stapte ik met mijn klasgenoten het schip van de kerk door. We zwaaiden nog eens naar onze ouders voor we de tocht aanvatten, weg uit het land van meer en meer. Al snel hadden onze mini-bruidskleedjes een boord van modder. Volgens het lied moesten we mensen de vredesgroet brengen. Misschien zou ik met hen in zee zwemmen of samen een zandkasteel bouwen.  Vijfendertig jaar later ga ik op weg. Via Bordeaux het binnenland van Frankrijk in. Met de trein en per fiets reis ik langs verschillende Café de la paix. Meer dan op een vredesgroet, hoop ik op fijne ontmoetingen en interessante gesprekken. Het verslag waait u weldra tegemoet.   

Pons
8 0

Tussen mojito en isomo

Mijn eerste herinneringen aan Cuba zijn bewegingen: de trage majestueuze cirkels van de roodkopgieren en valken, de oldtimers die zonder vroemen voorbijglijden. Onze Chinese bus geeft voorrang van links aan paard en kar. In de berm van de autostrade hangen magere paarden aan een koordje. Het Italiaanse koppel naast me maakt ruzie. 'Ti sbagli!', schreeuwen ze tegen elkaar. Ik probeer ze te negeren en maak foto’s van het landschap, van de mensen, van revolutionaire spreuken op de huizen. De majestueuze gevels en pleinen van Havana zijn prachtig, net als de oldtimers. Het blijft me verbazen hoe die gigantische Buicks en Chryslers gewoon lijken uit te bollen. Onder de motorkap zit een allegaartje van Hyundai en Russische onderdelen. De bekleding is allang weggerot en wordt soms vervangen door isomo. Het lukt me een paar keer om een taxi voor Cubanen te nemen. Dan betaal ik in Cubaanse peso in plaats van de Peso convertible, het toeristendevies. De acht Cubanen waarmee ik de oldtimer deel, kijken me wat meewarig aan. De chauffeur baalt van zijn ‘oude wrak’. Hij raakt amper over een steil heuveltje. Met zijn blote voet op de koppeling en sleurend aan het magere stokje van de versnellingspook krijgt hij ons toch de Malecon op, de zeedijk waar romances ontstaan en vissen op de grond worden gefileerd. Op zee drijven vissers op een plaat isomo. Mijn huisbazin in Havana heeft ook een isomo luchtmatras voor haar kinderen. Het is maar een van de vele uitvindingen waartoe ze genoopt is. Haar man sleutelt dagelijks aan hun auto. Ze herstelt kleren die tientallen jaren oud zijn. Het libreta of rantsoenboekje voorziet de Cubaan van brood, een schel kalfsworst uit het vuistje, een kleine portie rijst en een stuk zeep. In Habana Vieja zie ik bodega’s voor de Cubanen. Een zakje rijst en een piramide van tien blikjes kunnen de schaarste nauwelijks verhullen, al doet de verkoper zijn best om er de sfeer in te houden. In de woonkazernes of solares van Habana Vieja vervangen ladders trappen. Op straat stallen verkopers een wollige vulling voor matrassen uit. Een man slijpt scharen met zijn fiets. Terwijl hij trapt, draait de slijpsteen. Een vonk spat weg. Ik begin me wat schuldig te voelen over die honderden pesos die ik meesleur. Voor een Cubaan vertegenwoordigen die jaren arbeid. Ik laat me fotograferen met een hondje, compleet met zonnebril en hoedje, om de eigenaar een van mijn gegeerde toeristenpeso’s te kunnen schenken. Die kan hij omwisselen voor peso’s voor Cubanen. Zo verdient hij beter dan een arts. Aan de Plaza de Armas bekoelt mijn naastenliefde al wanneer ik omringd word door een orkestje dat ‘Besame mucho’ speelt. Ook voor een peso. Later op de dag zie ik nog meer vindingrijkheid. Ik had er in België al van gehoord en laat me wat vrijwillig in de doeken doen. Een Cubaans koppel begroet me en somt alles op wat ze weten over België. De vrouw stelt me voor om samen naar een bar te gaan. Er is net die dag een muziekfestival ter herdenking van Compay Segundo, bekend van de Buena Vista Social Club. Mijn nieuwe vrienden nemen plaats en bestellen een cocktail. Ik zeg dat ik wel weet dat ik alles zal moeten betalen. Daarop krabbelt de vrouw schuldbewust een blad vol met leuke adressen in Habana Vieja. Op onze rekening staat naast de drankjes nog 3CUC, een kleine drie euro. ‘Om de muziek te beluisteren’ zegt de ober. Havana is cultureel hoogstaand. In de Taller experimental de gráfica maken artiesten lithografieën, een praktijk die bij ons amper nog bestaat. En in het galerijtje naast de kathedraal vind je originele schilderijen. Er is een casa de la musica en een filiaal van het UNEAC (Unión de escritores y artistas de Cuba). Op Playa Santa Maria vertolken muzikanten liedjes van de populaire zanger Polo Montañez. En in bijna elk café van Habana Vieja speelt een bandje. Veel Cubanen kijken toe van op de stoep, want de meeste cafés rekenen drankjes aan in de dure peso convertible. In het Museo de la Revolución spreekt mijn gids vlekkeloos Engels, hoewel ze nog nooit in Amerika geweest is. Maar ze kreeg goed onderwijs en keek naar Amerikaanse soaps, zegt ze. Ze vertelt over het Comité de Defensa de la Revolución (CDR). Elke wijk heeft haar vertegenwoordigers. Mijn huisbazin zucht als ik er haar later die dag over aanspreek. Het CDR promoot de revolutionaire waarden met vaccinatiecampagnes, educatieve projecten of evacuaties bij orkanen. Maar ze zien er ook op toe dat mensen geen ‘verboden’ producten importeren, lees: geen extra eten meenemen uit restaurants. Er loopt veel blauw op straat in Havana. De Policía Nacional Revolucionaria (PNR) lijkt niet onderbemand. Volgens een Belgische collega die met een Cubaan trouwde, riskeerden Cubanen in het begin van deze eeuw nog een gevangenisstraf als ze te lang met buitenlanders praatten. Door al die controle is het veilig reizen in Cuba. Maar als ik een echt open gesprek wil voeren, stoot ik op gereserveerdheid. Dat lukt wel met mijn huisbazin. Als intelligente, gediplomeerde vrouw heeft ze lak aan de controle en regeltjes. Ze heeft een vida ociosa, zegt ze, een lui en nutteloos leven. Vaak doen Cubanen er ironisch over: ‘Jij bent op vakantie in Cuba? Ik ben in China geweest, prachtig!’, pocht een zestienjarige jongen tegen zijn vrienden op het strand. Voor Cubanen is het heel moeilijk om te reizen. Ik fotografeer een zevenjarig jongetje, waarop die vraagt om de foto door te mailen. ‘Je kent mijn mailadres.’ Maar dat heeft hij niet. Internettoegang is heel beperkt in Cuba. Hier volg je het voorgetekende pad, zegt mijn huisbazin. Zelfs binnen Cuba verhuizen is moeilijk. Om de moed erin te houden, werd ze bijbeldocente. ‘We behoren tot de getuigen van Jehova, ken je die?’ Ik zie aan de fonkeling in haar ogen hoeveel kracht ze eruit put en laat mijn bezwaren achterwege. Ik moet denken aan een vriendin uit Parijs. Een Slowaakse die na haar ervaring met het communisme ook erg gelovig werd. Alsof je de ene ideologie enkel kan overstemmen met een andere. Deze reisrepo schreef ik in 2013.     

Pons
3 1

Geen geld - op huizenjacht in Parijs

Op de vijfde avond van mijn werkjaar in Parijs ontmoette ik Katka. De Slowaakse lag op de onderste verdieping van het stapelbed in de slaapzaal van de jeugdherberg. Ik gooide mijn tas op de hoogste matras. Het uiteenvallen van Tsjechoslowakije had vooral nadelen meegebracht voor Slowakije, vertelde Katka. De Slowaken waren hun ambassades in het buitenland kwijtgeraakt, alles was in handen gevallen van Tsjechië. Toch was ze trots op haar gehalveerde land, want ze had een beurs gekregen voor de universiteit Paris 5. Haar bruine paardenstaart bungelde langs haar schouders. Ze gooide een immokrantje op mijn bed. Samen ontcijferden we afkortingen in de zoekertjes. Een kamer met toilet op de gang, zesde verdieping zonder lift. Acht vierkante meter voor vijfhonderd Euro. ‘Misschien huren we beter iets samen”, opperde ik. “Of met anderen. Ergens in de banlieue.” Katka stemde in, maar niet zonder bezwaren. “Kunnen we doen, maar dan moeten we wel een hoofdhuurder vinden. Want wie verhuurt er een heel huis aan nieuwkomers?” We omcirkelden ‘cherche coloc’ in de zoekertjes, ‘huisgenoot gezocht’, en besloten het werk te verdelen. Katka trok de dag erop naar Saint-Ouen l’Aumône. Ik toog naar een voorstad op de route naar Disneyland. De RER-trein denderde de duisternis van Gare de Lyon uit. Na ongeveer twintig minuten kwam ik aan in Noisy-Le-Grand. Het eerste wat me opviel, was een rond flatgebouw met honderden vensters. Een gigantisch horloge waarin mannetjes woonden. Aan de overkant van het plein stond eenzelfde cilindrisch gebouw, alsof ze naar elkaar keken. Later las ik dat hun bewoners ze de camemberts noemden. Die waren met elkaar verbonden door galerijen met steunberen als voorpoten. Iemand had het sierlijke van een kathedraal willen kruisen met het surrealisme van een videospel. Beneden liep een oma wiens grijze regenjas eveneens van beton leek. Er was geen historisch stadscentrum, alleen een paar kruideniers, een apotheek en een goedkope kledingzaak. Ik beeldde me in dat ik in de buik van die monsterlijke cirkels woonde, de rillingen liepen over mijn rug. Ik negeerde het sms’je van de vrouw die een huisgenote zocht, en met wie ik gisteren heen en weer had gesms’t. ‘Heeft u het goed gevonden? Ik ben kabyle, dat geeft toch niet?’ Ik wist niet wat kabyle was, maar vluchtte de RER weer in. “Berbers uit Algerije”, zei Katka die avond. Ze droeg een jeans en grijze sweater, we zaten op haar deel van het bed. Ze had de term al eerder gezien in zoekertjes om samen te wonen. Het speet me dat ik de vrouw geen bericht had teruggestuurd. Nu dacht ze misschien dat ik afgeknapt was op haar afkomst. ‘Excusez-moi, maar ik denk niet dat Noisy-Le-Grand iets voor mij is”, sms’te ik haar, “ik vind het niet erg dat u kabyle bent.” “Ok”, zag ik binnenkomen. Achter een van die honderden venstertjes legde iemand zich bij de zaak neer. Vandaag geen huisgenoot. Elke ochtend aten we in de kelder van de jeugdherberg twee broodjes die gewoonlijk bij de soep worden geserveerd. Ze braken van zodra je ze vastnam en lagen in een mandje met groene kruimels. Ik smeerde de gruzelementen in met Nutella. Een Australische vrouw van zeventig zat aan onze tafel. Haar haar was zo helder wit dat ze straalde. Ik vond het een mooie gedachte dat je eerst een grijze fase door moest om er daarna weer jonger uit te zien, dankzij dat felle wit. De vrouw maakte een wereldreis, haar kleinkinderen waren jaloers. “Wat was Versaille prachtig!” zei ze. Katka en ik waren er nog niet geweest. We kamden Parijs uit op zoek naar een woonst. Vandaag zouden we het nog eens in de binnenstad proberen. “Ik hoop dat jullie snel je paleis vinden”, wenste de vrouw ons toe. Eerst moest ik de werkdag nog door. Als 'assistante de production’ bij een reclamebedrijf voerde ik acht uur lang gegevens in. De collega’s begroetten elkaar elke ochtend zoals ik dat op familiefeesten deed. Alleen gaven ze elkaar geen drie, maar twee kussen, en begonnen ze bij de rechterwang in plaats van de linker. Elke dag vergat ik die volgorde, waardoor ik mijn collega’s in de verwarring op de mond dreigde te kussen. Dan nestelde iedereen zich achter de computer. De contracten op mijn bureautje had ik op een uurtje verwerkt, daarna luisterde ik naar de radio. Die dag werd de Olympische Vlam door Parijs gelopen. De Olympische Spelen zouden in China plaatsvinden en dat was niet naar de zin van de Parijzenaars die sympathiseerden met de onderdrukte Tibetanen. De loper slalomde tussen de revolterende Parisiens. Ze sprongen over de hekkens langs de straatkant en probeerden zijn vlam af te pakken. Iemand gooide vanuit een boom water over de loper. Water op het vuur, ja, maar de loper manoeuvreert behendig, de vlam blijft branden, gilde de radioreporter. Die avond had ik afgesproken met Marie, een meisje van vierentwintig dat al iets van een dametje had. Ze ratelde erop los en ik antwoordde telkens een minuut te laat, zoals een correspondent ter plaatse in het middagnieuws. “Dit is de living.” Ze gaf me een seconde. “Hier is het toilet, en daar de badkamer.” Haar kat zat in de lavabo, ze aaide hem. “Dit is Dave”, zei ze. “Naar de Frans- Nederlandse zanger.” Ik herinnerde me vaag een blond kapsel. “En daar is Serge’, zei ze terwijl ze het douchegordijn wegschoof. “Van Serge Gainsbourg.” Dave sprong uit de lavabo en haalde zwaar uit naar Serge, waarop het meisje schel riep: “Dave, laat Serge met rust! Naar de living, vooruit!” Dave stoof weg. We gingen hem achterna, Marie bracht een glaasje rosé en ik lichtte zo snel mogelijk mijn motivatie en curriculum toe. Tot ze ziedend werd. “Serge!”, brulde ze. Naast me zag ik hoe de kater van mijn glas wijn nipte. Twee weken later zaten Katka en ik nog steeds in de jeugdherberg. We bezochten elke avond appartementen, maar de eigenaars hadden veel keuze. De Franse kandidaten beheersten de kunst van het discuter et rigoler - argumenteren en grapjes maken - veel beter dan Katka en ik. Tegen de blonde Zweedse kon ik ook niet op. “Laten we toch eens die flat van acht vierkante meter proberen”, stelde Katka voor, “dan hang je tenminste niet af van anderen.” We bezochten het appartement op de zesde verdieping zonder lift. De gevel ademde negentiende-eeuwse trots, elk raam had een fronton. Elf personen wachtten bij de poort die uitgaf op een binnenkoer. Een vrouwtje van een jaar of vijftig kwam aangelopen met een sleutel zo groot als haar hand. “U komt voor de kamer?”, zei ze kordaat. Elf personen knikten. Ze drukte een code in, de deur ging zoemend open en ze ging ons voor op de houten trap. De wentelingen maakten me duizelig, maar de verhuurster zette er de pas in. Eindelijk sloeg ze een verdieping in, de planken kraakten onder haar hakken. Ze opende een appartement met die enorme sleutel. “Voilà!” Links van de gang liep de keuken over in de douche. Je moest over de gootsteen klauteren voor je eigen wasbeurt. De leefruimte van zes vierkante meter vertoonde tumoren die het vrouwtje hangkasten noemde. ‘Placards’, stond er in de annonce. We bogen om niet tegen die kasten te botsen, als menselijke tetris. Op de gang was er een ‘toilette turque’ dat we in Vlaanderen een Frans toilet noemen. Een gat waarover je hurkt. “Nu zal het snel gaan”, zei de vrouw. “Vijfhonderd euro is geen geld, nietwaar.” In een voorstad van Parijs nam de Olympische vlam het vliegtuig naar de volgende stad.   (18 jaar geleden, toen ik 23 was, woonde ik een jaar in Parijs. Dit reisverhaal is daarop gebaseerd.)

Pons
8 0

Gecertificeerd schrijver

Hoera, sinds zaterdag ben ik een gecertificeerd schrijver. Bij De Schrijversacademie Antwerpen diende ik mijn manuscript 'Stekelvel' in. In dat verhaal reizen Nino en Lea op een tractor naar de begrafenis van Bubu, de baas van het café waar ze elkaar dertien jaar geleden leerden kennen. Op de slotavond van de Schrijversacademie las ik dit fragment voor:  Zonder voor te stellen om te helpen, kwam Nino me tegemoet. Hij draaide het kader van de fiets om, zette het stuur en het zadel in de kiezels. De wielen draaiden in het ijle. ‘La chaîne’ was geblokkeerd doordat het spatbord verschoven was. Nino trok het weer recht, legde mijn ketting op het tandwiel en draaide een pedaal om zijn as. De losse slang die de ketting was geweest, liet hij weer soepel ratelen.   "Frère et soeur”, lachte Nadia toen Nino en ik het café betraden, elk met handen vol olie. “Was ze in de badkamer”, zei Bubu. Hij woonde achterin het café, de cafégangers gingen naar het toilet in zijn badkamer. Ze was spatvrij gepoetst en olijfgroen, het bad, de bidet en de lavabo. Bubus handdoek hing rechts, die voor de gasten links. Ik draaide de kraan open en nam de ovalen zeep van het zeepbakje. Zwarte stralen water stroomden over het email van de lavabo. Nino drukte het gebarsten stuk zeep samen tot het uit zijn handen glipte. “Attrape-le”, schreeuwde hij. Ik klapte mijn handen rond de zeep, spatte ons beiden vol sop, maar ik kreeg er geen greep op. Nino vouwde als de bliksem zijn handen onder die van mij. De zeep glibberde als een nerveuze vis op het droge tussen zijn handpalmen, hij heupwiegde mee tot het schijfje tot rust kwam en in zijn handkommetje bleef liggen. “Voilà, madame”, zei hij terwijl hij zijn armen naar me uitstak. Ik werd de ruimte tussen onze lichamen gewaar; het was gewoon lucht maar ik raakte er niet door, alsof we twee magnetische pluskantjes waren die elkaar weg duwden. Zo moeten we een paar minuten tegenover elkaar hebben gestaan. Terwijl ik voor het eerst iemands lippen tegen de mijne voelde, viel de zeep op de grond. Ik weet niet of Bubu en zijn gevolg ons misten in het café, of iemand ons langs de kier van de deur had bespied. “J’aime réparer ton vélo”, fluisterde Nino, zijn voorhoofd tegen het mijne. 

Pons
20 2

Nondedju

Nondedju was één van de woorden die Anna vaak hoorde in het rusthuis. Het leek op het ‘nasdrovnje’ uit haar eigen taal, meer dan op het harde ‘gowno’ of het verbaasde ‘jejku’. Nu wandelde Anna met de oude dame van kamer 43 door de gang. Om de vijf passen rolde er een vloek uit de mond van de vrouw. ‘Potdomme’ zei ze. Haar knokkelige vingers knepen in Anna’s arm. ‘Potdomme’ echode Anna. Soms was het omdat ze even struikelden. Of misschien dwaalde er een monster uit een ver verleden door de geest van deze vrouw. De dikke groenige gordijnen aan het einde van de gang waren zo mistroostig dat je rechtsomkeert wou maken. Anna beeldde zich in dat het dametje daarom zoveel vloekte. Anna’s grootmoeder had haar laatste jaren doorgebracht in de schommelstoel van haar huis in Katowice. De familie van Anna had nooit een poging gedaan om grootmoeder na haar middagdut uit die stoel te halen. Hoe zou het zijn als Anna zelf oud was? Zou ze dan liever wandelen of indommelen? ’s Avonds ging ze naar de Nederlandse les. Ze sprak er over haar woning en fantaseerde zich een slaapkamer, een living, goed functionerende verwarming en een mooie badkamer bij elkaar. Na de les ging ze naar haar studio en trok haar slaapbank uit. Om de paar dagen skypete ze met het thuisfront. Als het signaal niet te zwak was, richtte ze de camera op de verste uithoek van haar kamer en begroette ze haar man Pjotr en haar zonen. Daarna at ze havermoutpap. Anderhalf jaar was zo voorbijgegaan. Nog twee maanden en dan zou Anna voor een paar weken terug gaan naar Polen. Ze telde de baden die ze nog zou geven in het rusthuis, de porties fruit die ze zou snijden voor ze haar laarzen in de Poolse sneeuw kon zetten. Ze sliep vredig.Pjotr kon niet in de zo gegeerde bouw werken. Arbeidsongeluk. Hij had altijd een somber temperament gehad. Anna zorgde graag voor hem. Daarom was ze nu in België. Ze zocht promoties bij elkaar op de markt en hoopte dat hij met het uitgespaarde geld genoeg vlees kon kopen. Trots vertelde ze haar medecursisten dat haar zonen naar de universiteit van Warsaw gingen. Haar Belgische collega’s spraken zulk een ingewikkeld taaltje. Anna had het opgegeven om contact te zoeken. Op haar geforceerde lach als er iets op de grond viel, kreeg ze weinig respons. Tijdens de pauze ging ze vijf minuten vroeger naar boven en haalde de vloekende vrouw uit bed. Ze voelde de sterke greep om haar arm en dacht dat ze iets goeds deed, ondanks het rauwe ‘Miljaar’. Het vloeken stopte toen de oude dame stierf. Anna haalde haar kleren uit de kast. De zoon van de vrouw zat treurig naast het lege bed. Hij vroeg Anna of zij voor zijn moeder had gezorgd. Nadat hij het nog een keer had herhaald, zei Anna 'ja' en ‘nondedomme’ met de stem van de oude vrouw. De man glimlachte. Hij wilde weten hoe lang Anna al in België was en of ze kinderen had. Ze toonde trots een paar foto’s. Haar zonen speelden in de sneeuw met de hond. Op de achtergrond verzamelde Pjotr wat hout voor het haardvuur. ‘Ze wonen in Warsaw’, zei Anna. ‘Ben je hier alleen?’, vroeg de zoon van de oude dame. Ze deed alsof ze hem niet begreep. Anna zag hem terug in de supermarkt, hij woonde blijkbaar bij haar in de buurt. Ze wist dat hij ook kinderen had. Waarom vulde hij zijn winkelwagen dan met eenpersoonsmaaltijden? Bij de kassa glimlachten ze wel eens wanneer ze allebei ‘moussaka’ hadden gekozen. Promoties. Op een avond wees hij een grotere portie aan in de koelkast van de supermarkt. Dan wees hij naar haar. Samen eten? Dat had ze al lang niet meer gedaan. Ze wimpelde het af, lachte verontschuldigend, kneep haar ogen half dicht. Nadien had ze er spijt van. Hij had er vast niks mee bedoeld. De week erop wees ze zelf naar de familieportie vogelnesten. Ze spraken af bij hem thuis. Ze was blij toen ze het oude dametje terugzag aan de muur. Ze bladerden door zijn fotoalbums. Anna lachte om de foto’s uit zijn kindertijd en nam een extra glas wijn. Ze kon zich een beeld vormen van de krachtige vrouw die het einde van haar leven aan haar arm had doorgebracht. Ze schrok toen hij diezelfde arm vastgreep. Die mengeling van aantrekking en schuldgevoel was nieuw voor haar. Het hield haar uit haar slaap. Ze schaamde zich diep toen ze met Pjotr skypete. Hij vroeg of er wat scheelde. Nee, hoezo? In de supermarkt dacht ze dat de zoon van het dametje uit de volgende rayon zou komen. Ze wist niet of ze ernaar uitkeek. ‘Pools eten, bij mij thuis?’ Hij was blij om haar terug te zien, daar in de diepvriesafdeling. Ze nam ingrediënten mee en maakte iets klaar in haar studio. Ze lachten, dronken nog wat. En dan nam hij weer haar arm vast. De nacht was kort.Twee dagen erop vertrok ze naar Katowice, een maand later was ze nog altijd niet terug. De lerares Nederlands vroeg zich af waarom die ijverige Anna had afgehaakt.

Pons
10 1

Hoop of optimisme: wat zal het zijn?

Jammer dat Joke Hermsen en Tommy Wieringa hoop en optimisme tot het zoveelste of-ofdebat reduceren in de laatste Standaard der Letteren. Kort gezegd is hoop voor Hermsen een noodzaak om het heden te verdragen, terwijl Wieringa de teleurstelling verfoeit die volgens hem op hoop volgt. Hij wil dingen doen zonder er iets van te verwachten. De denkoefening hoe je met moeilijke tijden omgaat, vervalt in een conceptuele, haast semantische discussie.  Terwijl ik op een congres over innovatieve journalistiek hoorde dat gen Z hoop vooral als een ‘utility’ ziet. Jongeren willen meer constructieve verhalen in de krant omdat die de daadkracht - of met een hipper woord, ‘agency’ - zouden aanzwengelen. Hoop moet nut hebben, nieuws moet een constructieve bijdrage leveren aan hun leven. Gelukkig gaan heel wat kranten al verder dan het debatteren of aanklagen. Ze onderzoeken mogelijkheden of integreren zelfs tips in hun artikels. Een interview met auteur en ex-consultant Simon Van Teutem in De Standaard Weekblad eindigt met goede raad voor overheden, ngo’s en ondernemers: “speel in op de ambitie, de statusgevoeligheid, de nood om de beste te zijn. Verbind prestige met een positieve bijdrage aan de samenleving.” NRC onderzocht hoe werkgevers werkzoekenden met autisme beter kunnen bereiken, bijvoorbeeld door een sollicitant vooraf een vragenlijst op te sturen. Daar heb ik als lezer zonder autisme ook iets aan. Het vervult me meer met hoop dan het loutere feit dat de helft van de (hoog) begaafde mensen met autisme thuis zit zonder werk. Dat iemand oplossingen zoekt voor een bepaalde situatie, maakt de berichtgeving niet minder betrouwbaar. Maar wacht, ik ben ook een denker die zich wel eens aan een column waagt. Anderzijds betreur ik dat het debat vaak een doel is geworden in plaats van een instrument. Dat vooral de these-antithese overeind blijft en de synthese gaat vliegen. Vaak vind ik de tweedelingen in debatten artificieel. Het zijn valse tegenstellingen, zoals de hoop en het optimisme hierboven. Vraag je mensen op straat of ze een geel hesje, dan wel een bakfietser zijn, dan antwoorden ze geheid dat ze van beide categorieën wel iets hebben. En om het klimaat te redden zullen waarschijnlijk zowel hernieuwbare als kernenergie nodig zijn, zoals ook consuminderen en groene groei in de praktijk samengaan. Bij dit soort debatten voel ik me altijd wat van mijn tijd beroofd. Of in het slechtste geval vermoed ik er, zoals de filosoof Jürgen Habermas, een portie opiniemanagement achter. Het idee dat opiniemakers hun lezers argumenten willen opleggen. Mogelijks omdat ze een boek geschreven hebben over hun overtuiging, en er dus geen baat bij hebben dat het debat snel eindigt in een synthese. In plaats van waarheidsvinding leidt dat soort debatten eerder tot een status quo, een eeuwig herkauwen van wat de beste oplossing voor het klimaatprobleem zou kunnen zijn, of de beste manier om niet moedeloos te worden.  Hoop zit voor mij meer in het onderzoek dan in de mening. Consulteer mensen met expertise en vraag hen hoe ze een probleem aanpakken. Maak het conceptuele concreet. Doe iets, of schrijf over wat anderen doen, zo veel mogelijk verschillende anderen. En dat - voor mij zo levensnoodzakelijke - denken dan? Voed het met nieuwsgierigheid.

Pons
16 1

Pechverhelping

Dwars over een landweg sputterde een scootmobiel. De vrouw die hem bestuurde, vloekte over alle omliggende velden heen. Ze droeg een houthakkershemd en een wijde jeans, haar haren waren ongekamd. Ze snokte aan het stuur waarop de elektrische rolstoel op gang kwam en weer stil viel. Kort naar voren en weer naar achteren, haar lichaam volgde de cadans van de machine. Het geheel leek een slecht gemonteerde automaat van een sadistische schepper. Naast haar zag een labrador het aan. We legden de tractor stil en stapten op de vrouw af, die zich niet liet afleiden door onze aanwezigheid. Ik aaide de hond over zijn bol. ‘Hij is op rust gesteld,’ zei ze, ‘Depressie. Hulphonden mogen niet geaaid worden.’ Van zodra ik stopte met aaien, tikte de hond met zijn snuit tegen mijn hand. ‘U zit vast’, concludeerde Nino. ‘De pechverhelping voor rolstoelen zit thuis,’ zei ze, ‘door dat virus. Iedereen zit thuis. Wat doen jullie hier?’ ‘Wij zijn op weg naar een begrafenis,’ zei ik. Ze pierde en liet de rolstoel even met rust. ‘Wat mooi van jullie,’ zei ze. ‘Woont u ver?’ vroeg Nino. ‘In dat witte huis daar,’ ze wees met haar kin in de richting van het huis op de heuvelkam. ‘Helemaal naar boven?’ ‘Ja,’ zei ze. ‘Ik kan proberen een kabel te bevestigen aan uw rolstoel,’ zei Nino, ‘Dan takelen we u tot aan uw huis.’ ‘Prachtig,’ zei ze zonder enthousiasme. Nino reed de tractor voor en bevestigde het touw aan de scootmobiel. ‘Loop jij mee met haar, voor mocht de rolstoel kantelen?’ Ik geloof niet dat ik sterk genoeg was om de rolstoel tegen te houden of de vrouw op te vangen, maar ik deed wat Nino zei. Zo trokken we in processie door het landschap: een tractor, een rolstoel, een wandelaar en een hond. ‘Mijn man was zoals je vriend,’ zei ze. ‘Hoezo?’ ‘Hij schoot meteen in actie. Meestal werkten zijn oplossingen.’  ‘Lijkt me mooi om met zulk een man samen te zijn.’ Ze trok haar wenkbrauwen op. ‘Zijn jullie samen?’ vroeg ze. ‘Nee’, zei ik, ‘we waren ooit wel…’ ‘Wat is er dan zo mooi aan?’ onderbrak ze me. ‘Ik weet het niet, dat je op iemand kan rekenen, of zo, dat iemand je helpt.’ ‘Wat een kutwoord is dat toch,’ onderbrak ze me weer. ‘Welk woord?’ ‘Helpen.’ ‘Wat kan daar mis mee zijn?’ ‘Sinds ik mijn man buiten gewerkt heb, krijg ik een hoop hulpverleners over de vloer. Kijk, de zon zakt al, straks is thuiszorg daar.’ ‘Mooi, toch?’ ‘Ze snijden kiwi’s, stoppen je vroeg in bed en wassen je als je nog proper bent.’ ‘Toch beter dan niks?’ opperde ik, ‘of heeft u liever dat we u hier laten staan?’ ‘Doe niet gek, natuurlijk heb ik jullie nodig, net zoals ik thuiszorg nodig heb,’ zei ze. ‘Gelooft u dan niet dat iemand gewoon graag iets voor u doet?’ vroeg ik. ‘Ze helpen je om niet met hun eigen zaken bezig te zijn. Het is lafheid, dat helpen,'  zei ze.  Ik besloot om er niet verder op in te gaan. De rest van de weg zat ze kaarsrecht op haar defecte vehikel. We kwamen bij haar huis aan. Nino maakte de kabel los en duwde de scootmobiel zo dicht mogelijk bij de voordeur. Ze gaf ons de sleutel. ‘In de gang staat mijn rollator’, zei ze. Nino en ik namen haar elk bij een bovenarm en trokken haar de drempel over. ‘Zo gaat het wel’, zei ze. In haar donkere woonkamer stonden bijzettafels met boeken, kaders en facturen. Waarschijnlijk waagde niemand het om die op te ruimen. ‘Hoe bent u eigenlijk, als ik vragen mag…,’ begon ik aarzelend. ‘Van de ladder gedonderd toen ik de eik wou snoeien,’ zei ze, ‘Slecht terecht gekomen.’ Ik beeldde me in hoe ze bewegingsloos in het gras lag met de nog razende kettingzaag naast haar. Had ze haar man geroepen? Het was vast een hartelijke kerel, en hartelijke kerels hebben in mijn verbeelding altijd een snor en een buikje. Hij was waarschijnlijk op haar toegelopen, had de hulpdiensten gebeld toen bleek dat ze haar benen niet voelde. Nadat ze het ziekenhuis had verlaten, bracht hij haar thuis maandenlang eten op bed. Maar hij had niet willen toegeven dat het haar fout was.  ‘Wat een treurige vrouw,’ zei ik tegen Nino toen we weer in de tractor zaten.  Om zijn mond verscheen een monkellachje. ‘Ik vond haar nog wel stoer,’ zei hij.   Dit is een fragment uit mijn manuscript 'Nino'  

Pons
0 0

Bubbelstaren

Hoezeer leef ik in mijn bubbel? Dat vraag ik me af bij enkele romans en films van het moment. In “Intermezzo” van Sally Rooney voelt Margaret zich ongemakkelijk over haar jongere geliefde Ivan. Zij is 36 jaar, hij 22. Wat zullen de mensen zeggen? Zal hij wel bij haar blijven? Peter, de broer van Ivan, voelt zich verscheurd tussen zijn vrouw Sylvia, die na een ongeluk geen seks meer kan hebben, en Naomi, een studente die in een kraakpand woont. Bij haar bloeit Peter fysiek open maar mist hij de geestelijke connectie die hij met Sylvia heeft. Met pillen en drank probeert hij zijn onrust te bezweren. (Spoiler-alert !) Hij zit zich dus pagina’s lang op te vreten, zijn fantastisch neergeschreven stream of consciousness stopt nooit. Wat blijkt: Sylvia en Naomi zien weinig graten in de driehoeksverhouding. Ze zitten met elkaar in, delen een kop thee in Peters appartement, doen wat lacherig over zijn getormenteerde gedoe. Mochten ze niet zo lief en begrijpend zijn, je zou er twee heksen in zien die samenspannen om de arme man te kraken. Walk-in-the-park Midden in het boek wou ik hem een bericht sturen: Lieve Peter, dit heeft de Vlaamse acteur Herbert Flack je jaren geleden al voorgedaan. Toen zijn vrouw Mimi dement werd, hield hij er met haar medeweten een minnares op na. Dag Allemaal had er een kluifje aan, maar de publieke opinie leek er niet van wakker te liggen. Toch niet voor zoverre ik dat als tienjarige kon inschatten. De gezondheidstoestand van Mimi wekte begrip op voor de situatie. Ook in Intermezzo is de aanleiding voor de polyamorie niet pure verveling of een onvermogen tot monogamie, maar het auto-ongeluk van Sylvia. Zij heeft vaak pijn en vindt het stresserend om een volwaardige relatie met Peter te onderhouden. Ze vindt het prima dat hij ook bij Naomi terecht kan. Wat kan je daar tegen hebben? En zijn leeftijdsverschillen in relaties niet al lang aanvaard? Mia Doornaert, koning Filip, Lize Spit, de Macrons, ze draaien er hun hand niet voor om. Wat is een decennium (of twee) als je de liefde van je leven vindt? Al kloeg actrice Tine Embrechts onlangs nog over slechte reacties op haar relatie met de jongere Guga Baúl. Is het dan toch anders als de vrouw de oudste is? Daar ken ik in mijn onmiddellijke omgeving nochtans een paar voorbeelden van. Enerzijds komt de thematiek in Intermezzo me wat achterhaald over, anderzijds mis ik soms realiteitszin. De driehoeksverhouding eindigt als een idyllische walk-in-the-park. Er is geen jaloezie, geen ongelijkheid. Elk van de drie partijen kiest bewust voor deze constellatie. Niemand doet het louter om de andere te plezieren. Het is de polyamorie zoals ik ze lees in pleidooien van mensen die al lang getrouwd zijn. Een wensdroom zonder scherpe kantjes. In een liberalere bubbel ken je ook de nadelen van die open relaties, bekijk je het met meer nuchterheid. In de podcast Boeken FM zei ook dichter Ellen Deckwitz dat ze het allemaal nogal goed vond eindigen. Zelf had ze na een dergelijk experiment zin om de andere partijen uit de weg te ruimen. Oerschreeuw In de film ‘Babygirl’ durft Romy, gespeeld door Nicole Kidman, al twintig jaar niet aan haar man zeggen wat ze leuk vindt in bed. Nu dacht ik dat seksuologe en tv-presentatrice Goedele Liekens dit in de jaren negentig al voor ons geregeld had, en ik dacht omringd te zijn door mondige vriendinnen. Maar kijk, artikels over de orgasmekloof schieten uit de grond als vers gras na een regenbui. Romy wil graag gedomineerd worden in bed, daar schaamt ze zich kapot voor. In mijn kindertijd kwamen eroticabeurzen op waar de slager van achter de hoek en zijn vrouw, in zwart latex en met een zweepje onder de arm, de maat namen van de laatste dildo’s. Desondanks trilt Romy anno 2025 van paniek om haar perverse fantasieën. En dit bij een man die haar zozeer vertroetelt dat hij toch oor moet hebben naar haar noden. Het lijkt wel of haar eigen concept van vrouwelijkheid haar in de weg zit. Dat is letterlijk rimpelloos, ze laat zich botoxen, en doet haar best om een onaantastbare bedrijfsleider te zijn. Iets smoezeligs als seks heeft daar weinig plaats in. Misschien moet ze eerder zelf uit haar ei breken dan dat mannen of de maatschappij haar plezier ontzeggen. De film biedt één groot argument tegen hetgeen ik hier verkondig: de manier waarop Romy klaarkomt. Haar orgasme is geen ritmisch gepiep, zoals in veel andere films of porno, maar een soort oerschreeuw. We zien het te weinig. Dank daarvoor, Nicole Kidman. Kon ik me voor de rest ook maar wat meer met je personage identificeren. Hormonale tsunami In het hilarische, goed geschreven ‘All fours’ van Miranda July vertrekt een 45-jarige semi-bekende kunstenaar alleen met de auto op reis. Haar man en kind heeft ze nooit langer dan een week achtergelaten. Ze heeft zich zo geconformeerd aan de nuchterheid van haar man Harris, aan de regelmatige en fatsoenlijke vrijpartijen, dat ze eenmaal de kooi uit, al snel van het paadje rijdt. Op een half uur van huis strandt ze in een motel, richt haar kamer in tot een luxeflat en begint iets met een getrouwde man. Het boek zou illustreren hoe de menopauze of midlifecrisis je leven herijkt. Ik heb het nog niet uit, maar dacht na een paar hoofdstukken aan mijn bereisde vriendinnen die meermaals, in gezelschap of alleen, de oceaan hebben overgestoken, lang voor hun veertigste. Die in hun busje naar een surfgebied rijden. Heb je dezelfde nood om uit te breken als je langere relaties afwisselde met periodes als single? Als je die zelfontplooiing waar anderen in hun midlifecrisis naar hongeren, over je hele leven hebt uitgesmeerd?  Is onze levensloop een golfbreker tegen de hormonale tsunami?  Ik zal het u over enkele jaren weten te zeggen. Ik wil zeker niet hooghartig neerkijken op mensen die een lange, stabiele relatie onderhouden of zich graag wijden aan het ouderschap. En eenieder mag zijn plek innemen op het spectrum van de vrouwelijkheid. Is bloemschikken je ding, doe gerust. Alleen mis ik de laatste tijd wat vrouwelijke personages à la Patti Smith of PJ Harvey, Jacotte Brokken of Daphne Agten. Niet de vrouwen die zich moeten bevrijden van zaken die in mijn verdorven bubbel evident zijn. Wel de wat meer gepokt en gemazelde, zelfstandige, eigenzinnige, gepassioneerde vrouwen die misschien net daarmee in de knoop raken. Zie mij hier die literaire kaskrakers fileren. In mijn manuscript paste ik na feedback ook al een paar ‘te fletse’ gebeurtenissen aan. ‘Kussen met een vrouw, deed ik als student elke week’, zei een schrijfgenote. Het is echt geen sinecure om een spannend én geloofwaardig boek te schrijven. Personages met wie je je kan identificeren, maar die niet saai zijn. Weten wat de norm is en wat daar net van afwijkt, is een belangrijke denkoefening. Je moet je eigen bubbel en die van anderen kennen. De hele limonade. Of cava. Waarschijnlijk houden de thema’s uit de laatste bestsellers me daarom zo bezig.        

Pons
0 0
Tip

Django

‘U heeft kinderen’, zegt de waarzegster in het Frans. Ik lunch op het terras van een restaurantje midden in de vlooienmarkt van Saint-Ouen, ze staat naast mijn tafel. Onder haar bontmantel, waarvan ze de weerbarstige pels in de plooi streelt alsof ze een levend dier aait, is een strook van haar groene rok zichtbaar. Haar donkergrijze haar, bijeengehouden door een haarspeld, bevat witte draden. Bij de vrouw hoort een jongetje van een jaar of vijf. Zijn hoofd komt net boven de tafel, zijn ogen spieden in mijn bord, over de kruimels en het servet naar mijn gezicht. Ik schud mijn hoofd. Hij kijkt weg. ‘Nee, ik heb geen kinderen’, zeg ik terwijl ik nog wat sla op mijn vork prik. De ogen van het jongetje volgen de sla tot die in mijn mond verdwijnt. ‘U zal er twee krijgen, zeker en vast’, zegt ze. Haar licht getaande gezicht is eerder getekend dan gerimpeld, in haar voorhoofd heeft de rust geen horizontale lijnen geërodeerd, daar is ze te gretig en geagiteerd voor. ‘Twee kinderen’ herhaalt ze, ‘een meisje en een jongen’. De keizersdroom, maar ik zie slaapgebrek voor mij, en duizend duplo-blokken uitgespreid over de vloer. Ik hark wat geraspte wortel bij elkaar. ‘U bent verliefd en dromerig’, gaat ze verder. Ik grinnik. Ze piert naar me, om te zien of haar woorden het gewenste effect hebben. Haar dikke wenkbrauwen vormen een front dat haar volgende inval verdedigt. ‘En u wordt 90 jaar’. Ze zet grote ogen op om me te overtuigen. Aan het tafeltje naast me begint een vrouw te lachen. Negentig worden en dan pijnloos wegdeemsteren tijdens de middagdut. Fransen gebruiken wel eens de uitdrukking ‘je suis programmé’, wanneer ze van iets overtuigd zijn. Nu deze vrouw mijn lange leven heeft voorspeld, ben ik geprogrammeerd om negentig jaar te worden. Zo zal het zijn tot ik er een andere ontmoet die mijn voortijdige dood voorspelt. De waarzegster vindt dat ze me genoeg perspectieven heeft geboden voor de luttele vijf euro die ik haar betaald heb. Ze laat de achterkant van haar mantel zien, er hangen wat pluizen in de pels. De buren die net nog naar het hobbelpaard en de juke-box keken, zodat hun oor in de goede richting stond om de profetieën te volgen, worden selectief doof als ze hen vraagt of ze hun toekomst mag voorspellen. Daar staat ze nog even, een vreemde paradijsvogel uit de tijd dat deze vlooienmarkt bestond uit voddenverkopers. Zigeuners, toen ze ‘tziganes’ heetten in plaats van ‘Roms’. Een van die tziganes was Django Reinhardt. Django de Sinti, Django de Belg, Django de Corsicaan, Django de Noord-Afrikaan, en uiteindelijk Django de Parisien. Maar bovenal, Django met de banjo, de gitaar en de viool. Tot zijn twintigste kon ie geen letter lezen. Bepaald niet makkelijk wanneer je na een woningbrand, enfin, een woonwagenbrand al twee jaar in het ziekenhuis ligt. Django. Je was achttien en je hele linkerkant lag aan flarden. Ze wilden je been amputeren, maar je weigerde. Je maakte je het meeste zorgen om je hand. Ze zeiden dat je geen gitaar meer zou kunnen spelen. Je broer moest je gitaar brengen en daar ging je als een bezetene tekeer in die koele ziekenhuiskamer. Wat dachten de andere patiënten? Waren ze je gepingel snel beu, te moe om die energie te verteren? Of waren ze blij dat ze die jonge gast weer zagen lachen, dat hij hen meevoerde naar de bals die hij geanimeerd had toen zijn snorharen nog ergens ver verstopt zaten. Het cafeetje waar je vroeger optrad, zit geprangd tussen de sjieke antiekmarkten en de barakken met sjofele matrassen. Een beetje zoals jouw leven. Je trad op, hier in dit cafeetje waar de toog meer plaats inneemt dan de rest, en in de grote zalen in het verre Amerika. Duke Ellington was een autoritaire ijdeltuit die zijn zus huisarrest oplegde. Dat vond je spijtig. Maar on stage waren menselijke gebreken bijzaak, jullie improviseerden erop los, broeders van de muziek. Toch bleef je het kleine broertje, de attractie die op het einde van het concert een meesterlijke improvisatie geeft, maar nooit echt bij de groep hoort. Ach, een manouche blijft nooit lang. De discipline van die Big Bands kon je toch al niet bekoren. Je miste het chaotische feest van de Puces de Saint-Ouen. Je was aan de nazi’s ontsnapt, ze vonden je te goed om je naar de kampen te brengen, aan de Amerikaanse muziekhandel zou je ook wel ontkomen. Je zag in Parijs een vreemde Vlaamse vogel, een kunstfluiter. Hij stond op een tafel in een café, de authentieke ambiance was net wat je nodig had na dat Amerikaans avontuur. Die jongen had talent. Je begeleidde zijn volkse deuntjes en je kreeg alweer gelijk: Bobbejaan Schoepen, de naam had je nooit goed kunnen uitspreken, werd een hit. Je vond je spitsbroeder terug, Stéphane Grappelli, en je glimlachte toen je dacht aan de tijd dat hij je leerde lezen, daar in het ziekenhuis. Je hield je gitaar vast alsof het een baby was die je suste, dicht bij je schouder, net niet te dicht bij je brandende sigaret. Het was goed zo, zo goed dat je op je veertigste de rust vond om te schilderen en te vissen, in een dorpje dat bij je romantiek paste. Samois-sur-Seine, waar het water de ster is. Het was toen je op de beet van een snoek wachtte, dat het gevaar je van binnenin overspoelde. Je was pas drieënveertig toen de hersenbloeding je klein kreeg. Vond je het spijtig dat je er geen negentig was geworden? In jouw stamcafé drink ik mijn dure Leffe leeg terwijl Tchavolo Schmitt jouw nummer speelt. Ik loop langs de marché Vernaison waar ik ooit een platendraaier kocht. Naast de specialisten in Oriëntaals antiek staan de matrassenverkopers. De vlooienmarkt heeft een eigen stadswal van sportschoenen en leren jekkers, het ene standje naast het andere. Net voor ik door die muur wil lopen, een ander universum in, zie ik de waarzegster voor me. Haar werkdag zit erop, ze zet er goed de pas in. Haar benige schouders doen haar bontjas op en neer gaan. Het kind sjokt achter haar aan. Hij stopt en steekt zijn hand uit naar een blinkende ceintuur. Dan ziet hij me, kijkt me aan met die riem in zijn hand. Krijgt hij ook die niet? De waarzegster draait zich om. Haar pels hangt open, perfect nonchalant. Ik ben van geen belang. Ze buigt zich naar het kind en schreeuwt: ‘Allez viens, Django!’

Pons
58 4