Dit is het plafond.
Lig neer en staar.
Dit is geen kapel. Er zijn geen Sixtijnen.
Dit is Het Kasteel. Dat van mijn vader.
Kijk omhoog. Die moulures waren wit.
Bovendien. Alle wolken zijn gebroken. Dat gebeurde onderweg.
Enkel kindertanden kunnen dat begrijpen.
Die luster met gloeiende lampen. Niets hangt er nog.
Twaalf verlichte zielen verlieten die rozet. Wat bleef is dit vlak.
Het voelt zich niet lekker zonder valse bloemen, brave vormen.
En dan verschijnt dat leger knaagdieren. Zij kunnen zwaartekracht negeren.
Ach. Wees wreed. Wreet gerust.
Zeg hen dat want het mag weg. Zo veel was gelogen.
Het is te lang een blinde wens geweest die niets vergeten kan.
Zo ging, zo verliep en eindelijk mag het gebeuren.
Ook al is hij dood. Toch zal hij wegrijden.
Met zijn peugeootje en sleep, zoals die pasgetrouwden, sleur alles lekker mee.
Echt?
Ja, aan een koord. Het mag naar beneden komen dat plafond.
Wat je nu zegt? En hoe schrijf ik dat?
Wat?
Peugeotje?
Ik weet echt niet wat correct is, noch wat rechtvaardig oogt.
U kunt dat eventueel navragen. Bij het ministerie. Dat van cultuur. Dat van onderwijs. Of aan Franz.
Franz wie?
Peugeot is Franz! Ik heb dat zo beslist.
Dit is thans de situatie.
Weinig kan ons helpen.
uit de reeks 'Foute titelatuur'