Ik ben een slome moordenaar,
beraam mijn plannen traag.
Mijn misdrijf had ik eerder moeten plegen.
Mijn spijt kwam veel te vroeg.
Broers en zus zijn voorgegaan,
minder jakhals dan de oogappel.
Ik ben een broze boosdoener
en heb mijn dupes lief.
Jaren na zijn dood ruim ik papa uit de weg.
Beeld en stem bezoeken me als wees.
'Schrijven brengt geen brood op de plank'
weerklinkt nog altijd in mijn oor.
Na zijn dood bezocht ik mama elke week,
totdat zij met een jongere kerel keesde.
Ik ben als lieve beul geboren.
Ik vierendeel geliefden in mijn verzen.
Ik radbraak, spies en snij aan stukken.
Mijn gedichten zijn garrotten.
Langzaam knijp ik alle lucht af,
voordat ik hen voorgoed verlies.