Jaren na zijn dood ruim ik papa uit de weg.
Zijn stem bezoekt me, nu als wees:
'Schrijven brengt geen brood op de plank.'
Ik blaas zijn botten in mijn verzen vlees aan
en praat hem aan een late galg.
Nu pas kras ik misdaad op mijn kerfstok.
Mijn touw breekt niet direct zijn nek.
Ik hoor zijn voeten trappen.
Bij leven nog zijn oogappel, stel ik als een sok teleur.
Ik ben als lieve beul uit hem geboren.
Mijn gedichten knijpen langzaam alle lucht af,
voordat ik hem voorgoed verlies.