Het schemert. De bomen uit haar raam zijn doordrenkt in zwarte inkt. Daar waar elke vogel zijn potjes kleeft aan de blote takken. Onwetend dat hun eeuwigheid als boomstandbeeld begint. Daar waar de bomen hun bladen tegen de ramen plakken.
Het schemert dus de lichten doet ze uit. Zo blijven de schaduwen dansen op muziek zonder geluid. Een donker dat zich niet tegen of in haar keert. Enkel in de donker schaamt ze zich niet meer.
De poppenkast vangt de inkt. Dat straalsgewijs het raam afglijdt. Betty, Lida, Lilly, Luka, Robin. Krijsend op een rij. Want een paar nagels op de kast graaft zich zijn krassen in. En de enige die dat niet hoort is zij.
Vanaf haar schaduw op vloer is ze naakt voor al hun ogen. Betty, Lida, Lilly, Luka, Robin. Aangekleed in kleertjes doordrenkt in zwarte regen. Poppenkleertjes voor hun lichamen van was. Tien glinsterende kralen als ogen in ieders kas geregen. Daar waar randen van lijm. Sporen laten van ogen die al eerder uitgevallen zijn.
Haar ruggengraat duwt ze diep in de houten planken van haar bed. Naast de dansende schimmen heeft ze zich vannacht weer neergezet. Daar waar zij onwetend moedig zal waken. Voor de schaduwen die ‘s nachts haar kasten komen kraken.
Het schemert. En haar ruggengraat bestaat uit zenuw en uit bot. Het schemert. En de schaamte is niet langer deel van haar lot. Het schemert. Daar waar ze het even helemaal kan vergeten. Het schemert. Daar waar haar nagels zijn afgesleten.
Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.
Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.